Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5884
2026-08-11
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
UTR 26/6604
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Mondeling uitspraak vovo. Verzoek tot voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen opgelegde last onder dwangsom teneinde de carport, de tuinschuur, het prieel en de schuifpoort die zonder vereiste vergunning zijn gebouwd geheel te verwijderen. Verzoek afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2018:3020 Raad van State 19-09-2018
- ECLI:NL:RVS:2019:1694 Raad van State 29-05-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.955 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrechtzaaknummer: UTR 26/6604
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. O.L. van der Pol)
en
het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Veenendaal (het college), verweerder
(gemachtigde: M. Groenewoud).
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de last onder dwangsom die aan verzoeker is opgelegd teneinde de carport, de tuinschuur, het prieel en de schuifpoort die zonder vereiste vergunning zijn gebouwd geheel te verwijderen. Bij besluit van 10 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft het college verzoeker gelast om de in het besluit genoemde overtredingen op het perceel [adres] te [plaats] vóór 1 september 2026 te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per geconstateerde overtreding met een maximum van één constatering per week, tot een hoogte van maximaal € 20.000,-.
2. Verzoeker is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom en heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit. Hij heeft daarnaast ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen zodat de opgelegde last wordt opgeschort.
3. Het verzoek is behandeld op de zitting van 11 augustus 2026. Verzoeker was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn partner [A] en door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. S. Bontan en [B] .
4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
6. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
7. De voorzieningenrechter geeft bij een verzoek in de bezwaarfase een voorlopig oordeel over de vraag of de last onder dwangsom rechtmatig is of niet. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als de last onder dwangsom zodanig gebrekkig is dat die in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of de belangen van verzoeker om de last onder dwangsom te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college om de last onder dwangsom in stand te laten. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker.
8. Om een voorlopig oordeel daarover te kunnen geven moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoeker spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek om het besluit van het college te schorsen. Het college stelt zich op het standpunt dat het spoedeisend belang voor verzoeker ontbreekt, omdat hij lang heeft gewacht met het verzoek om voorlopige voorziening en dit pas kort voor het verstrijken van de begunstigingstermijn heeft ingediend. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van het college niet en ziet voldoende spoedeisend belang, nu de beslissing op het bezwaar van verzoeker niet vóór het verstrijken van de begunstigingstermijn op 1 september 2026 wordt verwacht.
9. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen vastgesteld dat het prieel inmiddels is verwijderd en dat voor de schuifpoort inmiddels een legaliserende omgevingsvergunning verleend. Voor deze bouwwerken zullen dus geen dwangsommen verbeuren. Dit betekent dat in deze zaak alleen de carport en de tuinschuur nog in geschil zijn.
10. Ten aanzien van de carport stelt de voorzieningenrechter vast dat deze zonder vereiste omgevingsvergunning is gebouwd. De carport is geen vergunningvrij bijbehorend bouwwerk, alleen al om het enkele feit dat deze zich deels bevindt buiten het perceel dat behoort bij het hoofdgebouw aan de [adres] . Bovendien, al zou er sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk, dan is deze niet vergunningvrij omdat deze zich deels in het voorerfgebied bevindt. Dat betekent dat de carport vergunningplichtig is. Legalisering op grond van het geldende omgevingsplan is niet aan de orde, omdat de carport deels gelegen is in het voorerfgebied dat niet is aangeduid als ‘erf’ en deels gelegen is binnen een natuurbestemming op een ander perceel waar niet gebouwd mag worden. De carport is dus in strijd met het omgevingsplan. Omdat het college heeft aangegeven niet bereid te zijn mee te werken aan enige bebouwing in het voorerfgebied en evenmin aan bebouwing binnen de natuurbestemming, bestaat er geen concreet zicht op legalisering. Voorgaande betekent dat het college bevoegd en in beginsel ook verplicht was om handhavend op te treden.
11. Met betrekking tot de tuinschuur kan ook worden vastgesteld dat deze zonder vereiste omgevingsvergunning is gebouwd. De destijds door het college geaccepteerde bouwmelding voor een tuinhuisje uit 1996 ziet op een tuinhuis op een locatie binnen de huidige woonbestemming. Hoewel met de tekening bij de bouwmelding de locatie niet exact is vast te stellen, is dit mede aan de hand van de maatvoering van de oorspronkelijke woning op de tekening voldoende duidelijk vast te stellen. Het huidige tuinhuis zoals het er nu staat is gebouwd deels buiten de woonbestemming en bevindt zich ook gedeeltelijk buiten het perceel bij het hoofdgebouw binnen de natuurbestemming. Ook hier is enkel om die reden al geen sprake van een bijbehorend bouwwerk en kan er dus ook geen sprake zijn van een vergunningvrij bijbehorend bouwwerk.
12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan daarnaast het beroep van verzoeker op het bouwovergangsrecht niet slagen, omdat alleen legaal aanwezige bouwwerken door het bouwovergangsrecht worden bestreken. Het bouwovergangsrecht verschaft daarbij eveneens geen omgevingsvergunning-vervangende titel. Dat is niet anders geworden sinds de omgevingsvergunningplicht onder de werking van de Omgevingswet in artikel 22.26 van de bruidsschat uit het omgevingsplan is opgenomen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de tuinschuur vergunningplichtig is. Ook hier is legalisering op grond van het omgevingsplan niet aan de orde omdat de tuinschuur deels gelegen is binnen een natuurbestemming op een ander perceel waar niet gebouwd mag worden. De tuinschuur is dus in strijd met het omgevingsplan. Ook voor de tuinschuur geldt dat er geen concreet zicht op legalisering bestaat omdat het college heeft aangegeven niet bereid te zijn mee te werken aan bebouwing binnen de natuurbestemming.
12. Nu er voor beide bouwwerken geen sprake is van een concreet zicht op legalisering geldt als hoofdregel dat er op het college de verplichting rust om handhavend op te treden. In dat kader heeft verzoeker een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal ook dit niet kunnen slagen. Volgens vaste rechtspraak moeten voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen worden doorlopen:
1. Is er sprake van een uitlating en/of gedraging die kan worden als een toezegging?2. Zo ja, kan die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan worden toegerekend?3. Zo ja, wat is dan de betekenis van het gewekte vertrouwen bij de uitoefening van de bevoegdheid?
13. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het dossier blijkt dat er van de zijde van het college uitvoerig is meegedacht aan mogelijkheden om te komen tot legalisering. Van concrete ondubbelzinnige uitspraken dat van handhaving zou worden afgezien of dat legalisering van de carport of van het tuinhuis in zijn huidige vorm mogelijk is, is de voorzieningenrechter echter niet gebleken. Verzoeker heeft gewezen op de e-mails van 26 april 2024 en 3 mei 2024 die in het kader van een Woo-verzoek aan verzoeker beschikbaar zijn gesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit interne ambtelijke stukken betreffen met ambtelijke opvattingen dat medewerking dan wel legalisatie mogelijk is. Uit de e-mails, onder meer met een medewerker van de provincie, volgt een ambtelijke onderbouwing dat er tegen een vorm van legalisering van de bebouwing geen bezwaren bestaan vanuit ruimtelijk, stedenbouwkundig of landschaps-, natuur- en cultuurhistorische oogpunt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreffen het echter interne uitlatingen van ambtenaren, die in het kader van het onderzoeken naar legaliseringsmogelijkheden zijn gedaan. Deze interne ambtelijke stukken kwalificeren niet als een aan verzoeker gedane uitlating of toezegging. Hoe het interne proces van voorbereiding van besluitvorming precies is gelopen is uit de beschikbare gegevens in het dossier niet te achterhalen, maar uiteindelijk is het aan het college van burgemeester en wethouders om het besluit te nemen over de handhavingsbevoegdheid en de (on)mogelijkheid tot legalisering en daarbij is het ook geoorloofd om af te wijken van een ambtelijk advies. Dat tijdens de ambtelijke voorbereiding concrete toezeggingen aan verzoeker zijn gedaan is tijdens de zitting door het college tegengesproken en van dergelijke toezeggingen is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. De suggestie van verzoeker dat, gelet op de interne ambtelijke stukken, het niet anders kan zijn dan dat die toezeggingen wel aan hem zijn gedaan volgt de voorzieningenrechter niet.
14. Ten slotte ziet de voorzieningenrechter ook geen gronden die het beroep op het gelijkheidsbeginsel zullen doen slagen. Gelijke gevallen zijn niet aangedragen en de omstandigheid dat er in het verleden met een vorige eigenaar een private huurovereenkomst zou zijn aangegaan voor het gebruik van gemeentegronden maakt niet dat zo’n overeenkomst nu ook zou moeten worden aangegaan. Daarbij neemt de voorzieningenrechter ook in aanmerking dat zo’n private huurovereenkomst publiekrechtelijke overtredingen waarop een beginselplicht tot handhaving rust niet wegnemen.
15. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bezwaar van verzoeker, gelet op voorgaande, niet leiden tot herroeping van de opgelegde last onder dwangsom. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op het perceel [adres] rust op grond van het bestemmingsplan Buitengebied de bestemming Wonen, dat deel uitmaakt van het omgevingsplan. Op grond van artikel 16.2.2 van de planregels mogen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding “erf” worden gebouwd.
Verwezen wordt naar artikel 33.1.3 van de planregels van het bestemmingsplan Buitengebied.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3020.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrechtzaaknummer: UTR 26/6604
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. O.L. van der Pol)
en
het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Veenendaal (het college), verweerder
(gemachtigde: M. Groenewoud).
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de last onder dwangsom die aan verzoeker is opgelegd teneinde de carport, de tuinschuur, het prieel en de schuifpoort die zonder vereiste vergunning zijn gebouwd geheel te verwijderen. Bij besluit van 10 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft het college verzoeker gelast om de in het besluit genoemde overtredingen op het perceel [adres] te [plaats] vóór 1 september 2026 te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per geconstateerde overtreding met een maximum van één constatering per week, tot een hoogte van maximaal € 20.000,-.
2. Verzoeker is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom en heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit. Hij heeft daarnaast ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen zodat de opgelegde last wordt opgeschort.
3. Het verzoek is behandeld op de zitting van 11 augustus 2026. Verzoeker was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn partner [A] en door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. S. Bontan en [B] .
4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
6. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
7. De voorzieningenrechter geeft bij een verzoek in de bezwaarfase een voorlopig oordeel over de vraag of de last onder dwangsom rechtmatig is of niet. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als de last onder dwangsom zodanig gebrekkig is dat die in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of de belangen van verzoeker om de last onder dwangsom te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college om de last onder dwangsom in stand te laten. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker.
8. Om een voorlopig oordeel daarover te kunnen geven moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoeker spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek om het besluit van het college te schorsen. Het college stelt zich op het standpunt dat het spoedeisend belang voor verzoeker ontbreekt, omdat hij lang heeft gewacht met het verzoek om voorlopige voorziening en dit pas kort voor het verstrijken van de begunstigingstermijn heeft ingediend. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van het college niet en ziet voldoende spoedeisend belang, nu de beslissing op het bezwaar van verzoeker niet vóór het verstrijken van de begunstigingstermijn op 1 september 2026 wordt verwacht.
9. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen vastgesteld dat het prieel inmiddels is verwijderd en dat voor de schuifpoort inmiddels een legaliserende omgevingsvergunning verleend. Voor deze bouwwerken zullen dus geen dwangsommen verbeuren. Dit betekent dat in deze zaak alleen de carport en de tuinschuur nog in geschil zijn.
10. Ten aanzien van de carport stelt de voorzieningenrechter vast dat deze zonder vereiste omgevingsvergunning is gebouwd. De carport is geen vergunningvrij bijbehorend bouwwerk, alleen al om het enkele feit dat deze zich deels bevindt buiten het perceel dat behoort bij het hoofdgebouw aan de [adres] . Bovendien, al zou er sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk, dan is deze niet vergunningvrij omdat deze zich deels in het voorerfgebied bevindt. Dat betekent dat de carport vergunningplichtig is. Legalisering op grond van het geldende omgevingsplan is niet aan de orde, omdat de carport deels gelegen is in het voorerfgebied dat niet is aangeduid als ‘erf’ en deels gelegen is binnen een natuurbestemming op een ander perceel waar niet gebouwd mag worden. De carport is dus in strijd met het omgevingsplan. Omdat het college heeft aangegeven niet bereid te zijn mee te werken aan enige bebouwing in het voorerfgebied en evenmin aan bebouwing binnen de natuurbestemming, bestaat er geen concreet zicht op legalisering. Voorgaande betekent dat het college bevoegd en in beginsel ook verplicht was om handhavend op te treden.
11. Met betrekking tot de tuinschuur kan ook worden vastgesteld dat deze zonder vereiste omgevingsvergunning is gebouwd. De destijds door het college geaccepteerde bouwmelding voor een tuinhuisje uit 1996 ziet op een tuinhuis op een locatie binnen de huidige woonbestemming. Hoewel met de tekening bij de bouwmelding de locatie niet exact is vast te stellen, is dit mede aan de hand van de maatvoering van de oorspronkelijke woning op de tekening voldoende duidelijk vast te stellen. Het huidige tuinhuis zoals het er nu staat is gebouwd deels buiten de woonbestemming en bevindt zich ook gedeeltelijk buiten het perceel bij het hoofdgebouw binnen de natuurbestemming. Ook hier is enkel om die reden al geen sprake van een bijbehorend bouwwerk en kan er dus ook geen sprake zijn van een vergunningvrij bijbehorend bouwwerk.
12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan daarnaast het beroep van verzoeker op het bouwovergangsrecht niet slagen, omdat alleen legaal aanwezige bouwwerken door het bouwovergangsrecht worden bestreken. Het bouwovergangsrecht verschaft daarbij eveneens geen omgevingsvergunning-vervangende titel. Dat is niet anders geworden sinds de omgevingsvergunningplicht onder de werking van de Omgevingswet in artikel 22.26 van de bruidsschat uit het omgevingsplan is opgenomen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de tuinschuur vergunningplichtig is. Ook hier is legalisering op grond van het omgevingsplan niet aan de orde omdat de tuinschuur deels gelegen is binnen een natuurbestemming op een ander perceel waar niet gebouwd mag worden. De tuinschuur is dus in strijd met het omgevingsplan. Ook voor de tuinschuur geldt dat er geen concreet zicht op legalisering bestaat omdat het college heeft aangegeven niet bereid te zijn mee te werken aan bebouwing binnen de natuurbestemming.
12. Nu er voor beide bouwwerken geen sprake is van een concreet zicht op legalisering geldt als hoofdregel dat er op het college de verplichting rust om handhavend op te treden. In dat kader heeft verzoeker een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal ook dit niet kunnen slagen. Volgens vaste rechtspraak moeten voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen worden doorlopen:
1. Is er sprake van een uitlating en/of gedraging die kan worden als een toezegging?2. Zo ja, kan die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan worden toegerekend?3. Zo ja, wat is dan de betekenis van het gewekte vertrouwen bij de uitoefening van de bevoegdheid?
13. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het dossier blijkt dat er van de zijde van het college uitvoerig is meegedacht aan mogelijkheden om te komen tot legalisering. Van concrete ondubbelzinnige uitspraken dat van handhaving zou worden afgezien of dat legalisering van de carport of van het tuinhuis in zijn huidige vorm mogelijk is, is de voorzieningenrechter echter niet gebleken. Verzoeker heeft gewezen op de e-mails van 26 april 2024 en 3 mei 2024 die in het kader van een Woo-verzoek aan verzoeker beschikbaar zijn gesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit interne ambtelijke stukken betreffen met ambtelijke opvattingen dat medewerking dan wel legalisatie mogelijk is. Uit de e-mails, onder meer met een medewerker van de provincie, volgt een ambtelijke onderbouwing dat er tegen een vorm van legalisering van de bebouwing geen bezwaren bestaan vanuit ruimtelijk, stedenbouwkundig of landschaps-, natuur- en cultuurhistorische oogpunt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreffen het echter interne uitlatingen van ambtenaren, die in het kader van het onderzoeken naar legaliseringsmogelijkheden zijn gedaan. Deze interne ambtelijke stukken kwalificeren niet als een aan verzoeker gedane uitlating of toezegging. Hoe het interne proces van voorbereiding van besluitvorming precies is gelopen is uit de beschikbare gegevens in het dossier niet te achterhalen, maar uiteindelijk is het aan het college van burgemeester en wethouders om het besluit te nemen over de handhavingsbevoegdheid en de (on)mogelijkheid tot legalisering en daarbij is het ook geoorloofd om af te wijken van een ambtelijk advies. Dat tijdens de ambtelijke voorbereiding concrete toezeggingen aan verzoeker zijn gedaan is tijdens de zitting door het college tegengesproken en van dergelijke toezeggingen is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. De suggestie van verzoeker dat, gelet op de interne ambtelijke stukken, het niet anders kan zijn dan dat die toezeggingen wel aan hem zijn gedaan volgt de voorzieningenrechter niet.
14. Ten slotte ziet de voorzieningenrechter ook geen gronden die het beroep op het gelijkheidsbeginsel zullen doen slagen. Gelijke gevallen zijn niet aangedragen en de omstandigheid dat er in het verleden met een vorige eigenaar een private huurovereenkomst zou zijn aangegaan voor het gebruik van gemeentegronden maakt niet dat zo’n overeenkomst nu ook zou moeten worden aangegaan. Daarbij neemt de voorzieningenrechter ook in aanmerking dat zo’n private huurovereenkomst publiekrechtelijke overtredingen waarop een beginselplicht tot handhaving rust niet wegnemen.
15. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bezwaar van verzoeker, gelet op voorgaande, niet leiden tot herroeping van de opgelegde last onder dwangsom. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op het perceel [adres] rust op grond van het bestemmingsplan Buitengebied de bestemming Wonen, dat deel uitmaakt van het omgevingsplan. Op grond van artikel 16.2.2 van de planregels mogen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding “erf” worden gebouwd.
Verwezen wordt naar artikel 33.1.3 van de planregels van het bestemmingsplan Buitengebied.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3020.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.