Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5882
2026-08-12
Bestuursrecht
UTR 26/663
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wht. Afwijzing aanvraag overname private schuld. De schuld van eiser is niet vervat in een notariële akte en voldoet niet aan wettelijke voorwaarden voor overneming. Geen aanleiding toepassing hardheidsclausule. Beroep op het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel slagen niet. Het beroep is ongegrond.
Citeert (10)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:5232 Rechtbank Midden-Nederland 22-09-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2024:494 Rechtbank Amsterdam 05-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:1570 Raad van State 18-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:2040 Raad van State 15-05-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2025:496 Rechtbank Noord-Nederland 12-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:1746 Raad van State 25-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:456 Raad van State 12-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:532 Raad van State 12-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:751 Raad van State 11-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:2040 Raad van State 15-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.080 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/663
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Kartal)
en
de Minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Kandhai).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om overname van een private schuld in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2. De Minister van Financiën (de Minister) heeft deze aanvraag met het besluit van 19 oktober 2023 afgewezen. Met het besluit van 25 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de Minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Op 22 september 2025 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan en het beroep van eiser tegen het besluit van 25 juli 2024 gegrond verklaard. De Minister is daarbij opgedragen om binnen acht weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
3. Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 11 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld en heeft de beroepsgronden aangevuld. De Minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn partner [A] en door E. Cakmak, waarnemer van de gemachtigde van eiser. Ook was H. Erarslan aanwezig, geregistreerd tolk in de taal Turks. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
5. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt onder welke voorwaarden private schulden worden overgenomen. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan: de schuld is ontstaan na 31 december 2005 en is vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden. Ook moet de schuld nog niet zijn afbetaald op het moment waarop de aanvraag wordt gedaan.
6. Verder geldt voor schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling (zogenoemde informele schulden of privé-schulden) op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht als voorwaarde voor overname dat de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Het bestaan van de schuld kan ook blijken uit een rechterlijke uitspraak, mits de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021.
Feiten en geschil
7. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft bij Sociale Banken Nederland (SBN) de aanvraag ingediend een schuld over te nemen op basis van de Wht. Het gaat om een schuld van € 15.000,- aan de werkgever van eiser [bedrijf 1] VOF (met referentie ‘ [eiser] ’).
8. Het beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de Minister om de schuld op grond van de Wht niet van eiser over te nemen. De Minister heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de schuld een informele lening is, die niet is vastgelegd in een notariële akte. Bovendien, zo heeft de Minister in beroep subsidiair aangevoerd, blijkt niet dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.
9. Eiser betwist niet dat sprake is van een informele lening bij zijn werkgever, maar stelt dat de Minister ten onrechte vasthoudt aan de eis van de notariële akte uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Beoordeling door de rechtbank
De eis van de notariële akte en opeisbaarheid
10. Eiser stelt dat er sprake is van authentieke documenten waardoor redelijkerwijs niet getwijfeld kan worden aan het bestaan en de opeisbaarheid van de schuld waardoor het vasthouden aan de eis van een notariële akte door de Minister onredelijk is. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Eiser wijst er op dat hij beschikt over de volgende documenten:
de onderhandse leningsovereenkomst van 30 mei 2016;
de (her)bevestigingsbrief van de lening door [bedrijf 1] VOF van 2 januari 2018;
de sommatiebrief van 28 mei 2021;
de e-mail van [bedrijf 2] B.V. (de kredietverstrekker) van 28 juni 2023.
Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat de lening wel opeisbaar is geworden vóór1 juni 2021, en niet pas opeisbaar wordt op 1 juni 2026. Eiser wijst in dat kader op de sommatiebrief van 28 mei 2021 waarin wordt aangegeven dat door het naderen van de uiterste aflossingsdatum zonder dat betaling heeft plaatsgevonden, de schuld opeisbaar wordt en de verjaring wordt gestuit.
11. De rechtbank stelt voorop dat de Minister terecht heeft geconcludeerd dat de betreffende schuld niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling. Er is sprake van een informele schuld als bedoeld in artikel 4.1, lid 3, sub b van de Wht. omdat het verstrekken van leningen geen (kern)bedrijfsactiviteit is van [bedrijf 1] VOF.
12. Met de Minister stelt de rechtbank vast dat de onderhavige schuld niet vervat is in een notariële akte die verleden is in de wettelijke referteperiode. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Eiser stelt dat wel sprake is van authentieke documenten zoals ook aan de hand was in de eerder genoemde zaak van de rechtbank Amsterdam, waardoor volgens eiser geen twijfel bestaat over het bestaan en de afbetaling van de schuld. De rechtbank is het met de Minister eens dat de door eiser overgelegde documenten niet op onafhankelijke wijze verifieerbaar zijn zoals bij authentieke documenten wel het geval is. De documenten hebben slechts bewijskracht tussen de daarbij betrokken partijen en niet jegens de Minister. De documenten die eiser heeft overgelegd bieden niet de objectieve waarborgen zoals die van een authentiek document. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van een notariële akte of een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 4.1 lid 3 sub b van de Wht en ook niet blijkt uit de overige stukken die zijn overgelegd ter onderbouwing van het bestaan van de gestelde schuld, voldoet de gestelde schuld niet aan de wettelijke voorwaarden voor overneming. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de opeisbaarheid.
De hardheidsclausule en motivering
13. Eiser voert aan dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van de notariële akte zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule moet worden toegepast. Hij wijst daarbij op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Eiser stelt dat sprake is van een actuele schrijnende situatie. Eiser wijst daarbij ook naar de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2025 waarbij is geoordeeld dat de overheid zich niet te rigide moet opstellen als het gaat om beperking van de aangerichte schade die het gevolg is van door de overheid gemaakte, ernstige fouten. Eiser voert daarnaast aan dat de Minister het motiveringsbeginsel heeft geschonden omdat bij de beoordeling van de hardheidsclausule het eigen aandeel van de overheid niet is meegenomen. Eiser is van mening dat het besluit hierdoor niet deugdelijk is gemotiveerd.
14. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert eiser aan dat hij als gevolg van de toeslagenaffaire lange tijd financiële en emotionele schade heeft geleden. Hij heeft een zorgbehoevend kind en heeft onder zware omstandigheden moeten werken terwijl zijn kinderen daardoor niet altijd de zorg en aandacht hebben gekregen die zij nodig hebben. De bestaande schuld belemmert de nieuwe start die de Wht juist beoogt te bieden volgens eiser. Er bestaat geen reëel perspectief op aflossing en er is een reëel risico dat de schuld, bij overlijden van eiser, op de kinderen zal overgaan.
15. De Minister stelt dat door eiser niet concreet is onderbouwd dat sprake is van een actuele schrijnende situatie als gevolg van het niet overnemen van de onderhavige schuld. De stelling dat eiser gedupeerde is van de kinderopvangtoeslagenaffaire is volgens de Minister daarbij op zichzelf onvoldoende.
16. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraken hierover heeft overwogen dat de hardheidsclausule slecht in uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast. De hardheidsclausule vormt geen algemeen correctiemechanisme, maar een uitzondering op de hoofdregel. Zij kan uitsluitend worden toegepast indien toepassing van de wettelijke regeling, gelet op de doel en strekking daarvan, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard dan wel tot een schrijnende situatie.
17. Eiser heeft aangevoerd dat hij het financieel lastig heeft. Eiser heeft echter geen concreet inzicht gegeven in zijn financiële situatie. De door eiser in dit beroep overgelegde stukken zijn daarvoor onvoldoende. Dat eiser in een zodanig problematische situatie verkeert dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is als de schuld niet wordt overgenomen, is de rechtbank dan ook niet gebleken. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de regeling voor de overname van schulden uitdrukkelijk niet is bedoeld om gedupeerde ouders volledig te vrijwaren van schulden of van daarmee mogelijk gepaard gaande (zeer) beperkte financiële draagkracht. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing kunnen laten. De beroepsgrond slaagt niet.
18. Ten aanzien van het motiveringsbeginsel overweegt de rechtbank dat de verschillende compensatieregelingen uit de Wht in het leven zijn geroepen voor het herstel van onrecht. Volgens vaste jurisprudentie hoeft de rol van de overheid daarom niet nogmaals meegenomen te worden bij het beoordelen van de hardheidsclausule. Ook de beroepsgrond ten aanzien van het motiveringsbeginsel slaagt om die reden niet.
Het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel
19. Eiser stelt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en beroept zich in dat kader op artikel 1 van de Grondwet en artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Daarnaast beroept eiser zich op het evenredigheidsbeginsel en stelt hij dat hij door de weigering van de schuldovername geen nieuwe start kan maken. Het besluit is volgens eiser onevenredig zwaar.
20. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van eiser dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat de wetgever nadrukkelijk heeft stilgestaan bij de te stellen voorwaarden en zich rekenschap heeft gegeven van de drempel die dit in de praktijk voor gedupeerde ouders kan opwerpen en de gevolgen die dit voor hen kan hebben. De wettelijke voorwaarden uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht zijn niet voor niets dwingend geformuleerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn verzoek tot overname van de schuld in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 22 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5232.
Zie de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 5 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:494.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1570.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040.
Zie de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:496.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1746, de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:532.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:751, r.o. 7.3.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, r.o. 2.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/663
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Kartal)
en
de Minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Kandhai).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om overname van een private schuld in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2. De Minister van Financiën (de Minister) heeft deze aanvraag met het besluit van 19 oktober 2023 afgewezen. Met het besluit van 25 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de Minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Op 22 september 2025 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan en het beroep van eiser tegen het besluit van 25 juli 2024 gegrond verklaard. De Minister is daarbij opgedragen om binnen acht weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
3. Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 11 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld en heeft de beroepsgronden aangevuld. De Minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn partner [A] en door E. Cakmak, waarnemer van de gemachtigde van eiser. Ook was H. Erarslan aanwezig, geregistreerd tolk in de taal Turks. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
5. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt onder welke voorwaarden private schulden worden overgenomen. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan: de schuld is ontstaan na 31 december 2005 en is vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden. Ook moet de schuld nog niet zijn afbetaald op het moment waarop de aanvraag wordt gedaan.
6. Verder geldt voor schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling (zogenoemde informele schulden of privé-schulden) op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht als voorwaarde voor overname dat de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Het bestaan van de schuld kan ook blijken uit een rechterlijke uitspraak, mits de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021.
Feiten en geschil
7. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft bij Sociale Banken Nederland (SBN) de aanvraag ingediend een schuld over te nemen op basis van de Wht. Het gaat om een schuld van € 15.000,- aan de werkgever van eiser [bedrijf 1] VOF (met referentie ‘ [eiser] ’).
8. Het beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de Minister om de schuld op grond van de Wht niet van eiser over te nemen. De Minister heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de schuld een informele lening is, die niet is vastgelegd in een notariële akte. Bovendien, zo heeft de Minister in beroep subsidiair aangevoerd, blijkt niet dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.
9. Eiser betwist niet dat sprake is van een informele lening bij zijn werkgever, maar stelt dat de Minister ten onrechte vasthoudt aan de eis van de notariële akte uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Beoordeling door de rechtbank
De eis van de notariële akte en opeisbaarheid
10. Eiser stelt dat er sprake is van authentieke documenten waardoor redelijkerwijs niet getwijfeld kan worden aan het bestaan en de opeisbaarheid van de schuld waardoor het vasthouden aan de eis van een notariële akte door de Minister onredelijk is. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Eiser wijst er op dat hij beschikt over de volgende documenten:
de onderhandse leningsovereenkomst van 30 mei 2016;
de (her)bevestigingsbrief van de lening door [bedrijf 1] VOF van 2 januari 2018;
de sommatiebrief van 28 mei 2021;
de e-mail van [bedrijf 2] B.V. (de kredietverstrekker) van 28 juni 2023.
Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat de lening wel opeisbaar is geworden vóór1 juni 2021, en niet pas opeisbaar wordt op 1 juni 2026. Eiser wijst in dat kader op de sommatiebrief van 28 mei 2021 waarin wordt aangegeven dat door het naderen van de uiterste aflossingsdatum zonder dat betaling heeft plaatsgevonden, de schuld opeisbaar wordt en de verjaring wordt gestuit.
11. De rechtbank stelt voorop dat de Minister terecht heeft geconcludeerd dat de betreffende schuld niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling. Er is sprake van een informele schuld als bedoeld in artikel 4.1, lid 3, sub b van de Wht. omdat het verstrekken van leningen geen (kern)bedrijfsactiviteit is van [bedrijf 1] VOF.
12. Met de Minister stelt de rechtbank vast dat de onderhavige schuld niet vervat is in een notariële akte die verleden is in de wettelijke referteperiode. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Eiser stelt dat wel sprake is van authentieke documenten zoals ook aan de hand was in de eerder genoemde zaak van de rechtbank Amsterdam, waardoor volgens eiser geen twijfel bestaat over het bestaan en de afbetaling van de schuld. De rechtbank is het met de Minister eens dat de door eiser overgelegde documenten niet op onafhankelijke wijze verifieerbaar zijn zoals bij authentieke documenten wel het geval is. De documenten hebben slechts bewijskracht tussen de daarbij betrokken partijen en niet jegens de Minister. De documenten die eiser heeft overgelegd bieden niet de objectieve waarborgen zoals die van een authentiek document. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van een notariële akte of een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 4.1 lid 3 sub b van de Wht en ook niet blijkt uit de overige stukken die zijn overgelegd ter onderbouwing van het bestaan van de gestelde schuld, voldoet de gestelde schuld niet aan de wettelijke voorwaarden voor overneming. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de opeisbaarheid.
De hardheidsclausule en motivering
13. Eiser voert aan dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van de notariële akte zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule moet worden toegepast. Hij wijst daarbij op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Eiser stelt dat sprake is van een actuele schrijnende situatie. Eiser wijst daarbij ook naar de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2025 waarbij is geoordeeld dat de overheid zich niet te rigide moet opstellen als het gaat om beperking van de aangerichte schade die het gevolg is van door de overheid gemaakte, ernstige fouten. Eiser voert daarnaast aan dat de Minister het motiveringsbeginsel heeft geschonden omdat bij de beoordeling van de hardheidsclausule het eigen aandeel van de overheid niet is meegenomen. Eiser is van mening dat het besluit hierdoor niet deugdelijk is gemotiveerd.
14. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert eiser aan dat hij als gevolg van de toeslagenaffaire lange tijd financiële en emotionele schade heeft geleden. Hij heeft een zorgbehoevend kind en heeft onder zware omstandigheden moeten werken terwijl zijn kinderen daardoor niet altijd de zorg en aandacht hebben gekregen die zij nodig hebben. De bestaande schuld belemmert de nieuwe start die de Wht juist beoogt te bieden volgens eiser. Er bestaat geen reëel perspectief op aflossing en er is een reëel risico dat de schuld, bij overlijden van eiser, op de kinderen zal overgaan.
15. De Minister stelt dat door eiser niet concreet is onderbouwd dat sprake is van een actuele schrijnende situatie als gevolg van het niet overnemen van de onderhavige schuld. De stelling dat eiser gedupeerde is van de kinderopvangtoeslagenaffaire is volgens de Minister daarbij op zichzelf onvoldoende.
16. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraken hierover heeft overwogen dat de hardheidsclausule slecht in uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast. De hardheidsclausule vormt geen algemeen correctiemechanisme, maar een uitzondering op de hoofdregel. Zij kan uitsluitend worden toegepast indien toepassing van de wettelijke regeling, gelet op de doel en strekking daarvan, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard dan wel tot een schrijnende situatie.
17. Eiser heeft aangevoerd dat hij het financieel lastig heeft. Eiser heeft echter geen concreet inzicht gegeven in zijn financiële situatie. De door eiser in dit beroep overgelegde stukken zijn daarvoor onvoldoende. Dat eiser in een zodanig problematische situatie verkeert dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is als de schuld niet wordt overgenomen, is de rechtbank dan ook niet gebleken. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de regeling voor de overname van schulden uitdrukkelijk niet is bedoeld om gedupeerde ouders volledig te vrijwaren van schulden of van daarmee mogelijk gepaard gaande (zeer) beperkte financiële draagkracht. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing kunnen laten. De beroepsgrond slaagt niet.
18. Ten aanzien van het motiveringsbeginsel overweegt de rechtbank dat de verschillende compensatieregelingen uit de Wht in het leven zijn geroepen voor het herstel van onrecht. Volgens vaste jurisprudentie hoeft de rol van de overheid daarom niet nogmaals meegenomen te worden bij het beoordelen van de hardheidsclausule. Ook de beroepsgrond ten aanzien van het motiveringsbeginsel slaagt om die reden niet.
Het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel
19. Eiser stelt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en beroept zich in dat kader op artikel 1 van de Grondwet en artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Daarnaast beroept eiser zich op het evenredigheidsbeginsel en stelt hij dat hij door de weigering van de schuldovername geen nieuwe start kan maken. Het besluit is volgens eiser onevenredig zwaar.
20. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van eiser dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat de wetgever nadrukkelijk heeft stilgestaan bij de te stellen voorwaarden en zich rekenschap heeft gegeven van de drempel die dit in de praktijk voor gedupeerde ouders kan opwerpen en de gevolgen die dit voor hen kan hebben. De wettelijke voorwaarden uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht zijn niet voor niets dwingend geformuleerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn verzoek tot overname van de schuld in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Mennen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 22 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5232.
Zie de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 5 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:494.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1570.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040.
Zie de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:496.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1746, de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:532.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:751, r.o. 7.3.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, r.o. 2.