Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5807
2026-08-12
Civiel recht
12048198 \ UC EXPL 26-234
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overeenkomst energielevering (warmte). Toewijzing openstaande nota’s. Afwijzing ontbinding overeenkomst omdat niet is voldaan aan de cumulatieve vereisten voortvloeiend uit de Warmteregeling.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.856 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12048198 \ UC EXPL 26-234 RJ/58605
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: R. Visser (AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders Juristen Incassospecialisten),
tegen
[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
1De procedure
1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding van 22 december 2025 met producties 1 tot en met 5;- het verslag (proces-verbaal) van de civiele rolzitting van 14 januari 2026, waarin de mondelinge reactie van de heer [gemachtigde] namens [gedaagde] is vastgelegd;
- de schriftelijke stukken van [gedaagde] , bij de kantonrechter binnengekomen op 11 februari 2026;
- de aanvullende producties 6 en 7 van [eiser] van 18 juni 2026;
- de toelichting op de schriftelijke stukken van [gedaagde] van 23 juni 2026.
1.2
Op 14 juli 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarbij was aan de zijde van [eiser] de heer R. Visser aanwezig. Namens [gedaagde] was de heer [gemachtigde] aanwezig.
1.3
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat het vonnis in deze zaak vandaag wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] is een leverancier van warmte in de zin van de Warmtewet. [eiser] stelt dat zij warmte levert aan [gedaagde] en dat [gedaagde] vanaf 2023 verschillende nota’s niet meer heeft betaald. [eiser] vordert - kortgezegd - betaling van openstaande nota’s van in totaal € 1.668,89 en ontbinding van de overeenkomst. [gedaagde] is het niet eens met de vordering, onder andere omdat zij de verwarming niet gebruikt. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de openstaande nota’s toe, maar wijst de vordering om de overeenkomst te ontbinden af.
3De beoordeling
Tussen [eiser] en [gedaagde] is sprake van een overeenkomst
3.1
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf, [eiser] , en een consument, [gedaagde] . Het is een duurovereenkomst, op grond waarvan [eiser] tegen betaling warmte en/of koude en/of warm tapwater (hierna kortweg: warmte) levert aan [gedaagde] .
3.2
[eiser] beschikt niet over een schriftelijke (door [gedaagde] ingevulde, ondertekende en geretourneerde) overeenkomst, maar dat hoeft ook niet. Dat tussen partijen een overeenkomst bestaat blijkt uit de omstandigheid dat [gedaagde] warmte heeft afgenomen (zie punt 3.10) en daar ook voor heeft betaald. Daardoor heeft [gedaagde] uitvoering gegeven aan de tussen haar en [eiser] bestaande overeenkomst.
Toetsing van de informatieplichten en algemene voorwaarden
3.3
Op deze overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Als die bepalingen niet zijn nageleefd, of als de kantonrechter over onvoldoende informatie beschikt om dat te kunnen beoordelen, moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden.
3.4
De kantonrechter moet onder andere ambtshalve beoordelen of [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst aan de toepasselijke essentiële (pre)contractuele informatieplichten heeft voldaan. De kantonrechter leidt uit de gestelde feiten en omstandigheden af dat sprake is van een overeenkomst op afstand, waarop de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing zijn. De kantonrechter begrijpt dat de [gedaagde] de woning heeft betrokken en warmte is gaan afnemen vóór [eiser] de noodzakelijke informatie kon verstrekken. Aldus moet worden geconstateerd dat wél aan de contractuele informatieplichten is voldaan, maar niet aan de precontractuele informatieplichten.
3.5
Daarmee staat vast dat [eiser] de op haar rustende informatieplichten heeft geschonden, maar de kantonrechter ziet geen aanleiding om aan die schending een sanctie te verbinden. De ratio achter de wettelijke informatieplichten is immers dat een consument geïnformeerd kan beslissen met welke aanbieder en onder welke voorwaarden zij een overeenkomst wenst te sluiten. Hoewel de wetgever warmteleveringsovereenkomsten niet heeft uitgezonderd van de informatieplichten, lijken die informatieplichten voor deze overeenkomsten feitelijk zinledig. Voor warmteleveringsovereenkomsten bestaat immers geen keuzevrijheid met betrekking tot de leverancier. Bovendien worden wettelijk vastgestelde kostendekkende, transparante en niet-discriminerende tarieven gehanteerd, gebaseerd op daadwerkelijk verbruik, waarmee reeds wordt voorzien in de bescherming van consumenten.
3.6
De kantonrechter moet ook ambtshalve toetsen of op de overeenkomst met [gedaagde] algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die onredelijk bezwarend zijn voor een consument (zie artikel 6:233 onder a BW).
3.7
[eiser] heeft bij de dagvaarding algemene voorwaarden gevoegd, maar omdat een schriftelijke (door [gedaagde] ingevulde, ondertekende en geretourneerde) overeenkomst ontbreekt en [eiser] ook niets anders heeft gesteld waaruit blijkt dat, en zo ja hoe, [gedaagde] de gelding van die algemene voorwaarden heeft aanvaard, kan de kantonrechter niet vaststellen dat de overgelegde voorwaarden daadwerkelijk van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomst (zie artikel 6:231 onder c BW). De vorderingen van [eiser] kunnen daardoor niet op die voorwaarden worden gebaseerd.
3.8
Dat heeft geen consequenties voor de gevorderde veroordeling tot betaling van de ontstane betalingsachterstand. Dat moet worden betaald voor de geleverde warmte volgt namelijk rechtstreeks uit de overeenkomst (niet uit de algemene voorwaarden).
[gedaagde] moet het openstaande bedrag van € 1.668,89 aan [eiser] betalen
3.9
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] de openstaande nota’s van in totaal € 1.668,89 aan [eiser] moet betalen en legt dat hierna uit.
3.10
Het eerste verweer van [gedaagde] , dat de nota’s niet kloppen omdat zij de ruimteverwarming niet gebruikt, slaagt niet. [eiser] heeft namelijk uitgelegd dat het bedrag voor “ruimteverwarming” op de jaarnota’s niet alleen ziet op verwarming van de ruimte, maar ook op gebruik van warm tapwater. De heer [gemachtigde] heeft tijdens de mondelinge behandeling vervolgens bevestigd dat [gedaagde] wel warm tapwater gebruikt. Het argument dat [gedaagde] de nota’s niet hoeft te betalen omdat zij de ruimteverwarming niet gebruikt houdt daarom geen stand.
3.11
Het tweede verweer van [gedaagde] , dat er mogelijk sprake is van sluipverbruik waardoor het gemeten verbruik niet klopt, slaagt evenmin. Partijen zijn het er over eens dat de installatie bestaat uit twee delen, één deel dat eigendom is van [eiser] en één deel dat eigendom is van de verhuurder, Portaal. Op enig moment is er een monteur langs geweest die heeft geconstateerd dat er geen defect is in de installatie van [eiser] en dat er in dat deel van de installatie geen sprake is van sluipverbruik. De monteur kon echter de installatie van Portaal niet controleren, omdat daar een ombouw omheen zit. [gedaagde] vindt dat [eiser] en Portaal met elkaar moeten regelen dat de installatie van Portaal gecontroleerd kan worden, maar de kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet. Of er een defect in de installatie van de verhuurder zit, is niet een kwestie waar [eiser] verantwoordelijk is, maar dit is een kwestie tussen huurder en verhuurder, dus tussen [gedaagde] en Portaal. Als [gedaagde] denkt dat er een defect in de installatie van Portaal zit, dan moet zij hiervoor bij Portaal zijn. [eiser] is alleen verantwoordelijk voor het meten wat er aan warmte aan het appartement van [gedaagde] geleverd wordt. De kantonrechter maakt hierbij de vergelijking met een lekkende kraan. Als een huurder last heeft van een lekkende kraan dan moet zij hier ook de verhuurder op aanspreken en niet de waterleverancier.
3.12
Tot slot zijn volgens [gedaagde] de gefactureerde voorschotten niet correct, omdat die door [eiser] zijn verhoogd zonder dat zij het daar mee eens was. De kantonrechter vindt inderdaad terug in de mailwisseling dat [eiser] een paar keer het termijnbedrag heeft verhoogd en na klachten van [gedaagde] weer heeft verlaagd, maar dat maakt niet dat [gedaagde] het nu openstaande bedrag niet hoeft te betalen. Dat is immers gebaseerd op het daadwerkelijk verbruik dat is vastgesteld in de jaarnota’s van 2022, 2023 en 2024. Als [gedaagde] een te hoog bedrag aan voorschotten zou hebben betaald, is dat verrekend op de jaarnota’s. Verder heeft [gedaagde] niet inzichtelijk heeft gemaakt hoeveel zij in 2025 teveel zou hebben betaald, zodat de kantonrechter daarmee geen rekening kan houden. Bovendien zal dit in de jaarnota 2025 ook weer verrekend worden.
3.13
Omdat het verweer van [gedaagde] niet slaagt, wordt de vordering tot betaling van het openstaande bedrag van € 1.668,89 toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen vanaf de dagvaarding
3.14
[eiser] vordert wettelijke rente. De wettelijke rente bedraagt volgens [eiser] tot 17 december 2025 € 178,92. De kantonrechter volgt de berekening van [eiser] niet en wijst de wettelijke rente toe vanaf de datum van dagvaarding. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.15
Omdat [gedaagde] de hoofdsom nog moet betalen, moet zij daarover ook wettelijke rente betalen. Die rente is namelijk een vergoeding voor de vertraging in de betaling. Maar de berekening van [eiser] van de wettelijke rente klopt niet. [gedaagde] heeft zich op enig moment op opschorting van de jaarrekening van 2022 beroepen, waar [eiser] kennelijk tot 11 juni 2024 geen probleem mee had. Dat maakt dat over de jaarrekening van 2022 enige tijd geen wettelijke rente berekend mocht worden. [eiser] heeft deze omstandigheid niet meegenomen in haar berekening van de wettelijke rente en de kantonrechter kan niet vaststellen vanaf wanneer de wettelijke rente over welk bedrag verschuldigd is. Daarom wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, 22 december 2025.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.16
[eiser] maakt ook aanspraak op de vergoeding van € 250,33 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding van € 250,33 zal daarom worden afgewezen.
De ontbinding en de daarmee samenhangende vorderingen worden afgewezen
3.17
[eiser] vordert verder, kort gezegd, de ontbinding van de overeenkomst en toestemming om werkzaamheden te verrichten om de aansluiting van [gedaagde] op het warmtenet af te sluiten. De betalingsachterstand is zo groot dat op zich niet van [eiser] kan worden gevergd dat zij warmte moet blijven leveren aan [gedaagde] . Maar in artikel 5 van de toepasselijke Warmteregeling is bepaald dat de levering niet wordt beëindigd wegens wanbetaling, tenzij aan een aantal in dit artikel genoemde eisen is voldaan. Er is weliswaar veel contact geweest met [gedaagde] , maar gesteld noch gebleken is dat [eiser] aan alle genoemde eisen heeft voldaan. Zo heeft [eiser] niet met stukken onderbouwd dat zij [gedaagde] er op heeft gewezen dat zij zal worden afgesloten als zij niet betaalt en ook niet dat [eiser] aan [gedaagde] een redelijke en passende betalingsregeling heeft aangeboden. Omdat [eiser] niet aan de voorwaarden heeft voldaan, worden deze vorderingen dus afgewezen.
De vordering tot betaling van de toekomstige voorschotten wordt afgewezen
3.18
[eiser] wil dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van de toekomstige opeenvolgende maandvoorschotten van € 71,18 per maand, vanaf 1 september 2025 tot aan de dag van afsluiting van de geleverde energie. Deze vordering wordt afgewezen, omdat [eiser] deze vordering niet heeft toegelicht. Bovendien blijkt uit de specificatie van de achterstand per 30 april 2026 dat [gedaagde] wel degelijk voorschotbedragen betaalt.[gedaagde] betaalt weliswaar niet het verhoogde voorschot zoals gewenst door [eiser] , maar kennelijk is het aan [gedaagde] om te bepalen of zij een verhoogd voorschot wil betalen (zie 3.12). Dat het onverstandig is om een te laag voorschot te betalen, maakt dat niet anders.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.19
[gedaagde] wordt, hoewel een deel van de vorderingen wordt afgewezen, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. Dit betekent dat zij haar eigen proceskosten moet dragen en die van [eiser] aan haar moet betalen. Maar omdat een gedeelte van de vordering wordt afgewezen dient het griffierecht voor zover dit een bedrag van € 385,00 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van [eiser] te blijven. Ook het salaris van de gemachtigde wordt afgestemd op de vordering zoals deze toewijsbaar is gebleken. Verder heeft [eiser] in de dagvaarding gesteld dat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering, maar bleek bij de conclusie van antwoord dat er wel degelijk verweer is gevoerd en er veelvuldig mailcontact is geweest tussen [eiser] en de gemachtigde van [gedaagde] . Door het onjuist voorlichten in de dagvaarding heeft [eiser] de waarheidsplicht uit artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geschonden. Die bepaling houdt in dat partijen alle feiten die van belang zijn voor de beslissing volledig en naar waarheid moeten aanvoeren. Doen zij dit niet, dan mag de kantonrechter daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht. De kantonrechter vindt het in dit geval passend om één punt voor het salaris van de gemachtigde toe te kennen in plaats van twee. Gelet op het voorgaande worden de proceskosten van [eiser] daarom begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
385,00
- salaris gemachtigde
€
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
831,28
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.20
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.668,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 831,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
Zie de e-mail van [eiser] van 11 juni 2024 bij de schriftelijke stukken van [gedaagde] .
Zie productie 6 van [eiser] .
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12048198 \ UC EXPL 26-234 RJ/58605
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: R. Visser (AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders Juristen Incassospecialisten),
tegen
[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
1De procedure
1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding van 22 december 2025 met producties 1 tot en met 5;- het verslag (proces-verbaal) van de civiele rolzitting van 14 januari 2026, waarin de mondelinge reactie van de heer [gemachtigde] namens [gedaagde] is vastgelegd;
- de schriftelijke stukken van [gedaagde] , bij de kantonrechter binnengekomen op 11 februari 2026;
- de aanvullende producties 6 en 7 van [eiser] van 18 juni 2026;
- de toelichting op de schriftelijke stukken van [gedaagde] van 23 juni 2026.
1.2
Op 14 juli 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarbij was aan de zijde van [eiser] de heer R. Visser aanwezig. Namens [gedaagde] was de heer [gemachtigde] aanwezig.
1.3
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat het vonnis in deze zaak vandaag wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] is een leverancier van warmte in de zin van de Warmtewet. [eiser] stelt dat zij warmte levert aan [gedaagde] en dat [gedaagde] vanaf 2023 verschillende nota’s niet meer heeft betaald. [eiser] vordert - kortgezegd - betaling van openstaande nota’s van in totaal € 1.668,89 en ontbinding van de overeenkomst. [gedaagde] is het niet eens met de vordering, onder andere omdat zij de verwarming niet gebruikt. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de openstaande nota’s toe, maar wijst de vordering om de overeenkomst te ontbinden af.
3De beoordeling
Tussen [eiser] en [gedaagde] is sprake van een overeenkomst
3.1
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf, [eiser] , en een consument, [gedaagde] . Het is een duurovereenkomst, op grond waarvan [eiser] tegen betaling warmte en/of koude en/of warm tapwater (hierna kortweg: warmte) levert aan [gedaagde] .
3.2
[eiser] beschikt niet over een schriftelijke (door [gedaagde] ingevulde, ondertekende en geretourneerde) overeenkomst, maar dat hoeft ook niet. Dat tussen partijen een overeenkomst bestaat blijkt uit de omstandigheid dat [gedaagde] warmte heeft afgenomen (zie punt 3.10) en daar ook voor heeft betaald. Daardoor heeft [gedaagde] uitvoering gegeven aan de tussen haar en [eiser] bestaande overeenkomst.
Toetsing van de informatieplichten en algemene voorwaarden
3.3
Op deze overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Als die bepalingen niet zijn nageleefd, of als de kantonrechter over onvoldoende informatie beschikt om dat te kunnen beoordelen, moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden.
3.4
De kantonrechter moet onder andere ambtshalve beoordelen of [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst aan de toepasselijke essentiële (pre)contractuele informatieplichten heeft voldaan. De kantonrechter leidt uit de gestelde feiten en omstandigheden af dat sprake is van een overeenkomst op afstand, waarop de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing zijn. De kantonrechter begrijpt dat de [gedaagde] de woning heeft betrokken en warmte is gaan afnemen vóór [eiser] de noodzakelijke informatie kon verstrekken. Aldus moet worden geconstateerd dat wél aan de contractuele informatieplichten is voldaan, maar niet aan de precontractuele informatieplichten.
3.5
Daarmee staat vast dat [eiser] de op haar rustende informatieplichten heeft geschonden, maar de kantonrechter ziet geen aanleiding om aan die schending een sanctie te verbinden. De ratio achter de wettelijke informatieplichten is immers dat een consument geïnformeerd kan beslissen met welke aanbieder en onder welke voorwaarden zij een overeenkomst wenst te sluiten. Hoewel de wetgever warmteleveringsovereenkomsten niet heeft uitgezonderd van de informatieplichten, lijken die informatieplichten voor deze overeenkomsten feitelijk zinledig. Voor warmteleveringsovereenkomsten bestaat immers geen keuzevrijheid met betrekking tot de leverancier. Bovendien worden wettelijk vastgestelde kostendekkende, transparante en niet-discriminerende tarieven gehanteerd, gebaseerd op daadwerkelijk verbruik, waarmee reeds wordt voorzien in de bescherming van consumenten.
3.6
De kantonrechter moet ook ambtshalve toetsen of op de overeenkomst met [gedaagde] algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die onredelijk bezwarend zijn voor een consument (zie artikel 6:233 onder a BW).
3.7
[eiser] heeft bij de dagvaarding algemene voorwaarden gevoegd, maar omdat een schriftelijke (door [gedaagde] ingevulde, ondertekende en geretourneerde) overeenkomst ontbreekt en [eiser] ook niets anders heeft gesteld waaruit blijkt dat, en zo ja hoe, [gedaagde] de gelding van die algemene voorwaarden heeft aanvaard, kan de kantonrechter niet vaststellen dat de overgelegde voorwaarden daadwerkelijk van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomst (zie artikel 6:231 onder c BW). De vorderingen van [eiser] kunnen daardoor niet op die voorwaarden worden gebaseerd.
3.8
Dat heeft geen consequenties voor de gevorderde veroordeling tot betaling van de ontstane betalingsachterstand. Dat moet worden betaald voor de geleverde warmte volgt namelijk rechtstreeks uit de overeenkomst (niet uit de algemene voorwaarden).
[gedaagde] moet het openstaande bedrag van € 1.668,89 aan [eiser] betalen
3.9
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] de openstaande nota’s van in totaal € 1.668,89 aan [eiser] moet betalen en legt dat hierna uit.
3.10
Het eerste verweer van [gedaagde] , dat de nota’s niet kloppen omdat zij de ruimteverwarming niet gebruikt, slaagt niet. [eiser] heeft namelijk uitgelegd dat het bedrag voor “ruimteverwarming” op de jaarnota’s niet alleen ziet op verwarming van de ruimte, maar ook op gebruik van warm tapwater. De heer [gemachtigde] heeft tijdens de mondelinge behandeling vervolgens bevestigd dat [gedaagde] wel warm tapwater gebruikt. Het argument dat [gedaagde] de nota’s niet hoeft te betalen omdat zij de ruimteverwarming niet gebruikt houdt daarom geen stand.
3.11
Het tweede verweer van [gedaagde] , dat er mogelijk sprake is van sluipverbruik waardoor het gemeten verbruik niet klopt, slaagt evenmin. Partijen zijn het er over eens dat de installatie bestaat uit twee delen, één deel dat eigendom is van [eiser] en één deel dat eigendom is van de verhuurder, Portaal. Op enig moment is er een monteur langs geweest die heeft geconstateerd dat er geen defect is in de installatie van [eiser] en dat er in dat deel van de installatie geen sprake is van sluipverbruik. De monteur kon echter de installatie van Portaal niet controleren, omdat daar een ombouw omheen zit. [gedaagde] vindt dat [eiser] en Portaal met elkaar moeten regelen dat de installatie van Portaal gecontroleerd kan worden, maar de kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet. Of er een defect in de installatie van de verhuurder zit, is niet een kwestie waar [eiser] verantwoordelijk is, maar dit is een kwestie tussen huurder en verhuurder, dus tussen [gedaagde] en Portaal. Als [gedaagde] denkt dat er een defect in de installatie van Portaal zit, dan moet zij hiervoor bij Portaal zijn. [eiser] is alleen verantwoordelijk voor het meten wat er aan warmte aan het appartement van [gedaagde] geleverd wordt. De kantonrechter maakt hierbij de vergelijking met een lekkende kraan. Als een huurder last heeft van een lekkende kraan dan moet zij hier ook de verhuurder op aanspreken en niet de waterleverancier.
3.12
Tot slot zijn volgens [gedaagde] de gefactureerde voorschotten niet correct, omdat die door [eiser] zijn verhoogd zonder dat zij het daar mee eens was. De kantonrechter vindt inderdaad terug in de mailwisseling dat [eiser] een paar keer het termijnbedrag heeft verhoogd en na klachten van [gedaagde] weer heeft verlaagd, maar dat maakt niet dat [gedaagde] het nu openstaande bedrag niet hoeft te betalen. Dat is immers gebaseerd op het daadwerkelijk verbruik dat is vastgesteld in de jaarnota’s van 2022, 2023 en 2024. Als [gedaagde] een te hoog bedrag aan voorschotten zou hebben betaald, is dat verrekend op de jaarnota’s. Verder heeft [gedaagde] niet inzichtelijk heeft gemaakt hoeveel zij in 2025 teveel zou hebben betaald, zodat de kantonrechter daarmee geen rekening kan houden. Bovendien zal dit in de jaarnota 2025 ook weer verrekend worden.
3.13
Omdat het verweer van [gedaagde] niet slaagt, wordt de vordering tot betaling van het openstaande bedrag van € 1.668,89 toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen vanaf de dagvaarding
3.14
[eiser] vordert wettelijke rente. De wettelijke rente bedraagt volgens [eiser] tot 17 december 2025 € 178,92. De kantonrechter volgt de berekening van [eiser] niet en wijst de wettelijke rente toe vanaf de datum van dagvaarding. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.15
Omdat [gedaagde] de hoofdsom nog moet betalen, moet zij daarover ook wettelijke rente betalen. Die rente is namelijk een vergoeding voor de vertraging in de betaling. Maar de berekening van [eiser] van de wettelijke rente klopt niet. [gedaagde] heeft zich op enig moment op opschorting van de jaarrekening van 2022 beroepen, waar [eiser] kennelijk tot 11 juni 2024 geen probleem mee had. Dat maakt dat over de jaarrekening van 2022 enige tijd geen wettelijke rente berekend mocht worden. [eiser] heeft deze omstandigheid niet meegenomen in haar berekening van de wettelijke rente en de kantonrechter kan niet vaststellen vanaf wanneer de wettelijke rente over welk bedrag verschuldigd is. Daarom wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, 22 december 2025.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.16
[eiser] maakt ook aanspraak op de vergoeding van € 250,33 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding van € 250,33 zal daarom worden afgewezen.
De ontbinding en de daarmee samenhangende vorderingen worden afgewezen
3.17
[eiser] vordert verder, kort gezegd, de ontbinding van de overeenkomst en toestemming om werkzaamheden te verrichten om de aansluiting van [gedaagde] op het warmtenet af te sluiten. De betalingsachterstand is zo groot dat op zich niet van [eiser] kan worden gevergd dat zij warmte moet blijven leveren aan [gedaagde] . Maar in artikel 5 van de toepasselijke Warmteregeling is bepaald dat de levering niet wordt beëindigd wegens wanbetaling, tenzij aan een aantal in dit artikel genoemde eisen is voldaan. Er is weliswaar veel contact geweest met [gedaagde] , maar gesteld noch gebleken is dat [eiser] aan alle genoemde eisen heeft voldaan. Zo heeft [eiser] niet met stukken onderbouwd dat zij [gedaagde] er op heeft gewezen dat zij zal worden afgesloten als zij niet betaalt en ook niet dat [eiser] aan [gedaagde] een redelijke en passende betalingsregeling heeft aangeboden. Omdat [eiser] niet aan de voorwaarden heeft voldaan, worden deze vorderingen dus afgewezen.
De vordering tot betaling van de toekomstige voorschotten wordt afgewezen
3.18
[eiser] wil dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van de toekomstige opeenvolgende maandvoorschotten van € 71,18 per maand, vanaf 1 september 2025 tot aan de dag van afsluiting van de geleverde energie. Deze vordering wordt afgewezen, omdat [eiser] deze vordering niet heeft toegelicht. Bovendien blijkt uit de specificatie van de achterstand per 30 april 2026 dat [gedaagde] wel degelijk voorschotbedragen betaalt.[gedaagde] betaalt weliswaar niet het verhoogde voorschot zoals gewenst door [eiser] , maar kennelijk is het aan [gedaagde] om te bepalen of zij een verhoogd voorschot wil betalen (zie 3.12). Dat het onverstandig is om een te laag voorschot te betalen, maakt dat niet anders.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.19
[gedaagde] wordt, hoewel een deel van de vorderingen wordt afgewezen, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. Dit betekent dat zij haar eigen proceskosten moet dragen en die van [eiser] aan haar moet betalen. Maar omdat een gedeelte van de vordering wordt afgewezen dient het griffierecht voor zover dit een bedrag van € 385,00 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van [eiser] te blijven. Ook het salaris van de gemachtigde wordt afgestemd op de vordering zoals deze toewijsbaar is gebleken. Verder heeft [eiser] in de dagvaarding gesteld dat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering, maar bleek bij de conclusie van antwoord dat er wel degelijk verweer is gevoerd en er veelvuldig mailcontact is geweest tussen [eiser] en de gemachtigde van [gedaagde] . Door het onjuist voorlichten in de dagvaarding heeft [eiser] de waarheidsplicht uit artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geschonden. Die bepaling houdt in dat partijen alle feiten die van belang zijn voor de beslissing volledig en naar waarheid moeten aanvoeren. Doen zij dit niet, dan mag de kantonrechter daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht. De kantonrechter vindt het in dit geval passend om één punt voor het salaris van de gemachtigde toe te kennen in plaats van twee. Gelet op het voorgaande worden de proceskosten van [eiser] daarom begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
385,00
- salaris gemachtigde
€
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
831,28
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.20
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.668,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 831,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
Zie de e-mail van [eiser] van 11 juni 2024 bij de schriftelijke stukken van [gedaagde] .
Zie productie 6 van [eiser] .