Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5885
2026-08-13
Bestuursrecht
UTR 25/7465
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Woo. Misbruik van recht. De ombudsman heeft in dit geval onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van misbruik van recht zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. Uit het dossier volgt onvoldoende dat eerdere gedragingen op grond waarvan destijds is gekomen tot de conclusie misbruik van recht zich nog steeds voordoen. De Stichting krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2024:4594 Raad van State 13-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2015:3830 Raad van State 16-12-2015
- ECLI:NL:RVS:2019:2817 Raad van State 21-08-2019
- ECLI:NL:RVS:2020:2163 Raad van State 09-09-2020
- ECLI:NL:RVS:2024:4594 Raad van State 13-11-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2016:6394 Rechtbank Noord-Holland 01-08-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.509 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7465
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
Stichting de Verbeelding, uit Utrecht, eiseres
(gemachtigde: G. Heres Hoogerkamp),
en
de Nationale Ombudsman, de ombudsman
(gemachtigde: mr. L.L. Scheppink).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van het verzoek van de Stichting op grond van de Wet open overheid (Woo) wegens misbruik van recht. De Stichting is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buiten behandeling stelling van het Woo-verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ombudsman onvoldoende heeft gemotiveerd dat in het onderhavige geval sprake is van misbruik van recht zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. De Stichting krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De Stichting heeft op 24 november 2025 een Woo-verzoek gedaan waarin gevraagd is om – kortgezegd – documenten over de bestuurskosten van de ombudsman (mr. R.F.B. van Zutphen) en diens rol in de toeslagenaffaire.
2.1.
Op 25 november 2025 heeft de ombudsman aan de Stichting gevraagd om een nadere motivering van het verzoek om te kunnen beoordelen of het doel daarvan voor de Stichting is om de gevraagde informatie openbaar te maken of dat er sprake is van een ander doel.
2.2.
Op 25 november 2025 heeft de Stichting hier schriftelijk op gereageerd.
2.3.
De ombudsman heeft het Woo-verzoek met het besluit van 1 december 2025 buiten behandeling gesteld wegens misbruik van recht.
2.4.
De Stichting heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit en in het bezwaarschrift verzocht aan de ombudsman om in te stemmen met rechtstreeks beroep.
2.5.
Bij bericht van 16 december 2025 heeft de ombudsman ingestemd met rechtstreeks beroep en het bezwaarschrift ter behandeling doorgestuurd aan de rechtbank.
2.6.
De ombudsman heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de secretaris van de Stichting, [A] , de gemachtigde van de Stichting en de gemachtigde van de ombudsman. Beoordeling door de rechtbankWaarom heeft de ombudsman aan de Stichting misbruik van recht tegengeworpen?
3. De ombudsman heeft het Woo-verzoek van de Stichting niet in behandeling genomen omdat volgens hem sprake is van misbruik van recht als bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. Volgens de ombudsman staat in rechte vast dat de Stichting eerder misbruik van recht heeft gemaakt. Daarom draait de ombudsman in deze zaak de bewijslast om: er wordt in beginsel uitgegaan van misbruik van recht bij het indienen van een Woo-verzoek tenzij de Stichting aannemelijk maakt dat daar geen sprake van is. Aan de Stichting is gevraagd te motiveren waarom er in dit geval geen sprake is van misbruik van de Woo. Het antwoord daarop overtuigt de ombudsman niet. De Stichting weigert het eerdere misbruik van recht te erkennen en de door de Stichting geschetste beeldvorming van de ombudsman is juist mede aanleiding geweest om te komen tot het oordeel dat sprake is van misbruik.
4. In het verweerschrift heeft de ombudsman toegelicht dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 november 2024 volgt dat in rechte vast staat dat de Stichting eerder misbruik van recht heeft gemaakt. Op de zitting heeft de ombudsman opgemerkt dat de Woo-verzoeken als zodanig en qua onderwerp weliswaar legitieme verzoeken om informatie zijn, maar dat het gedrag van de Stichting in het verleden doorslaggevend was om destijds misbruik van recht aan te nemen. Omdat dit gedrag zich volgens de ombudsman heeft voortgezet blijft er ook bij dit Woo-verzoek sprake van misbruik. Mocht de ombudsman het verzoek buiten behandeling stellen?
5. De Stichting betwist dat er sprake is van misbruik van recht. De verzoeken zijn altijd ingegeven geweest door een wens om bepaalde informatie boven tafel te krijgen. De Stichting wil controleren of de ombudsman zich aan de regels houdt en dat is volgens haar een legitiem doel van de Woo.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen. Dit volgt uit artikel 4.6 van de Woo.
7. Uit vaste rechtspraak volgt verder dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover zij haar misbruikt. Van een dergelijk misbruik van recht kan sprake zijn als een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Of er al dan niet sprake is van misbruik van
recht, moet per zaak moeten worden beoordeeld. Wel kunnen eerdere procedures en de handelwijze van een partij worden betrokken bij het oordeel of in een specifieke zaak misbruik van recht is gemaakt. Deze uitgangspunten gelden ook voor verzoeken op grond van de Woo. Daarbij is verder van belang dat een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf nog geen misbruik van recht oplevert. Elk beroep op die faciliteiten, waaronder de in het stelsel van de Woo geboden faciliteiten, brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Het enkele feit dat een verzoeker een geschil heeft met een bestuursorgaan is nog geen grond om aan te nemen dat sprake is van misbruik. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat sprake is van misbruik van recht.
8. De rechtbank stelt vast dat de ombudsman het standpunt dat in rechte vast staat dat de Stichting misbruik van het recht heeft gemaakt vooral baseert op de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024. Daaruit volgt dat de Stichting in het verleden misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om Woo-verzoeken in te dienen bij de ombudsman. Aan dat oordeel ligt ten grondslag dat de Stichting door het veelvoud van verzoeken en haar procedeergedrag kennelijk tot doel had om de afhandeling van die verzoeken te bemoeilijken en zo een onevenredig beslag te leggen op de organisatie van de ombudsman. De Afdeling komt zo tot de conclusie dat de verzoeken kennelijk een ander doel hadden dat het verkrijgen van publieke informatie. De vraag wat de beweegredenen van de Stichting zijn voor dit gedrag – rancune of anderzijds – kan volgens de Afdeling in het midden blijven, omdat dit voor de conclusie dat de Stichting op deze wijze misbruik van recht maakt niet van doorslaggevende betekenis is.
9. Anders dan de ombudsman stelt is de rechtbank in deze zaak van oordeel dat niet uit het overgelegde dossier volgt dat de Stichting de gedragingen die de Afdeling heeft beschreven en van betekening heeft geacht, heeft voortgezet. Het onderhavige Woo-verzoek is ingediend ruim twee jaar na de serie verzoeken die onderwerp waren van geding bij de Afdeling. Op de zitting heeft de ombudsman in dit kader erkend dat er lange tijd geen Woo-verzoeken zijn ingediend door de Stichting en dat het aantal aan recente verzoeken flink is afgenomen. Van een veelheid aan procedures, zoals in de uitspraak van de Afdeling is beschreven, is in zoverre ten tijde van het voorliggende Woo-verzoek dan ook niet gebleken. Verder komt uit het dossier en het bestreden besluit ook niet naar voren dat er een voortduring is van het overige gedrag van de Stichting zoals beschreven door de Afdeling. De ombudsman heeft op de zitting ook aangegeven dat de Stichting zich qua uitlatingen de laatste tijd niet meer zo zeer tegen hem richt maar meer op de rechtspraak.
10. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken dat het gedrag van de Stichting, zoals beschreven en van belang geacht in de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ook aan de orde is geweest in het kader van of rondom het hier voorliggende Woo-verzoek. Dat volgens de ombudsman uit alles blijkt dat de Stichting nog steeds verzoeken indient uit een soort rancune richting hem, is daarvoor ook onvoldoende. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de . Afdeling heeft overwogen dat de beweegredenen van de Stichting niet doorslaggevend zijn voor het oordeel of sprake is van misbruik van recht. Met de enkele verwijzing naar deze uitspraak van de Afdeling en daaruit volgende uitspraken van rechtbanken heeft de ombudsman zich dan ook niet naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van misbruik van recht.
11. De ombudsman heeft in het bestreden besluit – onder verwijzing naar een uitspraak van rechtbank Noord Holland – ook overwogen dat zij gelet op het gedrag van de Stichting uit het verleden de bewijslast omkeert. Er wordt uitgegaan van misbruik van recht tenzij de Stichting het tegendeel aantoont. Voor zover de ombudsman uit deze uitspraak van de rechtbank Noord Holland een algemene rechtsregel afleidt over de omkering van de bewijslast in misbruik-zaken, volgt de rechtbank deze lezing niet. Anders dan in de hier voorliggende zaak, werd in die zaak namelijk heel specifiek een parallel getrokken tussen het gedrag van de betreffende gemachtigde in het verleden en in de zaken die daar voorlagen. Die parallel tussen het gedrag in het verleden en het gedrag in de zaak werd bovendien nader onderbouwd en nader gemotiveerd. In deze procedure ontbreekt een dergelijke onderbouwing en motivering. Daarbij merkt de rechtbank op dat door de ombudsman is benadrukt dat de Woo-verzoeken an sich gaan over legitieme onderwerpen en dat het misbruik daar dus niet zo zeer op gestoeld is. Het gaat volgens de ombudsman in doorslaggevende mate om het gedrag van de Stichting. Zoals hiervoor is overwogen kan echter uit het dossier in deze zaak niet worden afgeleid dat dit gedrag zich heeft voortgezet bij het huidige verzoek. Conclusie en gevolgen
12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ombudsman onvoldoende heeft gemotiveerd dat in het onderhavige geval sprake is van misbruik van recht zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo, omdat het gedrag van de Stichting zoals omschreven in de uitspraak van de Afdeling zich (deels) heeft voortgezet. Als de ombudsman de Stichting misbruik van recht wil tegenwerpen dat moet hij nader motiveren waaruit de voortzetting van het betreffende gedrag volgt.
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, strekkende tot het buiten behandeling stellen van het Woo-verzoek van de Stichting.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de ombudsman binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het verzoek moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
12. Omdat het beroep gegrond is moet de ombudsman het griffierecht vergoeden dat door de Stichting is betaald. Ook moet de ombudsman de door de gemachtigden van de Stichting gemaakte reis- en verblijfkosten vergoeden. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt aan de gemachtigde van de Stichting € 539,94 vergoed (reiskosten vanuit zijn woonplaats in Frankrijk en verblijfskosten) en aan de secretaris van de Stichting € 90,16 (reiskosten).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 december 2025;
- draagt de ombudsman op om binnen een termijn van acht weken een nieuw besluit op hetWoo-verzoek van de Stichting te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de ombudsman tot vergoeding van € 630,10,- aan reis- en verblijfkosten van de gemachtigden van de Stichting;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan de Stichting moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De ombudsman verwijst in dit kader naar artikel 4.6 van de Woo.
Als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2024:4594
Zie artikel 3:13, eerste lid, van het BW.
ECLI:NL:RVS:2015:3830.
ECLI:NL:RVS:2019:2817.
ECLI:NL:RVS:2020:2163.
ECLI:NL:RVS:2024:4594.
ECLI:NL:RBNHO:2016:6394.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7465
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
Stichting de Verbeelding, uit Utrecht, eiseres
(gemachtigde: G. Heres Hoogerkamp),
en
de Nationale Ombudsman, de ombudsman
(gemachtigde: mr. L.L. Scheppink).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van het verzoek van de Stichting op grond van de Wet open overheid (Woo) wegens misbruik van recht. De Stichting is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buiten behandeling stelling van het Woo-verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ombudsman onvoldoende heeft gemotiveerd dat in het onderhavige geval sprake is van misbruik van recht zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. De Stichting krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De Stichting heeft op 24 november 2025 een Woo-verzoek gedaan waarin gevraagd is om – kortgezegd – documenten over de bestuurskosten van de ombudsman (mr. R.F.B. van Zutphen) en diens rol in de toeslagenaffaire.
2.1.
Op 25 november 2025 heeft de ombudsman aan de Stichting gevraagd om een nadere motivering van het verzoek om te kunnen beoordelen of het doel daarvan voor de Stichting is om de gevraagde informatie openbaar te maken of dat er sprake is van een ander doel.
2.2.
Op 25 november 2025 heeft de Stichting hier schriftelijk op gereageerd.
2.3.
De ombudsman heeft het Woo-verzoek met het besluit van 1 december 2025 buiten behandeling gesteld wegens misbruik van recht.
2.4.
De Stichting heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit en in het bezwaarschrift verzocht aan de ombudsman om in te stemmen met rechtstreeks beroep.
2.5.
Bij bericht van 16 december 2025 heeft de ombudsman ingestemd met rechtstreeks beroep en het bezwaarschrift ter behandeling doorgestuurd aan de rechtbank.
2.6.
De ombudsman heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de secretaris van de Stichting, [A] , de gemachtigde van de Stichting en de gemachtigde van de ombudsman. Beoordeling door de rechtbankWaarom heeft de ombudsman aan de Stichting misbruik van recht tegengeworpen?
3. De ombudsman heeft het Woo-verzoek van de Stichting niet in behandeling genomen omdat volgens hem sprake is van misbruik van recht als bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. Volgens de ombudsman staat in rechte vast dat de Stichting eerder misbruik van recht heeft gemaakt. Daarom draait de ombudsman in deze zaak de bewijslast om: er wordt in beginsel uitgegaan van misbruik van recht bij het indienen van een Woo-verzoek tenzij de Stichting aannemelijk maakt dat daar geen sprake van is. Aan de Stichting is gevraagd te motiveren waarom er in dit geval geen sprake is van misbruik van de Woo. Het antwoord daarop overtuigt de ombudsman niet. De Stichting weigert het eerdere misbruik van recht te erkennen en de door de Stichting geschetste beeldvorming van de ombudsman is juist mede aanleiding geweest om te komen tot het oordeel dat sprake is van misbruik.
4. In het verweerschrift heeft de ombudsman toegelicht dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 november 2024 volgt dat in rechte vast staat dat de Stichting eerder misbruik van recht heeft gemaakt. Op de zitting heeft de ombudsman opgemerkt dat de Woo-verzoeken als zodanig en qua onderwerp weliswaar legitieme verzoeken om informatie zijn, maar dat het gedrag van de Stichting in het verleden doorslaggevend was om destijds misbruik van recht aan te nemen. Omdat dit gedrag zich volgens de ombudsman heeft voortgezet blijft er ook bij dit Woo-verzoek sprake van misbruik. Mocht de ombudsman het verzoek buiten behandeling stellen?
5. De Stichting betwist dat er sprake is van misbruik van recht. De verzoeken zijn altijd ingegeven geweest door een wens om bepaalde informatie boven tafel te krijgen. De Stichting wil controleren of de ombudsman zich aan de regels houdt en dat is volgens haar een legitiem doel van de Woo.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen. Dit volgt uit artikel 4.6 van de Woo.
7. Uit vaste rechtspraak volgt verder dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover zij haar misbruikt. Van een dergelijk misbruik van recht kan sprake zijn als een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Of er al dan niet sprake is van misbruik van
recht, moet per zaak moeten worden beoordeeld. Wel kunnen eerdere procedures en de handelwijze van een partij worden betrokken bij het oordeel of in een specifieke zaak misbruik van recht is gemaakt. Deze uitgangspunten gelden ook voor verzoeken op grond van de Woo. Daarbij is verder van belang dat een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf nog geen misbruik van recht oplevert. Elk beroep op die faciliteiten, waaronder de in het stelsel van de Woo geboden faciliteiten, brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Het enkele feit dat een verzoeker een geschil heeft met een bestuursorgaan is nog geen grond om aan te nemen dat sprake is van misbruik. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat sprake is van misbruik van recht.
8. De rechtbank stelt vast dat de ombudsman het standpunt dat in rechte vast staat dat de Stichting misbruik van het recht heeft gemaakt vooral baseert op de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024. Daaruit volgt dat de Stichting in het verleden misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om Woo-verzoeken in te dienen bij de ombudsman. Aan dat oordeel ligt ten grondslag dat de Stichting door het veelvoud van verzoeken en haar procedeergedrag kennelijk tot doel had om de afhandeling van die verzoeken te bemoeilijken en zo een onevenredig beslag te leggen op de organisatie van de ombudsman. De Afdeling komt zo tot de conclusie dat de verzoeken kennelijk een ander doel hadden dat het verkrijgen van publieke informatie. De vraag wat de beweegredenen van de Stichting zijn voor dit gedrag – rancune of anderzijds – kan volgens de Afdeling in het midden blijven, omdat dit voor de conclusie dat de Stichting op deze wijze misbruik van recht maakt niet van doorslaggevende betekenis is.
9. Anders dan de ombudsman stelt is de rechtbank in deze zaak van oordeel dat niet uit het overgelegde dossier volgt dat de Stichting de gedragingen die de Afdeling heeft beschreven en van betekening heeft geacht, heeft voortgezet. Het onderhavige Woo-verzoek is ingediend ruim twee jaar na de serie verzoeken die onderwerp waren van geding bij de Afdeling. Op de zitting heeft de ombudsman in dit kader erkend dat er lange tijd geen Woo-verzoeken zijn ingediend door de Stichting en dat het aantal aan recente verzoeken flink is afgenomen. Van een veelheid aan procedures, zoals in de uitspraak van de Afdeling is beschreven, is in zoverre ten tijde van het voorliggende Woo-verzoek dan ook niet gebleken. Verder komt uit het dossier en het bestreden besluit ook niet naar voren dat er een voortduring is van het overige gedrag van de Stichting zoals beschreven door de Afdeling. De ombudsman heeft op de zitting ook aangegeven dat de Stichting zich qua uitlatingen de laatste tijd niet meer zo zeer tegen hem richt maar meer op de rechtspraak.
10. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken dat het gedrag van de Stichting, zoals beschreven en van belang geacht in de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ook aan de orde is geweest in het kader van of rondom het hier voorliggende Woo-verzoek. Dat volgens de ombudsman uit alles blijkt dat de Stichting nog steeds verzoeken indient uit een soort rancune richting hem, is daarvoor ook onvoldoende. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de . Afdeling heeft overwogen dat de beweegredenen van de Stichting niet doorslaggevend zijn voor het oordeel of sprake is van misbruik van recht. Met de enkele verwijzing naar deze uitspraak van de Afdeling en daaruit volgende uitspraken van rechtbanken heeft de ombudsman zich dan ook niet naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van misbruik van recht.
11. De ombudsman heeft in het bestreden besluit – onder verwijzing naar een uitspraak van rechtbank Noord Holland – ook overwogen dat zij gelet op het gedrag van de Stichting uit het verleden de bewijslast omkeert. Er wordt uitgegaan van misbruik van recht tenzij de Stichting het tegendeel aantoont. Voor zover de ombudsman uit deze uitspraak van de rechtbank Noord Holland een algemene rechtsregel afleidt over de omkering van de bewijslast in misbruik-zaken, volgt de rechtbank deze lezing niet. Anders dan in de hier voorliggende zaak, werd in die zaak namelijk heel specifiek een parallel getrokken tussen het gedrag van de betreffende gemachtigde in het verleden en in de zaken die daar voorlagen. Die parallel tussen het gedrag in het verleden en het gedrag in de zaak werd bovendien nader onderbouwd en nader gemotiveerd. In deze procedure ontbreekt een dergelijke onderbouwing en motivering. Daarbij merkt de rechtbank op dat door de ombudsman is benadrukt dat de Woo-verzoeken an sich gaan over legitieme onderwerpen en dat het misbruik daar dus niet zo zeer op gestoeld is. Het gaat volgens de ombudsman in doorslaggevende mate om het gedrag van de Stichting. Zoals hiervoor is overwogen kan echter uit het dossier in deze zaak niet worden afgeleid dat dit gedrag zich heeft voortgezet bij het huidige verzoek. Conclusie en gevolgen
12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ombudsman onvoldoende heeft gemotiveerd dat in het onderhavige geval sprake is van misbruik van recht zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo, omdat het gedrag van de Stichting zoals omschreven in de uitspraak van de Afdeling zich (deels) heeft voortgezet. Als de ombudsman de Stichting misbruik van recht wil tegenwerpen dat moet hij nader motiveren waaruit de voortzetting van het betreffende gedrag volgt.
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, strekkende tot het buiten behandeling stellen van het Woo-verzoek van de Stichting.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de ombudsman binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het verzoek moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
12. Omdat het beroep gegrond is moet de ombudsman het griffierecht vergoeden dat door de Stichting is betaald. Ook moet de ombudsman de door de gemachtigden van de Stichting gemaakte reis- en verblijfkosten vergoeden. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt aan de gemachtigde van de Stichting € 539,94 vergoed (reiskosten vanuit zijn woonplaats in Frankrijk en verblijfskosten) en aan de secretaris van de Stichting € 90,16 (reiskosten).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 december 2025;
- draagt de ombudsman op om binnen een termijn van acht weken een nieuw besluit op hetWoo-verzoek van de Stichting te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de ombudsman tot vergoeding van € 630,10,- aan reis- en verblijfkosten van de gemachtigden van de Stichting;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan de Stichting moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De ombudsman verwijst in dit kader naar artikel 4.6 van de Woo.
Als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2024:4594
Zie artikel 3:13, eerste lid, van het BW.
ECLI:NL:RVS:2015:3830.
ECLI:NL:RVS:2019:2817.
ECLI:NL:RVS:2020:2163.
ECLI:NL:RVS:2024:4594.
ECLI:NL:RBNHO:2016:6394.