Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5858

2026-08-12 Bestuursrecht; Omgevingsrecht UTR 26/37
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/37
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep inzake de aan eisers opgelegde last onder dwangsom. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De aparatuur in de kelder van eisers was onklaar gemaakt zodat daarmee geen (illegaal) metaalbewerkingsbedrijf kon worden geexploiteerd; er was dus geen sprake van een overtreding waardoor het college in zoverre niet bevoegd was tot handhavend optreden. Verder vindt de rechtbank het handhavend optreden ten aanzien van de paardenbak zodanig onevenredig in verhouding tot het algemeen belang bij handhaving, dat het college in zoverre van handhaving had moeten afzien. De paardenbak is al ruim 30 jaar aanwezig op het perceel zonder dat daar handhavend tegen is opgetreden, het gebruik is oor eisers niet uitgebreid (de paardenbak is slechts voor eigen gebruik), het perceel is bij uitstek geschikt voor een paardenbak behorende bij de wél vergunde paardenstallen op het perceel die daar ook al ruim 30 jaar staan, de belangen van eisers bij behoud van de paardenbak zijn groot, het college voert geen actief handhavingsbe

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.419 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 26/37



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 op het beroep in de zaak tussen




[eiser 1] en [eiser 2] uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. A. de Groot)


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder
(gemachtigde: W. van der Wel).





Inleiding

1. Eisers zijn sinds 1 maart 2019 eigenaar van het perceel met toebehoren aan de [adres] in [plaats] . Na een ambtelijke melding heeft een inspecteur van het college in september 2024 een controle uitgevoerd op het perceel. Hij heeft hierbij drie overtredingen geconstateerd. Volgens de inspecteur zouden eisers zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunningen: een kelder van 72,6 m2 hebben gebouwd onder een schuur, een metaalbewerkingsbedrijf exploiteren en een paardenbak hebben aangelegd op het perceel.

2. Bij brief van 1 november 2024 heeft het college eisers daarom laten weten voornemens te zijn om hier handhavend tegen op te treden. Eisers hebben hun zienswijze gegeven. Met het besluit van 17 juni 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft het college eisers onder verbeurte van een dwangsom van € 6.000,-- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 18.000,--, gelast om uiterlijk op 1 september 2025:

 de kelder dicht te storten met schuimbeton en dusdanig te houden, of een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning aan te vragen voor het verkleinen van de kelder tot 30 m2 door het aanbrengen van een vaste wand en dit (nadat de omgevingsvergunning is verleend) binnen een nog te stellen termijn uit te voeren;
 het metaalbewerkingsbedrijf te staken en gestaakt te houden;
 het gebruik van de paardenbak te staken en gestaakt te houden en de paardenbak te ontmantelen, bijvoorbeeld door de vulling of het hekwerk rondom de paardenbak te verwijderen en verwijderd te houden.


3. Eisers zijn het niet eens met het primaire besluit en hebben bezwaar gemaakt. Hierop heeft het college de begunstigingstermijn verlengd naar zes weken na het besluit op bezwaar. Het college heeft de commissie bezwaarschriften gevraagd om over het bezwaar van eisers te adviseren. De commissie heeft op 17 november 2025 haar advies uitgebracht. Conform dit advies, heeft het college met het besluit op bezwaar van 3 december 2025 (hierna: het bestreden besluit) aanvullend gemotiveerd waarom er geen concreet zicht zou bestaan op legalisatie van het metaalbewerkingsbedrijf, en de derde last gewijzigd in:
 het gebruik van de paardenbak te staken en gestaakt te houden en de paardenbak te ontmantelen door de vulling én het hekwerk rondom de paardenbak te verwijderen en verwijderd te houden.
Voor het overige heeft het college het primaire besluit in stand gelaten.

4. Eisers hebben beroep ingesteld. Omdat eisers intussen een omgevingsvergunning hebben aangevraagd en gekregen voor de kelder en die inmiddels ook conform de last hebben verkleind naar 30m2, is de kelder geen onderdeel van geschil meer tussen partijen. Eisers zijn het echter nog steeds niet eens met de lasten ten aanzien van het metaalbewerkingsbedrijf en de paardenbak.

5. Om te voorkomen dat eisers een dwangsom verbeuren omdat de begunstigingstermijn bijna afloopt, hebben zij in beroep de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hierop heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank. Eisers hebben hun verzoek vervolgens ingetrokken.

6. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 30 maart 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld door [A] , een buurman. Het college heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Wet- en regelgeving

7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Op grond van deze wet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Een omgevingsplanactiviteit wordt als volgt gedefinieerd:


een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,


een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of


een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan (de buitenplanse omgevingsplanactiviteit).



8. Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan gekregen. Een omgevingsplan geeft regels over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van eisers geldt het ‘Omgevingsplan gemeente Utrechtse Heuvelrug’. Dit omgevingsplan bestaat onder meer uit een tijdelijk deel, de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen, en de omgevingsplanregels van rechtswege (de bruidsschat). Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Maarsbergen’ van kracht. Dit bestemmingsplan is nu onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

9. Op grond van dit bestemmingsplan rusten op het perceel van eisers onder meer de bestemmingen ‘Wonen-S1’, ‘Tuin’ en ‘Natuur’. Gronden met de bestemming ‘Wonen-S1’ zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep- en of bedrijf aan huis. Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis is alleen in overeenstemming met de woonfunctie, als er activiteiten worden uitgevoerd die staan in de bijlage ‘Staat van Activiteiten Bedrijf aan huis’ bij het bestemmingsplan. Een metaalbewerkingsbedrijf staat hier niet in.

10. Verder geldt dat een paardenbak binnen geen van deze bestemmingen is toegestaan. In het bestemmingsplan is specifiek bepaald dat het verboden is om de daarin begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de daaraan gegeven bestemmingen, en dat onder ‘verboden gebruik’ in elk geval het gebruik van gronden voor een paardenbak wordt verstaan.



Beoordelingskader


11. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik móet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden als sprake is van de overtreding van een wettelijk voorschrift. Dit wordt de beginselplicht tot handhaving genoemd. De rechtszekerheid vergt immers dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Van handhaving kan alleen worden afgezien als dat onevenredig is. Met andere woorden: als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Zo’n bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen aanleiding zijn om van handhaving af te zien, bijvoorbeeld bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.




Beoordeling door de rechtbank



Metaalbewerkingsbedrijf



12. Ten aanzien van het metaalbewerkingsbedrijf voeren eisers aan dat er geen sprake was van een overtreding, zodat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. De rechtbank volgt eisers in dit betoog. De aangetroffen apparatuur in de kelder van eisers blijkt immers al op 23 april 2024 op last van de Officier van Justitie, onomkeerbaar onklaar te zijn gemaakt door de Landelijke Faciliteit Ontmantelen. Dat betekent dat er ten tijde van het primaire besluit feitelijk geen metaalbewerkingsbedrijf (meer) kon worden geëxploiteerd. Op de zitting heeft het college te kennen gegeven dat hij hiervoor geen last had opgelegd als hij dit had geweten. De rechtbank heeft verder geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat eisers ten tijde van het primaire besluit een metaalbewerkingsbedrijf exploiteerden. De acetyleenflessen die op het perceel zijn aangetroffen waren leeg en dus ook onbruikbaar. Niet is gebleken van een (verkoop)voorraad of een actieve website. Deze beroepsgrond slaagt.




Paardenbak



13. Eisers voeren aan dat de paardenbak onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt, zodat het gebruik en het opknappen ervan was toegestaan. De paardenbak is in 1988 aangelegd in aanloop naar de realisatie van een vernieuwde paardenstal op het perceel waar op 10 april 1990 een ‘vergunning voor veestalling’ voor is verleend. Volgens eisers was de paardenbak vergunningvrij. In de toen geldende Woningwet, de Bouwverordening 1968 (inclusief de wijziging in 1985) en het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1977’ dat voor het perceel gold, waren immers geen regels opgenomen over het bouwen en gebruiken van paardenbakken. Dat er geen vergunning nodig was, blijkt volgens eisers ook uit het feit dat er in de omgeving nog veel meer paardenbakken zonder vergunning staan uit die tijd. Daartegen wordt door het college niet handhavend opgetreden.

14. Volgens eisers is de paardenbak sinds 1988 nagenoeg onafgebroken aanwezig en in gebruik geweest. De oud-eigenaar gebruikte de paardenbak voor haar eigen paarden. In 2008 verkocht zij het perceel aan een stichting die de woning (anti-kraak) in gebruik gaf aan de heer [B] , die ook gebruik maakte van de paardenbak. Hij liet een buurvrouw, mevrouw [C] , er ook in rijden op zijn paarden; zij kreeg daar haar paardrijlessen. Nadat de heer [B] in 2017 verhuisde, kreeg een andere buurman, de heer [A] , toestemming van de stichting om de paardenbak te gebruiken voor zijn paarden. De heer [B] en mevrouw [C] bleven de paardenbak intussen ook nog zo’n drie keer per maand gebruiken. Dit gebruik duurde voort tot eisers begonnen met de verbouwing van het perceel in februari 2020. Tijdens de verbouwing is de paardenbak zo’n vijf a zes maanden niet in gebruik geweest. In die tijd zijn de paarden van eisers elders gestald. Vanaf augustus 2020 hebben eisers de paardenbak zelf weer in gebruik genomen. In 2022 is de paardenbak korte tijd niet gebruikt omdat eisers die hebben opgeknapt door de houten omheining te vervangen en de zandbodem om te ploegen. Er is geen drainage aangelegd. Ter onderbouwing hebben eisers foto’s overgelegd en gewezen op de door hen in bezwaar ingediende verklaringen van de heer [B] , mevrouw [C] en de heer [A] . De heer [A] heeft op de zitting bij de rechtbank aanvullend verklaard.

15. De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst is de rechtbank niet gebleken dat de paardenbak vergunningvrij is aangelegd, of dat daar een vergunning voor is verleend. Ten tijde van de bouw van de paardenbak in 1988 was de Woningwet 1962 nog van toepassing. Op grond daarvan gold een algemene vergunningplicht voor het bouwen van bouwwerken. Alleen bouwwerken geen gebouw zijnde van geringe afmetingen waren onder de Woningwet vergunningvrij, mits overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de bouwverordening nader was bepaald. Een paardenbak is een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft een paardenbak naar zijn aard echter een zodanige omvang (de paardenbak van eisers heeft een oppervlakte van 800 m2) dat die niet onder deze uitzondering valt. De paardenbak was dus niet vergunningvrij. Verder valt de paardenbak niet onder de vergunning voor veestalling van 10 april 1990. Die vergunning ziet alleen op de paardenstallen op het perceel; niet op de bak. Niet is gebleken dat de paardenbak later alsnog is vergund of anderszins gelegaliseerd. Er is dus sprake van een overtreding.

16. Eisers zijn gelast om het gebruik van de paardenbak te staken en om de paardenbak te ontmantelen. De last ziet dus zowel op het ‘gebruiken’ als op het ‘bouwen’ van de paardenbak. In het bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Maarsbergen’ is zowel gebruiks- als bouwovergangsrecht opgenomen. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en daarvan afwijkt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot en het bouwwerk niet in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan inclusief het daarin opgenomen overgangsrecht. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, mits dat gebruik niet in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan inclusief het daarin opgenomen overgangsrecht, waarbij geldt dat het gebruik niet meer mag worden hervat als het na inwerkingtreding van het bestemmingsplan langer dan een jaar wordt onderbroken.

17. Ten aanzien van het bouwovergangsrecht stelt de rechtbank voorop dat een geslaagd beroep daarop, géén voor het bouwwerk vergunningvervangende titel oplevert en het bouwwerk daardoor ook niet anderszins wordt gelegaliseerd. Het college heeft op de zitting echter te kennen gegeven dat als zowel het gebruiks- als het bouwovergangsrecht van toepassing blijkt te zijn, hij bereid was geweest om de paardenbak in afwijking van het beleid te legaliseren. Hoewel die bereidheid op zichzelf nog niet leidt tot de conclusie dat de last niet had mogen worden opgelegd omdat er sprake was van concreet zicht op legalisatie van de paardenbak (daarvoor is ook nodig dat eisers die vergunning hebben aangevraagd), ziet de rechtbank hierin wel aanleiding om het beroep van eisers op het overgangsrecht verder te beoordelen. Als de paardenbak kan worden gelegaliseerd, was die (net als de kelder) in beroep waarschijnlijk geen onderdeel van geschil meer geweest.

18. Naar het oordeel van de rechtbank valt de paardenbak van eisers onder de beschermende werking van het gebruiks- én bouwovergangsrecht. Zoals gezegd is voor een geslaagd beroep op het overgangsrecht van bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Maarsbergen’ nodig dat er geen strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan inclusief de daarin opgenomen overgangsregels. Het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel was het bestemmingsplan ‘Maarn – Buitengebied’. In dit bestemmingsplan is bepaald dat bouwwerken die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan bestaan, en die afwijken van het bepaalde in of krachtens dit plan - behoudens in dit lid -, mogen worden vernieuwd of veranderd, mits die afwijkingen niet worden vergroot en geen nieuwe afwijkingen van het plan ontstaan. Het gebruik dat wordt gemaakt van de in het plan begrepen gronden en bouwwerken, dat op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan in afwijking is van het plan, mag worden voortgezet en gewijzigd, mits daardoor de afwijkingen van het plan niet worden vergroot. Anders dan bij het overgangsrecht van het huidige bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Maarsbergen’, maakt het hier dus geen verschil of het bestaande bouwwerk en het gebruik al dan niet was toegestaan op grond van de vóór het bestemmingsplan ‘Maarn – Buitengebied’ geldende planologische regelingen, en ook niet of voor het bouwwerk een vergunning is verleend.



Bouwovergangsrecht



19. De rechtbank stelt voorop dat de paardenbak ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Maarn – Buitengebied’ in 1994/1995 (het plan is op 11 december 1995 vastgesteld), reeds was gebouwd. Dit is ook niet in geschil tussen partijen.

20. Eisers hebben aangevoerd dat de paardenbak onder het bestemmingsplan ‘Maarn – Buitengebied’ was toegestaan. Bijgebouwen, waaronder begrepen dierenverblijven inclusief de bij een en ander behorende andere bouwwerken met een hoogte van 2 meter, werden hierin alsnog mogelijk gemaakt, zodat de paardenbak (als hekwerk behorende bij de paardenstallen) alsnog legaal werd volgens eisers. De rechtbank volgt eisers hierin niet. De planregel waar eisers zich hiervoor op baseren ziet namelijk op gronden met de bestemming Wonen1. De paardenbak ligt niet op die gronden, maar op het gedeelte van het perceel dat onder dit bestemmingsplan was bestemd als ‘Agrarisch gebied met Landschaps- en Natuurwaarden (ALN)’. Volgens eisers gelden voor die gronden ongeveer dezelfde regels, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Deze gronden zijn, anders dan gronden met de bestemming Wonen1, voor zover hier relevant, bestemd voor agrarische bedrijvigheid. Dit is bedrijvigheid geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Vervolgens mag er binnen elk bouwperceel op deze gronden uitsluitend bij één agrarisch bedrijf behorende bebouwing worden gebouwd, waaronder begrepen ten hoogste één woning, zijnde de bedrijfswoning, en daarbij behorende bijgebouwen, tenzij het bouwperceel op de Bestemmingenkaart is aangeduid met ‘zonder bedrijfswoning’. Van agrarische bedrijvigheid is niet gebleken (de paarden werden hobbymatig gehouden op het perceel), en het gedeelte van het perceel met deze bestemming bevat overigens ook geen bouwvlak. De paardenbak wijkt dus af van het bepaalde in of krachtens het bestemmingsplan ‘Maarn-Buitengebied’.

21. De paardenbak was echter wel een bestaand bouwwerk, zodat de rechtbank moet beoordelen of eisers de paardenbak en/of de mate waarin die van het bestemmingsplan afwijkt, hebben vergroot. Dat is de rechtbank niet gebleken. Eisers hebben de verrotte delen van het hekwerk vervangen voor nieuwe delen van dezelfde houtsoort. Het hekwerk is in vorm, grootte en situering op het perceel ongewijzigd gebleven. Verder is de zandgrond alleen omgeploegd. Er is geen zand bijgestort en ook geen drainage aangelegd. De rechtbank ziet dan ook niet dat eisers verder zouden zijn gegaan dan het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van de paardenbak. De wijze waarop eisers de paardenbak hebben opgeknapt, valt daarmee binnen de reikwijdte van het bouwovergangsrecht uit het bestemmingsplan ‘Maarn-Buitengebied’ en het daarop volgende bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Maarsbergen’.

22. Het beroep op het bouwovergangsrecht slaagt.




Gebruiksovergangsrecht



23. De voor het gebruiksovergangsrecht relevante peildatum is in dit geval de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Maarsbergen’ van 13 juni 2018. Pas met de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan geldt namelijk een specifiek gebruiksverbod voor paardenbakken ten aanzien van het perceel. Op grond van de Woningwet 1962, alsook de daaropvolgende bestemmingsplannen ‘Landelijk gebied 1977’ en ‘Maarn Buitengebied’, gold dit nog niet. Het gebruik van de paardenbak was dan ook in overeenstemming het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Maarn-Buitengebied’.

24. Ten aanzien van het gebruiksovergangsrecht geldt dat degene die zich daarop beroept aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk moet maken dat het overgangsrecht ook daadwerkelijk van toepassing is. Op de zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de paardenbak tot en met 2018 nagenoeg aaneengesloten is gebruikt. Volgens het college blijkt echter uit (lucht)foto’s van het perceel dat de paardenbak daarna zodanig begroeid is geraakt dat het niet anders kan dan dat de paardenbak (tot de renovatie in 2022) niet gebruikt werd. Volgens het college kunnen de door eisers overgelegde verklaringen daar niet aan af doen, omdat die niet objectief zijn. Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 december 2019.

25. De rechtbank volgt het college hierin niet. Op de luchtfoto’s uit 2018 en 2019 die het college heeft overgelegd van het perceel, is duidelijk een paardenbak met zandgrond zichtbaar. In het zand zijn zelfs paardenvoetafdrukken te onderscheiden. Dat de paardenbak toen werd gebruikt wordt verder ondersteund door de verklaringen die eisers hebben overgelegd. De rechtbank heeft mede in het licht van deze foto’s geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen, die samen met de overige foto’s van het perceel een consistent verhaal laten zien met een duidelijke tijdlijn. Alleen op de luchtfoto van het perceel uit 2020 is te zien dat de paardenbak is begroeid met een laag gras. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat echter nog niet dat de bak niet meer gebruikt werd, maar vooral dat de bak niet werd onderhouden. Het perceel was vanaf 2017 niet meer bewoond. Als regelmatig onderhoud met bijvoorbeeld een pistesleep of manege vlakker uitblijft, kan er al snel grasgroei ontstaan in de zandgrond van een buitenpaardenbak. Met name van een paardenbak zonder fundering die niet intensief wordt gebruikt. De rechtbank volgt het college tot slot ook niet in de verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 24 december 2019. In tegenstelling tot in die zaak, vinden de door eisers overgelegde verklaringen in de onderhavige procedure steun in de foto’s van het perceel uit het dossier.

26. Het beroep op het gebruiksovergangsrecht slaagt.

27. Zoals gezegd betekent het slagen van het beroep van eisers op het bouw- en gebruiksovergangsrecht niet dat het college van handhaving had moeten afzien. Voor concreet zicht op legalisatie moet immers sprake zijn van een vergunningaanvraag, en ten tijde van het primaire besluit hadden eisers geen legalisatievergunning voor de paardenbak aangevraagd. De rechtbank zal hierna daarom nog beoordelen of andere omstandigheden maakten dat handhavend optreden tegen de paardenbak onevenredig is.
Was handhavend optreden om andere redenen onevenredig?

28. Eisers hebben tot slot aangevoerd dat het college niet in redelijkheid tot handhaving van de paardenbak had mogen overgaan. Eisers hebben groot belang bij behoud van de paardenbak; tegen de paardenbak is ruim 30 jaar niet gehandhaafd; en omwonenden hebben geen enkel probleem met de paardenbak op het perceel van eisers.

29. De rechtbank kan eisers hierin volgen. In dit kader heeft het college enkel gewezen op het algemeen belang dat is gediend bij de handhaving van de paardenbak en zijn beginselplicht tot handhaving. De rechtbank overweegt echter dat de paardenbak in het specifieke geval van eisers al zeer lange tijd (ruim 30 jaar) aanwezig is op het perceel. Al die tijd is daartegen niet handhavend opgetreden, hetgeen volgens eiser ook geldt voor allerlei paardenbakken in de omgeving. Het college voert geen actief handhavingsbeleid ten aanzien van paardenbakken, en op de zitting heeft het college zelfs te kennen gegeven dat hij wil meewerken aan legalisatie als het gebruiks- en bouwovergangsrecht van toepassing blijkt te zijn (hetgeen naar het oordeel van de rechtbank het geval is).

30. Daar komt bij dat het gebruik van de paardenbak door eisers niet is geïntensiveerd. De paardenbak wordt door hen, net als door de vorige eigenaar van het perceel, enkel hobbymatig gebruikt voor hun eigen paarden. De paardenbak is ook niet vergroot. Ook dat kan dus geen argument zijn voor handhaving. Verder geldt dat het perceel bij uitstek geschikt lijkt voor de paardenbak, horende bij de (vergunde) paardenstallen die eveneens al ruim 30 jaar op het perceel staan. Tot slot zouden de gevolgen voor eisers groot zijn als zij de paardenbak zouden moeten verwijderen. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat zij het perceel juist hebben aangekocht omdat zij daarop hun paarden konden houden én trainen. Zonder paardenbak zouden eisers alsnog meerdere keren per week (met hun paarden) moeten uitwijken naar een andere locatie. Ook het feit dat niet is gebleken dat er belangen van derden in het geding zijn die nopen tot handhaving, acht de rechtbank in deze zaak van belang.

31. Deze omstandigheden en belangen zijn door het college ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank maken die echter dat de last ten aanzien van de paardenbak zodanig onevenredig is in verhouding tot het algemeen belang dat daarmee is gediend, dat het college op grond daarvan van handhaving had moeten afzien. De beroepsgrond slaagt.




Conclusie

32. Samengevat, had het college naar het oordeel van de rechtbank de last ten aanzien van het metaalbewerkingsbedrijf moeten herroepen omdat er geen sprake is van een overtreding, en de last ten aanzien van de paardenbak moeten herroepen omdat handhaving daartegen onevenredig is. Het beroep van eisers moet daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet in zoverre worden vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door, doende wat het college had moeten doen, het primaire besluit alsnog te herroepen voor zover dat ziet op het metaalbewerkingsbedrijf en de paardenbak. Deze uitspraak treedt dan ook in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit.





Proceskosten en griffierecht



33. Omdat het beroep gegrond is en het primaire besluit (deels) wordt herroepen, veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten die eisers zowel in beroep als in bezwaar hebben gemaakt. De kosten van eisers voor de beroepsmatige rechtsbijstand van hun gemachtigde stelt de rechtbank vast op € 3.200,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaar en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar met een waarde per punt van € 666,--, en 1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen op de zitting in beroep met een waarde per punt van € 934,--, onder een wegingsfactor 1). De genoemde tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

34. Tot slot moet het college het griffierecht van € 200,-- dat eisers voor hun beroep hebben betaald, aan hen vergoeden.




Beslissing


De rechtbank:


 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de lasten ten aanzien van het metaalbewerkingsbedrijf en de paardenbak van eisers in stand zijn gelaten;
 voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen voor zover dat ziet op het metaalbewerkingsbedrijf en de paardenbak;
 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
 veroordeelt het college in de proceskosten van eisers in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 3.200,--;
 bepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht van € 200,-- aan hen vergoedt.



Deze uitspraak is op 12 augustus 2026 in het openbaar gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier.






griffier rechter



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan diegene de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Ow.


Bijlage bij artikel 1.1 van de Ow.


Artikel 22.1 en 22.2 van de Ow.


Artikel 9.1, aanhef en onder a van de planregels.


Artikel 9.4.1, aanhef en onder b van de planregels.


Artikel 16.1, onder a en onder b, onder 8 van de planregels.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.


Artikel 47, tweede lid en onder b van de Woningwet 1962.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:807.


Artikel 18.1, onder a, onder 1, en onder c van de planregels.


Artikel 18.2 van de planregels.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1262.


Artikel 35, eerste lid en onder a van de planregels.


Artikel 35, derde lid van de planregels.


Artikel 13, tweede lid, aanhef en onder b en c, en derde lid, aanhef en onder f van de planregels.


Artikel 16.1, onder a en onder b, onder 8 van de planregels.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4206.


ECLI:NL:RVS:2019:4439.