Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5805
2026-08-12
Civiel recht
11917729 \ UC EXPL 25-7936
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deels verstek, deels tegenspraak. Voormalig vennoten vof hebben een deel van de kredietsom niet terugbetaald aan ING. Beiden worden (hoofdelijk) veroordeeld om dit alsnog te doen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.528 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11917729 \ UC EXPL 25-7936
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
ING BANK N.V.,
gevestigd in Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ING,
gemachtigde: mr. M. Zieltjens,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
procederend in persoon,
2 [gedaagde sub 2] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] .
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 oktober 2025,- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] van 9 december 2025.
1.2
Op 15 juli 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was namens ING haar gemachtigde, mr. M. Zieltjens, aanwezig. [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] waren niet aanwezig. Mr. Zieltjens heeft de vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
Ten slotte heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1
[gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] zijn in naam van hun inmiddels opgeheven vennootschap onder firma [bedrijf] een kredietovereenkomst aangegaan met ING. Het krediet dat zij konden opnemen was in eerste instantie maximaal € 10.000,00, maar werd maandelijks verlaagd met € 175,00. Omdat [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] langere tijd de kredietlimiet hebben overschreden en er niet of nauwelijks meer omzet binnenkwam op de rekening, heeft ING de kredietovereenkomst opgezegd. Zij vordert in deze procedure betaling van de openstaande kredietsom, € 7.247,26, vermeerderd met de wettelijke rente van [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] heeft op de vorderingen van ING gereageerd. Hij betwist het bestaan en de hoogte van de vordering niet, maar zegt dat de vordering mogelijk verjaard is. De kantonrechter oordeelt dat een klein deel van de door ING gevorderde wettelijke rente inderdaad verjaard is. De rest van de vordering moet [gedaagde sub 1] betalen. [gedaagde sub 2] is niet verschenen in de procedure. De kantonrechter heeft daarom verstek tegen haar verleend en wijst de gehele vordering van ING ten aanzien van haar toe.
3De beoordeling
Toetsingskader
3.1
De kantonrechter zal in dit vonnis de vordering van ING op [gedaagde sub 1] en de vordering ING op [gedaagde sub 2] los van elkaar behandelen. Voor beide gedaagden geldt namelijk een ander toetsingskader, omdat zij niet allebei hebben gereageerd op de dagvaarding van ING.
3.2
Hierna wordt eerst de vordering van ING op [gedaagde sub 1] beoordeeld en dan de vordering van ING op [gedaagde sub 2] .
De vorderingen op [gedaagde sub 1] worden grotendeels toegewezen
3.3
[gedaagde sub 1] heeft met een brief gereageerd op de vorderingen van ING en is daarmee ‘verschenen’ in deze procedure. Bij de beoordeling van de vorderingen van ING moeten ook de standpunten van ING worden beoordeeld.
[gedaagde sub 1] moet de hoofdsom aan ING betalen
3.4
De vordering van ING is opgedeeld in twee delen: de hoofdsom van € 7.247,26 en de wettelijke rente over deze hoofdsom. De hoofdsom is het bedrag dat [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] wel als krediet hebben opgenomen, maar niet aan ING hebben terugbetaald.
3.5
De kantonrechter oordeelt dat de vordering van ING wat betreft de hoofdsom geheel kan worden toegewezen. [gedaagde sub 1] heeft namelijk erkend dat hij dit deel van de kredietsom nog niet aan ING heeft terugbetaald en dat hij dit in beginsel wel had moeten doen. Het enige verweer dat [gedaagde sub 1] tegen de hoofdsom heeft ingebracht, is dat de vordering mogelijk verjaard is. Dit verweer slaagt niet. Weliswaar klopt het dat de vordering van ING al lange tijd opeisbaar is. ING heeft namelijk in de brief van 15 mei 2018 de kredietovereenkomst al opgezegd. Vanaf dat moment kon ING het gehele resterende bedrag van de kredietsom in één keer bij [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] opeisen en is de verjaringstermijn gaan lopen. De verjaringstermijn voor een vordering als deze is op grond van de wet vijf jaar. Maar, de verjaring kan door ING gestuit worden, wanneer zij een schriftelijke aanmaning of mededeling stuurt waaruit blijkt dat ING nog steeds wil dat [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] het verschuldigde bedrag aan haar betalen.ING heeft in de periode tussen 2018 en de dagvaarding in 2025 meerdere brieven gestuurd die hieraan voldoen. Ook hebben ING en [gedaagde sub 1] meermaals e-mailcontact gehad over de vordering en of/hoe [gedaagde sub 1] deze zou gaan betalen. Dat maakt dat de vordering niet is verjaard en nog steeds opeisbaar is voor ING. Aangezien [gedaagde sub 1] verder niets tegen de vordering heeft ingebracht, zal hij de hoofdsom van € 7.247,26 aan ING moeten betalen
[gedaagde sub 1] moet een deel van de gevorderde wettelijke rente aan ING betalen
3.6
Het tweede deel van de vordering van ING is de wettelijke rente over de hiervoor genoemde hoofdsom.ING heeft tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat zij de wettelijke rente vordert vanaf het moment dat haar incassogemachtigde Vesting Finance voor het eerst een sommatiebrief aan [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] heeft verstuurd. Dit is op 11 december 2019 geweest. Ook voor de wettelijke rente heeft [gedaagde sub 1] gesteld dat de vordering mogelijk verjaard is. In dit geval slaagt het verweer van [gedaagde sub 1] deels. Voor wettelijke rente gelden namelijk andere regels ten aanzien van de verjaring. Uit de wet volgt dat een vordering tot betaling van de wettelijke rente na vijf jaar verjaart en dat de verjaring, net als bij de hoofdsom, gestuit kan worden door een aanmaning. Maar, bij een vordering tot betaling van de wettelijke rente heeft de aanmaning alleen stuitende werking als er binnen zes maanden een eis bij de rechtbank wordt ingesteld waarin betaling wordt gevorderd.ING heeft [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] op 6 oktober 2025 gedagvaard. Dat betekent dat alleen een aanmaningsbrief die binnen zes maanden voor die datum is verzonden stuitende werking heeft gehad. Er geldt dus voor een aanmaning van 6 april 2025 of later. De eerste aanmaning van na 6 april 2025 is de brief van ING van 19 juni 2025. Die brief heeft stuitende werking voor de vorderingen waarvan de verjaring maximaal vijf jaar eerder is gaan lopen, dus voor vorderingen die op of na 20 juni 2020 zijn ontstaan. De wettelijke rente die ING vordert vóór deze datum, is verjaard. De wettelijke rente vanaf 20 juni 2020 wordt toegewezen.
De kantonrechter kan geen rekening houden met de financiële situatie van [gedaagde sub 1] en kan partijen geen betalingsregeling opleggen
3.7
In zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde sub 1] nog gevraagd aan de kantonrechter om in de beoordeling rekening te houden met zijn financiële situatie en schulden. De kantonrechter kan dit niet doen. [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] zijn een overeenkomst aangegaan met ING en ING heeft het recht om nakoming van zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] te vorderen. De kantonrechter kan de vordering ten aanzien van [gedaagde sub 1] niet afwijzen, alleen omdat [gedaagde sub 1] stelt onvoldoende middelen te hebben om de vordering te voldoen.
3.8
Ook het verzoek van [gedaagde sub 1] aan de kantonrechter om te bezien of een minnelijke regeling mogelijk is en om te erkennen dat een reguliere betalingsregeling niet haalbaar is, volgt de kantonrechter niet. Nog afgezien van het feit dat [gedaagde sub 1] onvoldoende financiële gegevens heeft verstrekt om iets te kunnen zeggen over de haalbaarheid van een regeling, ligt het niet op de weg van de kantonrechter om een minnelijke regeling aan partijen op te leggen. Een betalingsregeling is een overeenkomst die alleen kan worden gesloten wanneer beide partijen hier achter staan. De kantonrechter kan ING niet dwingen om (nogmaals) een betalingsregeling met [gedaagde sub 1] aan te gaan.
De vorderingen op [gedaagde sub 2] worden geheel toegewezen
3.9
[gedaagde sub 2] is niet verschenen. Zij heeft niet gereageerd op de dagvaarding. [gedaagde sub 1] heeft niet verklaard dat hij ook namens haar heeft gereageerd en er is ook geen machtiging is overgelegd waaruit kan blijken dat [gedaagde sub 1] ook namens [gedaagde sub 2] op de dagvaarding heeft gereageerd. De standpunten die [gedaagde sub 1] heeft genoemd in zijn conclusie van antwoord, wegen daarom niet mee bij de vorderingen van ING op [gedaagde sub 2] . De kantonrechter heeft verstek verleend tegen [gedaagde sub 2] . Dit betekent dat de vorderingen tegen haar worden toegewezen, tenzij de kantonrechter vindt dat deze in strijd zijn met de wet of een geldige reden ervoor ontbreekt.
ING heeft haar vorderingen tegen [gedaagde sub 2] voldoende onderbouwd en niet zonder geldige reden ingesteld. De vorderingen zijn ook niet in strijd met de wet. De kantonrechter zal daarom de vorderingen van ING ten aanzien van [gedaagde sub 2] toewijzen. Dat betekent dat [gedaagde sub 2] de hoofdsom van € 7.247,26 en de wettelijke rente vanaf 11 december 2019 aan ING moet betalen.
De veroordelingen worden deels hoofdelijk uitgesproken
3.10
[gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] worden beiden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 7.247,26 en de wettelijke rente vanaf 20 juni 2020. Voor dit gedeelte geldt dat de veroordeling hoofdelijk wordt uitgesproken, zoals ING dat ook gevorderd heeft. Dit betekent dat zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3.11
De vordering tot betaling van de wettelijke rente vanaf 11 december 2019 tot 20 juni 2020 wordt toegewezen ten aanzien van [gedaagde sub 2] en afgewezen ten aanzien van [gedaagde sub 1] . Deze veroordeling kan daarom niet hoofdelijk worden uitgesproken.
[gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten van ING betalen
3.12
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde sub 1] wel is verschenen en [gedaagde sub 2] niet, moeten de proceskosten worden verdeeld.
De proceskosten van ING die [gedaagde sub 1] moet betalen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
271,50
(de helft van het gezamenlijke griffierecht)
- salaris gemachtigde
€
540,00
(2 punten × € 360,00 - € 180,00 die [gedaagde sub 2] moet betalen)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.028,95
De proceskosten van ING die [gedaagde sub 2] moet betalen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
271,50
(de helft van het gezamenlijke griffierecht)
- salaris gemachtigde
€
180,00
(0,5 punten × € 360,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
668,95
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.13
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door ING. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan ING te betalen een bedrag van € 7.247,26, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 juni 2020, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan ING te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 7.247,26, met ingang van 11 december 2019 tot 20 juni 2020,
4.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 1.028,95, te betalen aan ING binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 668,95, te betalen aan ING binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
62938
Zie artikel 21 van de algemene voorwaarden bij de kredietovereenkomst (productie 2 bij dagvaarding).
Artikel 3:307 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 3:317 lid 1 BW.
De wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW.
Artikel 3:317 lid 2 BW.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11917729 \ UC EXPL 25-7936
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
ING BANK N.V.,
gevestigd in Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ING,
gemachtigde: mr. M. Zieltjens,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
procederend in persoon,
2 [gedaagde sub 2] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] .
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 oktober 2025,- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] van 9 december 2025.
1.2
Op 15 juli 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was namens ING haar gemachtigde, mr. M. Zieltjens, aanwezig. [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] waren niet aanwezig. Mr. Zieltjens heeft de vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
Ten slotte heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1
[gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] zijn in naam van hun inmiddels opgeheven vennootschap onder firma [bedrijf] een kredietovereenkomst aangegaan met ING. Het krediet dat zij konden opnemen was in eerste instantie maximaal € 10.000,00, maar werd maandelijks verlaagd met € 175,00. Omdat [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] langere tijd de kredietlimiet hebben overschreden en er niet of nauwelijks meer omzet binnenkwam op de rekening, heeft ING de kredietovereenkomst opgezegd. Zij vordert in deze procedure betaling van de openstaande kredietsom, € 7.247,26, vermeerderd met de wettelijke rente van [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] heeft op de vorderingen van ING gereageerd. Hij betwist het bestaan en de hoogte van de vordering niet, maar zegt dat de vordering mogelijk verjaard is. De kantonrechter oordeelt dat een klein deel van de door ING gevorderde wettelijke rente inderdaad verjaard is. De rest van de vordering moet [gedaagde sub 1] betalen. [gedaagde sub 2] is niet verschenen in de procedure. De kantonrechter heeft daarom verstek tegen haar verleend en wijst de gehele vordering van ING ten aanzien van haar toe.
3De beoordeling
Toetsingskader
3.1
De kantonrechter zal in dit vonnis de vordering van ING op [gedaagde sub 1] en de vordering ING op [gedaagde sub 2] los van elkaar behandelen. Voor beide gedaagden geldt namelijk een ander toetsingskader, omdat zij niet allebei hebben gereageerd op de dagvaarding van ING.
3.2
Hierna wordt eerst de vordering van ING op [gedaagde sub 1] beoordeeld en dan de vordering van ING op [gedaagde sub 2] .
De vorderingen op [gedaagde sub 1] worden grotendeels toegewezen
3.3
[gedaagde sub 1] heeft met een brief gereageerd op de vorderingen van ING en is daarmee ‘verschenen’ in deze procedure. Bij de beoordeling van de vorderingen van ING moeten ook de standpunten van ING worden beoordeeld.
[gedaagde sub 1] moet de hoofdsom aan ING betalen
3.4
De vordering van ING is opgedeeld in twee delen: de hoofdsom van € 7.247,26 en de wettelijke rente over deze hoofdsom. De hoofdsom is het bedrag dat [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] wel als krediet hebben opgenomen, maar niet aan ING hebben terugbetaald.
3.5
De kantonrechter oordeelt dat de vordering van ING wat betreft de hoofdsom geheel kan worden toegewezen. [gedaagde sub 1] heeft namelijk erkend dat hij dit deel van de kredietsom nog niet aan ING heeft terugbetaald en dat hij dit in beginsel wel had moeten doen. Het enige verweer dat [gedaagde sub 1] tegen de hoofdsom heeft ingebracht, is dat de vordering mogelijk verjaard is. Dit verweer slaagt niet. Weliswaar klopt het dat de vordering van ING al lange tijd opeisbaar is. ING heeft namelijk in de brief van 15 mei 2018 de kredietovereenkomst al opgezegd. Vanaf dat moment kon ING het gehele resterende bedrag van de kredietsom in één keer bij [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] opeisen en is de verjaringstermijn gaan lopen. De verjaringstermijn voor een vordering als deze is op grond van de wet vijf jaar. Maar, de verjaring kan door ING gestuit worden, wanneer zij een schriftelijke aanmaning of mededeling stuurt waaruit blijkt dat ING nog steeds wil dat [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] het verschuldigde bedrag aan haar betalen.ING heeft in de periode tussen 2018 en de dagvaarding in 2025 meerdere brieven gestuurd die hieraan voldoen. Ook hebben ING en [gedaagde sub 1] meermaals e-mailcontact gehad over de vordering en of/hoe [gedaagde sub 1] deze zou gaan betalen. Dat maakt dat de vordering niet is verjaard en nog steeds opeisbaar is voor ING. Aangezien [gedaagde sub 1] verder niets tegen de vordering heeft ingebracht, zal hij de hoofdsom van € 7.247,26 aan ING moeten betalen
[gedaagde sub 1] moet een deel van de gevorderde wettelijke rente aan ING betalen
3.6
Het tweede deel van de vordering van ING is de wettelijke rente over de hiervoor genoemde hoofdsom.ING heeft tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat zij de wettelijke rente vordert vanaf het moment dat haar incassogemachtigde Vesting Finance voor het eerst een sommatiebrief aan [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] heeft verstuurd. Dit is op 11 december 2019 geweest. Ook voor de wettelijke rente heeft [gedaagde sub 1] gesteld dat de vordering mogelijk verjaard is. In dit geval slaagt het verweer van [gedaagde sub 1] deels. Voor wettelijke rente gelden namelijk andere regels ten aanzien van de verjaring. Uit de wet volgt dat een vordering tot betaling van de wettelijke rente na vijf jaar verjaart en dat de verjaring, net als bij de hoofdsom, gestuit kan worden door een aanmaning. Maar, bij een vordering tot betaling van de wettelijke rente heeft de aanmaning alleen stuitende werking als er binnen zes maanden een eis bij de rechtbank wordt ingesteld waarin betaling wordt gevorderd.ING heeft [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] op 6 oktober 2025 gedagvaard. Dat betekent dat alleen een aanmaningsbrief die binnen zes maanden voor die datum is verzonden stuitende werking heeft gehad. Er geldt dus voor een aanmaning van 6 april 2025 of later. De eerste aanmaning van na 6 april 2025 is de brief van ING van 19 juni 2025. Die brief heeft stuitende werking voor de vorderingen waarvan de verjaring maximaal vijf jaar eerder is gaan lopen, dus voor vorderingen die op of na 20 juni 2020 zijn ontstaan. De wettelijke rente die ING vordert vóór deze datum, is verjaard. De wettelijke rente vanaf 20 juni 2020 wordt toegewezen.
De kantonrechter kan geen rekening houden met de financiële situatie van [gedaagde sub 1] en kan partijen geen betalingsregeling opleggen
3.7
In zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde sub 1] nog gevraagd aan de kantonrechter om in de beoordeling rekening te houden met zijn financiële situatie en schulden. De kantonrechter kan dit niet doen. [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] zijn een overeenkomst aangegaan met ING en ING heeft het recht om nakoming van zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] te vorderen. De kantonrechter kan de vordering ten aanzien van [gedaagde sub 1] niet afwijzen, alleen omdat [gedaagde sub 1] stelt onvoldoende middelen te hebben om de vordering te voldoen.
3.8
Ook het verzoek van [gedaagde sub 1] aan de kantonrechter om te bezien of een minnelijke regeling mogelijk is en om te erkennen dat een reguliere betalingsregeling niet haalbaar is, volgt de kantonrechter niet. Nog afgezien van het feit dat [gedaagde sub 1] onvoldoende financiële gegevens heeft verstrekt om iets te kunnen zeggen over de haalbaarheid van een regeling, ligt het niet op de weg van de kantonrechter om een minnelijke regeling aan partijen op te leggen. Een betalingsregeling is een overeenkomst die alleen kan worden gesloten wanneer beide partijen hier achter staan. De kantonrechter kan ING niet dwingen om (nogmaals) een betalingsregeling met [gedaagde sub 1] aan te gaan.
De vorderingen op [gedaagde sub 2] worden geheel toegewezen
3.9
[gedaagde sub 2] is niet verschenen. Zij heeft niet gereageerd op de dagvaarding. [gedaagde sub 1] heeft niet verklaard dat hij ook namens haar heeft gereageerd en er is ook geen machtiging is overgelegd waaruit kan blijken dat [gedaagde sub 1] ook namens [gedaagde sub 2] op de dagvaarding heeft gereageerd. De standpunten die [gedaagde sub 1] heeft genoemd in zijn conclusie van antwoord, wegen daarom niet mee bij de vorderingen van ING op [gedaagde sub 2] . De kantonrechter heeft verstek verleend tegen [gedaagde sub 2] . Dit betekent dat de vorderingen tegen haar worden toegewezen, tenzij de kantonrechter vindt dat deze in strijd zijn met de wet of een geldige reden ervoor ontbreekt.
ING heeft haar vorderingen tegen [gedaagde sub 2] voldoende onderbouwd en niet zonder geldige reden ingesteld. De vorderingen zijn ook niet in strijd met de wet. De kantonrechter zal daarom de vorderingen van ING ten aanzien van [gedaagde sub 2] toewijzen. Dat betekent dat [gedaagde sub 2] de hoofdsom van € 7.247,26 en de wettelijke rente vanaf 11 december 2019 aan ING moet betalen.
De veroordelingen worden deels hoofdelijk uitgesproken
3.10
[gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] worden beiden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 7.247,26 en de wettelijke rente vanaf 20 juni 2020. Voor dit gedeelte geldt dat de veroordeling hoofdelijk wordt uitgesproken, zoals ING dat ook gevorderd heeft. Dit betekent dat zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3.11
De vordering tot betaling van de wettelijke rente vanaf 11 december 2019 tot 20 juni 2020 wordt toegewezen ten aanzien van [gedaagde sub 2] en afgewezen ten aanzien van [gedaagde sub 1] . Deze veroordeling kan daarom niet hoofdelijk worden uitgesproken.
[gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten van ING betalen
3.12
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde sub 1] wel is verschenen en [gedaagde sub 2] niet, moeten de proceskosten worden verdeeld.
De proceskosten van ING die [gedaagde sub 1] moet betalen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
271,50
(de helft van het gezamenlijke griffierecht)
- salaris gemachtigde
€
540,00
(2 punten × € 360,00 - € 180,00 die [gedaagde sub 2] moet betalen)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.028,95
De proceskosten van ING die [gedaagde sub 2] moet betalen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
271,50
(de helft van het gezamenlijke griffierecht)
- salaris gemachtigde
€
180,00
(0,5 punten × € 360,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
668,95
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.13
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door ING. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] & [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan ING te betalen een bedrag van € 7.247,26, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 juni 2020, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan ING te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 7.247,26, met ingang van 11 december 2019 tot 20 juni 2020,
4.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 1.028,95, te betalen aan ING binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 668,95, te betalen aan ING binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
62938
Zie artikel 21 van de algemene voorwaarden bij de kredietovereenkomst (productie 2 bij dagvaarding).
Artikel 3:307 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 3:317 lid 1 BW.
De wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW.
Artikel 3:317 lid 2 BW.