Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5804
2026-08-12
Civiel recht
12102255 \ UC EXPL 26-1314
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vordering schadevergoeding als gevolg van nabetaling door PFZW.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.444 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12102255 \ UC EXPL 26-1314
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: M. Deliboyraz, ST-Assistance te Rotterdam,
tegen
de stichting
STICHTING PENSIOENFONDS ZORG EN WELZIJN,
gevestigd te Zeist,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PFZW,
gemachtigde: mr. J.E. Hoetink CPL.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 22 producties- de conclusie van antwoord met producties A tot en met U- de conclusie van repliek met wijziging van de vordering met producties 23 tot en met 28.
1.2
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 17 juli 2026. [eiser] was niet aanwezig. Namens [eiser] was aanwezig mevrouw M. Deliboyraz, werkzaam bij ST-Assistance, de gemachtigde. Namens PFZW was aanwezig mr. S. Roshan, pensioenjurist, met de gemachtigde, mr. Hoetink. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. De gemachtigde van PFZW heeft daarbij gebruik gemaakt van een pleitnota. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en vragen beantwoord van de kantonrechter. De gemachtigde van PFZW heeft tijdens de zitting meegedeeld dat PFZW afziet van de mogelijkheid om een conclusie van dupliek in te dienen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
1.3
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter besloten dat op 19 augustus 2026 uitspraak zal worden gedaan. Daarna is de uitspraak bepaald op vandaag.
2De kern van de zaak
2.1
PFZW heeft [eiser] met terugwerkende kracht arbeidsongeschiktheidspensioen betaald. Daarna zijn de toeslagen die [eiser] ontving, gestopt. [eiser] heeft ook te maken gekregen met een terugvordering van haar toeslag van het UWV, een naheffing van de belastingdienst en kosten voor juridische hulp. PFZW heeft [eiser] een schadevergoeding betaald. [eiser] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat PFZW te kort is geschoten in het nakomen van haar verplichting om de pensioenrechten tijdig vast te stellen en dat PFZW aansprakelijk is voor de schade. [eiser] vordert ook een veroordeling dat PFZW haar vermogensschade moet betalen. Die schade bedraagt volgens [eiser] - na vermindering van eis - € 15.618,90. De kantonrechter wijst de verklaring voor recht af. De gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 418,-. Partijen moeten elk hun eigen kosten van de procedure dragen.
3De achtergrond van de zaak
3.1
[eiser] is thans 48 jaar oud. Zij is op 21 januari 2014 uitgevallen wegens ziekte bij haar toenmalige werkgever. Vanaf januari 2016 ontvangt [eiser] een WIA-uitkering van het UWV. [eiser] neemt deel aan de pensioenregeling bij PFZW.
3.2
Bij besluit van 26 november 2020 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat de hoogte van haar WIA-uitkering wijzigt, omdat zij met ingang van 31 januari 2021 een WGA-vervolg-uitkering krijgt. Deze uitkering is gebaseerd op het minimumloon. Het UWV heeft [eiser] vanaf deze datum ook een toeslag op haar WIA-uitkering toegekend.
3.3
Op 16 oktober 2024 heeft PFZW [eiser] een brief gestuurd waarin zij schrijft dat [eiser] een nabetaling arbeidsongeschiktheidspensioen (WGA-hiaatpensioen) ontvangt over de periode van 31 januari 2021 tot en met 31 oktober 2024 van € 29.630,32 bruto en dat zij vanaf 1 november 2024 maandelijks een arbeidsongeschiktheidspensioen ontvangt. Daarnaast krijgt [eiser] een rentevergoeding. PFZW heeft in haar brief ook vermeld dat [eiser] door de nabetaling mogelijk meer belasting betaalt over 2024 en dat de nabetaling invloed kan hebben op de toeslag die zij van het UWV ontvangt en op andere toeslagen, zoals huurtoeslag en zorgtoeslag. [eiser] heeft daarom mogelijk recht op een vergoeding van PFZW. PFZW kan dit berekenen zodra [eiser] informatie heeft ontvangen van de Belastingdienst over belastingjaar 2024. PFZW kondigt aan dat zij daarom in 2025 weer contact met [eiser] opneemt.
3.4
PFZW heeft [eiser] op 25 oktober 2024 € 17.112,66 netto aan arbeidsongeschiktheidspensioen nabetaald.
3.5
Op 5 augustus 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] PFZW aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen als gevolg van de te late beslissing over haar recht op arbeidsongeschiktheidspensioen. Volgens [eiser] bedraagt haar schade € 20.979,50 netto.
3.6
Op 22 oktober 2025 heeft PFZW [eiser] meegedeeld dat zij een vergoeding van
€ 4.432,42 ontvangt voor het financiële nadeel als gevolg van de nabetaling. De vergoeding bestaat uit een vergoeding voor een lagere algemene heffingskorting (€ 1.488,42), lagere zorgtoeslag (€ 1.476,00) en lager kindgebonden budget (€ 1.468,00).
3.7
[eiser] heeft PFZW daarna verzocht haar volledige schade te vergoeden, in totaal
€ 21.231,55. [eiser] heeft daarbij als schadeposten genoemd: de verlaagde huurtoeslag, de terugvordering van de toeslag door het UWV en juridische kosten. PFZW heeft dit verzoek afgewezen.
4De beoordeling
De vorderingen
4.1
[eiser] vordert, met veroordeling van PFZW in de proceskosten:
een verklaring voor recht dat PFZW toerekenbaar tekort is geschoten, de pensioenrechten niet op tijd heeft vastgesteld, vermogensschade heeft aangericht en aansprakelijk is voor de gevolgschade;
PFZW te veroordelen tot het betalen van de vermogensschade naar redelijkheid.
4.2
[eiser] heeft voor de hoogte van haar vermogensschade verwezen naar een aangepaste schadestaat van in totaal € 15.618,90 per 15 april 2026. [eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat PFZW haar wettelijke en reglementaire verplichting tot het tijdig en volledig uitbetalen van het arbeidsongeschiktheidspensioen niet is nagekomen en onrechtmatig heeft gehandeld, zodat PFZW gehouden is de gehele schade te vergoeden. [eiser] stelt ook dat PFZW tot 5 augustus 2025 niets heeft gedaan om de schade te vergoeden, waardoor zij juridische kosten heeft moeten maken om de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade vast te stellen.
Het verweer
4.3
PFZW voert verweer. PFZW voert aan dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vorderingen omdat zij daarbij geen belang heeft. PFZW voert ook aan dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt welke schade zij nog heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking kan komen. De vorderingen zijn ook onvoldoende onderbouwd en onvoldoende bepaald. Verder verzoekt PFZW [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
De verklaring voor recht
4.4
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat PFZW is tekort geschoten in haar verplichtingen en aansprakelijk is voor de gevolgschade. Dat blijkt echter al uit de brieven van PFZW van september en oktober 2024 waarin PFZW erkent dat zij een fout heeft gemaakt en dat zij aansprakelijk is voor het financiële nadeel dat [eiser] hierdoor heeft geleden. Tussen partijen staat dus al voldoende vast dat PFZW tekort is geschoten in haar verplichtingen om het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen tijdig vast te stellen en uit te betalen. PFZW heeft [eiser] daarna ook een vergoeding betaald voor het nadeel dat zij door de tekortkoming van PFZW heeft geleden.
4.5
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij nog een belang heeft bij een verklaring voor recht omdat PFZW haar schade niet volledig heeft vergoed. [eiser] heeft bij haar verzoek om een verklaring voor recht echter geen schadebedrag genoemd. Bovendien komt de vraag of PFZW een hoger schadebedrag moet vergoeden dan zij reeds heeft betaald, aan de orde bij de beoordeling van de hoogte van de gestelde schade. Een afzonderlijke verklaring voor recht dat PFZW hiervoor aansprakelijk is voegt daarom niets toe. De kantonrechter zal [eiser] in de vordering tot het geven van een verklaring voor recht niet-ontvankelijk verklaren.
De vordering tot het betalen van vermogensschade is voldoende bepaald
4.6
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eiser] om PFZW te veroordelen tot het betalen van de vermogensschade naar redelijkheid, voldoende bepaald is. Ook al heeft [eiser] in het petitum van de dagvaarding geen bedrag genoemd dat zij van PFZW vordert, uit het vermelde onder punt 4 in de dagvaarding en uit de schadebegroting die als productie 17 is overgelegd, begrijpt de kantonrechter dat [eiser] haar schade aanvankelijk heeft begroot op € 20.196,66 en betaling van dit bedrag aan vermogensschade heeft gevorderd. [eiser] heeft daarna in de conclusie van repliek vermeld dat zij haar schadevordering wijzigt waarbij zij heeft verwezen naar een aangepaste schadestaat (productie 28). In die schadestaat wordt een totaalbedrag van € 15.618,90 vermeld. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [eiser] haar vordering tot betaling van vermogensschade tijdens de procedure heeft verlaagd naar € 15.618,90. Anders dan PFZW heeft aangevoerd is de kantonrechter daarom van oordeel dat de vordering van [eiser] tot betaling van vermogensschade, voldoende bepaalbaar is.
PFZW moet [eiser] nog een geringe schadevergoeding betalen
4.7
Partijen zijn alleen nog in discussie over de omvang van de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de nabetaling door PFZW. [eiser] heeft haar schade van
€ 15.618,90 gebaseerd op meerdere schadeposten, die hierna successievelijk beoordeeld worden. De kantonrechter komt tot de conclusie dat PFZW [eiser] nog een schadevergoeding van € 418,- moet betalen.
- Inkomstenbelasting 2024
4.7.1
Uit de door [eiser] overgelegde aanslag inkomstenbelasting 2024, van 31 mei 2025, volgt dat zij een bedrag van € 1.302,- moet betalen. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling voor de onderbouwing van de schadepost van € 1.350,- tevens verwezen naar productie 5, haar aangifte inkomstenbelasting 2024. PFZW heeft in het verweerschrift toegelicht dat [eiser] het bedrag van € 13.000,- dat zij door terugvordering van de toeslag (als gevolg van de nabetaling van het arbeidsongeschiktheidspensioen) aan het UWV heeft moeten terugbetalen, voor het jaar 2025 bij de Belastingdienst kan opgeven als negatief loon. Dit kan leiden tot een teruggave inkomstenbelasting over 2025. [eiser] heeft geen stukken van de belastingdienst overgelegd waaruit blijkt dat zij over 2025 een teruggave inkomstenbelasting heeft gekregen. De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling wel bevestigd dat [eiser] aangifte inkomstenbelasting over 2025 heeft gedaan en een teruggave van € 3.000,- of € 4.000,- heeft ontvangen. Aangenomen wordt dan ook dat [eiser] over het jaar 2025 een bedrag aan belastingteruggave heeft ontvangen, dat hoger is dan de aanslag over 2024. Om deze reden kan niet worden vastgesteld dat sprake is van vermogensschade door extra belastingheffing.
- Zorgtoeslag
4.7.2
[eiser] vordert een bedrag van € 1.483,- aan zorgtoeslag over 2024. PFZW heeft het nadeel als gevolg van de lagere zorgtoeslag echter al vergoed voor € 1.476,-. Uit de door [eiser] overgelegde voorschotbeschikkingen van de Dienst Toeslagen van juni 2024 en januari 2025 blijkt dat de zorgtoeslag voor 2024 eerst was berekend op € 1.483,- en daarna opnieuw is berekend op € 0,-. Gelet op deze voorschotbeschikkingen heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat als gevolg van de nabetaling, die in oktober 2024 is uitbetaald, haar zorgtoeslag met € 1.483,- is verlaagd tot € 0,-. Omdat PFZW [eiser] het financiële nadeel als gevolg van de lagere zorgtoeslag heeft vergoed tot € 1.476,-, resteert een bedrag van € 7,- aan financieel nadeel dat [eiser] nog niet is vergoed. PFZW moet dit bedrag nog aan [eiser] betalen.
- Huurtoeslag
4.7.3
[eiser] vordert een bedrag van € 4.250,- aan huurtoeslag die zij na de nabetaling van PFZW heeft moeten terugbetalen. Uit de hiervoor genoemde voorschotbeschikkingen van de Dienst Toeslagen blijkt dat de huurtoeslag voor [eiser] na de nabetaling door PFZW is verlaagd van € 4.250,- naar € 3.905,-. Dat betekent dat [eiser] een bedrag van € 345,- huurtoeslag minder heeft ontvangen. De kantonrechter begrijpt uit de schadebegroting dat [eiser] dit bedrag aan de Dienst Toeslagen heeft moeten terugbetalen. PFZW heeft [eiser] geen vergoeding betaald voor een lagere huurtoeslag. PFZW heeft toegelicht dat [eiser] bij de Belastingdienst een melding kan doen van de nabetaling en het formulier ‘Verzoek bijzondere situatie huurtoeslag’ kan opsturen naar de belastingdienst. Volgens PFZW hoeft de huurtoeslag dan niet terugbetaald te worden. Dit advies heeft PFZW al in haar brief van 19 september 2025 aan [eiser] gegeven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiser] verklaard dat zij dit formulier online heeft ingevuld maar dat zij daarop geen andere beschikking heeft gekregen. De kantonrechter ziet in de toelichting van PFZW op dit formulier van de belastingdienst onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [eiser] enkel door het indienen hiervan over 2024 geen huurtoeslag zou hoeven terug te betalen. Van [eiser] kon niet verwacht worden dat zij na de voorschotbeschikking van januari 2025 nog meer zou doen om de verlaging van de huurtoeslag ongedaan te maken. [eiser] heeft met de overgelegde voorschotbeschikkingen voldoende onderbouwd dat haar huurtoeslag is verlaagd en dat zij € 345,- schade heeft geleden. De kantonrechter wijst daarom dit bedrag toe.
- Kindgebonden budget
4.7.4
[eiser] vordert een bedrag van € 1.534,- dat zij aan kindgebonden budget 2024 heeft moeten terugbetalen aan de Dienst Toeslagen. Vast staat dat PFZW [eiser] een bedrag van
€ 1.468,- heeft vergoed ter compensatie van de verlaging van haar kindgebonden budget als gevolg van de nabetaling. Uit de hiervoor genoemde voorschotbeschikkingen van de Dienst Toeslagen blijkt dat het kindgebonden budget voor 2024 is verlaagd van € 9.046,- naar
€ 7.355,-. Dat is een verlaging van het kindgebonden budget met een bedrag van € 1.691,-. PFZW heeft ook over deze post tijdens de zitting opgemerkt dat [eiser] alleen voorschotbeschikkingen heeft overgelegd en geen definitieve beschikking. Zoals de kantonrechter hiervoor ook over de Huurtoeslag heeft overwogen, kan van [eiser] niet verwacht worden dat zij nog meer zou doen om de verlaging van het kindgebonden budget verder te onderbouwen. Omdat [eiser] zelf stelt dat op grond van de voorschotbeschikkingen € 1.534,- aan kindgebonden budget heeft moeten terugbetalen, zal de kantonrechter het verschil tussen € 1.534,- en het bedrag van € 1.468,- dat PFZW [eiser] al heeft vergoed, toewijzen. Dat is een bedrag van € 66,-.
- Gemeentelijke heffingen en waterschapsbelasting
4.7.5
[eiser] heeft op de zitting toegelicht dat zij als gevolg van de nabetaling door PFZW in 2024 op basis van een hoger inkomen over 2025 hogere aanslagen afvalstoffenheffing en waterschapsbelasting heeft gekregen. [eiser] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij in eerdere belastingjaren lagere aanslagen heeft gekregen. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat de hogere aanslagen afvalstoffenheffing en waterschapsbelasting in 2025 een gevolg zijn van de nabetaling door PFZW. De kantonrechter zal deze schadeposten daarom afwijzen.
- Afgedragen loonheffing
4.7.6
[eiser] stelt dat zij door de nabetaling meer loonheffing aan de belastingdienst heeft afgedragen, namelijk een bedrag van € 10.145,-. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [eiser] hiervoor verwezen naar haar belastingaangifte 2024. De kantonrechter kan uit deze belastingaangifte, die als productie 5 is overgelegd, niet opmaken dat [eiser] in 2024 dit bedrag aan loonheffing heeft afgedragen. Dit blijkt ook niet uit de aanslag inkomstenbelasting 2024 die door PFZW als bijlage bij een brief van de gemachtigde van [eiser] van 5 augustus 2025 is overgelegd. Namens PFZW is hierover opgemerkt dat [eiser] in 2026 een belastingteruggave heeft ontvangen op basis van haar belastingaangifte 2025. Dit is niet weersproken en [eiser] heeft deze aanslag niet overgelegd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij door de nabetaling van PFZW meer loonheffing heeft afgedragen. De kantonrechter zal deze schadepost daarom afwijzen.
- Terugvordering toeslag UWV
4.7.7
[eiser] vordert als schadepost de terugvordering van haar toeslag door het UWV van € 18.856,55. Vast staat dat deze terugvordering na bezwaar is verlaagd met een bedrag van € 4.112,96. PFZW wijst erop dat de nabetaling van het arbeidsongeschiktheidspensioen van € 29.630,32 bruto (netto € 17.112,50) hoger was dan deze terugvordering van de toeslag van het UWV, waardoor geen sprake is van nadeel door de nabetaling. Dit heeft PFZW ook al uitgelegd in haar brief van 22 oktober 2025. [eiser] , heeft uiteindelijk ca € 13.000,- aan UWV terugbetaald. Dit is minder dan het netto bedrag dat zij heeft ontvangen van PFZW, zodat geen sprak is van vermogensschade.
- Deurwaarderskosten procesinleiding
4.7.8
[eiser] vordert tevens een bedrag van € 251,24 aan deurwaarderskosten. Deze kosten behoren tot de proceskosten, waarvoor een aparte wettelijke regeling geldt. De kantonrechter zal deze post daarom niet betrekken bij de beoordeling van de schade.
- Juridische kosten
4.7.9
[eiser] vordert € 2.499,99 aan juridische kosten, waarvoor zij verwijst naar de factuur van haar gemachtigde, die is overgelegd bij productie 17. Deze factuur dateert van 17 april 2025. De eerste brief, waarbij PFZW aansprakelijk is gesteld, dateert van 5 augustus 2025. Daarnaast blijkt uit deze factuur dat 3/5 van de kosten zijn gemaakt voor bezwaar en beroep tegen de terugvorderingsbeslissing van het UWV. De kantonrechter begrijpt deze vordering echter aldus dat [eiser] aanspraak maakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. Vast staat dat [eiser] heeft geprobeerd om met PFZW tot een vergelijk te komen en dat dit niet is gelukt. Hoewel een factuur voor de buitengerechtelijke werkzaamheden ontbreekt, is voldoende aannemelijk dat [eiser] vermogensschade heeft geleden omdat haar gemachtigde heeft gecorrespondeerd met PFZW, alvorens deze procedure aanhangig te maken. Op basis van het toegewezen bedrag bedraagt de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op basis van de door de rechtspraak gehanteerde staffel € 75,87. Dit bedrag wordt toegewezen.
Conclusie
4.8
De kantonrechter komt tot de conclusie dat slechts een beperkt deel van de door [eiser] genoemde schadeposten toewijsbaar zijn, te weten: € 7,- (zorgtoeslag),
€ 345,- (huurtoeslag), € 66,- (kindgebonden budget) en buitengerechtelijke incassokosten van € 75,87, in totaal 493,87,-. PFZW moet dit bedrag aan schadevergoeding aan [eiser] betalen.
Wettelijke rente
4.9
De gevorderde wettelijke rente over het toewijsbare bedrag zal worden toegewezen met ingang van de datum waarop PFZW verzuim is geraakt, 20 augustus 2025.
Proceskosten
4.10
Omdat beide partijen over en weer op punten in het ongelijk worden gesteld, en gelet op de aard van de relatie tussen partijen en de omstandigheid dat de procedure het gevolg is van het te laat uitbetalen van het arbeidsongeschiktheidspensioen, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
veroordeelt PFZW tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 493,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
40160
Productie 28 [eiser]
Van 10 september 2024, productie E van PFZW, en van 16 oktober 2024, productie F van PFZW
Bij productie 28 [eiser]
Productie P PFZW
Productie 17 [eiser]
Productie N PFZW
Productie P PFZW, brief van 22 oktober 2025
Productie M PFZW
Productie P PFZW
Artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12102255 \ UC EXPL 26-1314
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: M. Deliboyraz, ST-Assistance te Rotterdam,
tegen
de stichting
STICHTING PENSIOENFONDS ZORG EN WELZIJN,
gevestigd te Zeist,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PFZW,
gemachtigde: mr. J.E. Hoetink CPL.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 22 producties- de conclusie van antwoord met producties A tot en met U- de conclusie van repliek met wijziging van de vordering met producties 23 tot en met 28.
1.2
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 17 juli 2026. [eiser] was niet aanwezig. Namens [eiser] was aanwezig mevrouw M. Deliboyraz, werkzaam bij ST-Assistance, de gemachtigde. Namens PFZW was aanwezig mr. S. Roshan, pensioenjurist, met de gemachtigde, mr. Hoetink. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. De gemachtigde van PFZW heeft daarbij gebruik gemaakt van een pleitnota. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en vragen beantwoord van de kantonrechter. De gemachtigde van PFZW heeft tijdens de zitting meegedeeld dat PFZW afziet van de mogelijkheid om een conclusie van dupliek in te dienen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
1.3
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter besloten dat op 19 augustus 2026 uitspraak zal worden gedaan. Daarna is de uitspraak bepaald op vandaag.
2De kern van de zaak
2.1
PFZW heeft [eiser] met terugwerkende kracht arbeidsongeschiktheidspensioen betaald. Daarna zijn de toeslagen die [eiser] ontving, gestopt. [eiser] heeft ook te maken gekregen met een terugvordering van haar toeslag van het UWV, een naheffing van de belastingdienst en kosten voor juridische hulp. PFZW heeft [eiser] een schadevergoeding betaald. [eiser] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat PFZW te kort is geschoten in het nakomen van haar verplichting om de pensioenrechten tijdig vast te stellen en dat PFZW aansprakelijk is voor de schade. [eiser] vordert ook een veroordeling dat PFZW haar vermogensschade moet betalen. Die schade bedraagt volgens [eiser] - na vermindering van eis - € 15.618,90. De kantonrechter wijst de verklaring voor recht af. De gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 418,-. Partijen moeten elk hun eigen kosten van de procedure dragen.
3De achtergrond van de zaak
3.1
[eiser] is thans 48 jaar oud. Zij is op 21 januari 2014 uitgevallen wegens ziekte bij haar toenmalige werkgever. Vanaf januari 2016 ontvangt [eiser] een WIA-uitkering van het UWV. [eiser] neemt deel aan de pensioenregeling bij PFZW.
3.2
Bij besluit van 26 november 2020 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat de hoogte van haar WIA-uitkering wijzigt, omdat zij met ingang van 31 januari 2021 een WGA-vervolg-uitkering krijgt. Deze uitkering is gebaseerd op het minimumloon. Het UWV heeft [eiser] vanaf deze datum ook een toeslag op haar WIA-uitkering toegekend.
3.3
Op 16 oktober 2024 heeft PFZW [eiser] een brief gestuurd waarin zij schrijft dat [eiser] een nabetaling arbeidsongeschiktheidspensioen (WGA-hiaatpensioen) ontvangt over de periode van 31 januari 2021 tot en met 31 oktober 2024 van € 29.630,32 bruto en dat zij vanaf 1 november 2024 maandelijks een arbeidsongeschiktheidspensioen ontvangt. Daarnaast krijgt [eiser] een rentevergoeding. PFZW heeft in haar brief ook vermeld dat [eiser] door de nabetaling mogelijk meer belasting betaalt over 2024 en dat de nabetaling invloed kan hebben op de toeslag die zij van het UWV ontvangt en op andere toeslagen, zoals huurtoeslag en zorgtoeslag. [eiser] heeft daarom mogelijk recht op een vergoeding van PFZW. PFZW kan dit berekenen zodra [eiser] informatie heeft ontvangen van de Belastingdienst over belastingjaar 2024. PFZW kondigt aan dat zij daarom in 2025 weer contact met [eiser] opneemt.
3.4
PFZW heeft [eiser] op 25 oktober 2024 € 17.112,66 netto aan arbeidsongeschiktheidspensioen nabetaald.
3.5
Op 5 augustus 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] PFZW aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen als gevolg van de te late beslissing over haar recht op arbeidsongeschiktheidspensioen. Volgens [eiser] bedraagt haar schade € 20.979,50 netto.
3.6
Op 22 oktober 2025 heeft PFZW [eiser] meegedeeld dat zij een vergoeding van
€ 4.432,42 ontvangt voor het financiële nadeel als gevolg van de nabetaling. De vergoeding bestaat uit een vergoeding voor een lagere algemene heffingskorting (€ 1.488,42), lagere zorgtoeslag (€ 1.476,00) en lager kindgebonden budget (€ 1.468,00).
3.7
[eiser] heeft PFZW daarna verzocht haar volledige schade te vergoeden, in totaal
€ 21.231,55. [eiser] heeft daarbij als schadeposten genoemd: de verlaagde huurtoeslag, de terugvordering van de toeslag door het UWV en juridische kosten. PFZW heeft dit verzoek afgewezen.
4De beoordeling
De vorderingen
4.1
[eiser] vordert, met veroordeling van PFZW in de proceskosten:
een verklaring voor recht dat PFZW toerekenbaar tekort is geschoten, de pensioenrechten niet op tijd heeft vastgesteld, vermogensschade heeft aangericht en aansprakelijk is voor de gevolgschade;
PFZW te veroordelen tot het betalen van de vermogensschade naar redelijkheid.
4.2
[eiser] heeft voor de hoogte van haar vermogensschade verwezen naar een aangepaste schadestaat van in totaal € 15.618,90 per 15 april 2026. [eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat PFZW haar wettelijke en reglementaire verplichting tot het tijdig en volledig uitbetalen van het arbeidsongeschiktheidspensioen niet is nagekomen en onrechtmatig heeft gehandeld, zodat PFZW gehouden is de gehele schade te vergoeden. [eiser] stelt ook dat PFZW tot 5 augustus 2025 niets heeft gedaan om de schade te vergoeden, waardoor zij juridische kosten heeft moeten maken om de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade vast te stellen.
Het verweer
4.3
PFZW voert verweer. PFZW voert aan dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vorderingen omdat zij daarbij geen belang heeft. PFZW voert ook aan dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt welke schade zij nog heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking kan komen. De vorderingen zijn ook onvoldoende onderbouwd en onvoldoende bepaald. Verder verzoekt PFZW [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
De verklaring voor recht
4.4
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat PFZW is tekort geschoten in haar verplichtingen en aansprakelijk is voor de gevolgschade. Dat blijkt echter al uit de brieven van PFZW van september en oktober 2024 waarin PFZW erkent dat zij een fout heeft gemaakt en dat zij aansprakelijk is voor het financiële nadeel dat [eiser] hierdoor heeft geleden. Tussen partijen staat dus al voldoende vast dat PFZW tekort is geschoten in haar verplichtingen om het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen tijdig vast te stellen en uit te betalen. PFZW heeft [eiser] daarna ook een vergoeding betaald voor het nadeel dat zij door de tekortkoming van PFZW heeft geleden.
4.5
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij nog een belang heeft bij een verklaring voor recht omdat PFZW haar schade niet volledig heeft vergoed. [eiser] heeft bij haar verzoek om een verklaring voor recht echter geen schadebedrag genoemd. Bovendien komt de vraag of PFZW een hoger schadebedrag moet vergoeden dan zij reeds heeft betaald, aan de orde bij de beoordeling van de hoogte van de gestelde schade. Een afzonderlijke verklaring voor recht dat PFZW hiervoor aansprakelijk is voegt daarom niets toe. De kantonrechter zal [eiser] in de vordering tot het geven van een verklaring voor recht niet-ontvankelijk verklaren.
De vordering tot het betalen van vermogensschade is voldoende bepaald
4.6
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eiser] om PFZW te veroordelen tot het betalen van de vermogensschade naar redelijkheid, voldoende bepaald is. Ook al heeft [eiser] in het petitum van de dagvaarding geen bedrag genoemd dat zij van PFZW vordert, uit het vermelde onder punt 4 in de dagvaarding en uit de schadebegroting die als productie 17 is overgelegd, begrijpt de kantonrechter dat [eiser] haar schade aanvankelijk heeft begroot op € 20.196,66 en betaling van dit bedrag aan vermogensschade heeft gevorderd. [eiser] heeft daarna in de conclusie van repliek vermeld dat zij haar schadevordering wijzigt waarbij zij heeft verwezen naar een aangepaste schadestaat (productie 28). In die schadestaat wordt een totaalbedrag van € 15.618,90 vermeld. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [eiser] haar vordering tot betaling van vermogensschade tijdens de procedure heeft verlaagd naar € 15.618,90. Anders dan PFZW heeft aangevoerd is de kantonrechter daarom van oordeel dat de vordering van [eiser] tot betaling van vermogensschade, voldoende bepaalbaar is.
PFZW moet [eiser] nog een geringe schadevergoeding betalen
4.7
Partijen zijn alleen nog in discussie over de omvang van de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de nabetaling door PFZW. [eiser] heeft haar schade van
€ 15.618,90 gebaseerd op meerdere schadeposten, die hierna successievelijk beoordeeld worden. De kantonrechter komt tot de conclusie dat PFZW [eiser] nog een schadevergoeding van € 418,- moet betalen.
- Inkomstenbelasting 2024
4.7.1
Uit de door [eiser] overgelegde aanslag inkomstenbelasting 2024, van 31 mei 2025, volgt dat zij een bedrag van € 1.302,- moet betalen. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling voor de onderbouwing van de schadepost van € 1.350,- tevens verwezen naar productie 5, haar aangifte inkomstenbelasting 2024. PFZW heeft in het verweerschrift toegelicht dat [eiser] het bedrag van € 13.000,- dat zij door terugvordering van de toeslag (als gevolg van de nabetaling van het arbeidsongeschiktheidspensioen) aan het UWV heeft moeten terugbetalen, voor het jaar 2025 bij de Belastingdienst kan opgeven als negatief loon. Dit kan leiden tot een teruggave inkomstenbelasting over 2025. [eiser] heeft geen stukken van de belastingdienst overgelegd waaruit blijkt dat zij over 2025 een teruggave inkomstenbelasting heeft gekregen. De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling wel bevestigd dat [eiser] aangifte inkomstenbelasting over 2025 heeft gedaan en een teruggave van € 3.000,- of € 4.000,- heeft ontvangen. Aangenomen wordt dan ook dat [eiser] over het jaar 2025 een bedrag aan belastingteruggave heeft ontvangen, dat hoger is dan de aanslag over 2024. Om deze reden kan niet worden vastgesteld dat sprake is van vermogensschade door extra belastingheffing.
- Zorgtoeslag
4.7.2
[eiser] vordert een bedrag van € 1.483,- aan zorgtoeslag over 2024. PFZW heeft het nadeel als gevolg van de lagere zorgtoeslag echter al vergoed voor € 1.476,-. Uit de door [eiser] overgelegde voorschotbeschikkingen van de Dienst Toeslagen van juni 2024 en januari 2025 blijkt dat de zorgtoeslag voor 2024 eerst was berekend op € 1.483,- en daarna opnieuw is berekend op € 0,-. Gelet op deze voorschotbeschikkingen heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat als gevolg van de nabetaling, die in oktober 2024 is uitbetaald, haar zorgtoeslag met € 1.483,- is verlaagd tot € 0,-. Omdat PFZW [eiser] het financiële nadeel als gevolg van de lagere zorgtoeslag heeft vergoed tot € 1.476,-, resteert een bedrag van € 7,- aan financieel nadeel dat [eiser] nog niet is vergoed. PFZW moet dit bedrag nog aan [eiser] betalen.
- Huurtoeslag
4.7.3
[eiser] vordert een bedrag van € 4.250,- aan huurtoeslag die zij na de nabetaling van PFZW heeft moeten terugbetalen. Uit de hiervoor genoemde voorschotbeschikkingen van de Dienst Toeslagen blijkt dat de huurtoeslag voor [eiser] na de nabetaling door PFZW is verlaagd van € 4.250,- naar € 3.905,-. Dat betekent dat [eiser] een bedrag van € 345,- huurtoeslag minder heeft ontvangen. De kantonrechter begrijpt uit de schadebegroting dat [eiser] dit bedrag aan de Dienst Toeslagen heeft moeten terugbetalen. PFZW heeft [eiser] geen vergoeding betaald voor een lagere huurtoeslag. PFZW heeft toegelicht dat [eiser] bij de Belastingdienst een melding kan doen van de nabetaling en het formulier ‘Verzoek bijzondere situatie huurtoeslag’ kan opsturen naar de belastingdienst. Volgens PFZW hoeft de huurtoeslag dan niet terugbetaald te worden. Dit advies heeft PFZW al in haar brief van 19 september 2025 aan [eiser] gegeven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiser] verklaard dat zij dit formulier online heeft ingevuld maar dat zij daarop geen andere beschikking heeft gekregen. De kantonrechter ziet in de toelichting van PFZW op dit formulier van de belastingdienst onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [eiser] enkel door het indienen hiervan over 2024 geen huurtoeslag zou hoeven terug te betalen. Van [eiser] kon niet verwacht worden dat zij na de voorschotbeschikking van januari 2025 nog meer zou doen om de verlaging van de huurtoeslag ongedaan te maken. [eiser] heeft met de overgelegde voorschotbeschikkingen voldoende onderbouwd dat haar huurtoeslag is verlaagd en dat zij € 345,- schade heeft geleden. De kantonrechter wijst daarom dit bedrag toe.
- Kindgebonden budget
4.7.4
[eiser] vordert een bedrag van € 1.534,- dat zij aan kindgebonden budget 2024 heeft moeten terugbetalen aan de Dienst Toeslagen. Vast staat dat PFZW [eiser] een bedrag van
€ 1.468,- heeft vergoed ter compensatie van de verlaging van haar kindgebonden budget als gevolg van de nabetaling. Uit de hiervoor genoemde voorschotbeschikkingen van de Dienst Toeslagen blijkt dat het kindgebonden budget voor 2024 is verlaagd van € 9.046,- naar
€ 7.355,-. Dat is een verlaging van het kindgebonden budget met een bedrag van € 1.691,-. PFZW heeft ook over deze post tijdens de zitting opgemerkt dat [eiser] alleen voorschotbeschikkingen heeft overgelegd en geen definitieve beschikking. Zoals de kantonrechter hiervoor ook over de Huurtoeslag heeft overwogen, kan van [eiser] niet verwacht worden dat zij nog meer zou doen om de verlaging van het kindgebonden budget verder te onderbouwen. Omdat [eiser] zelf stelt dat op grond van de voorschotbeschikkingen € 1.534,- aan kindgebonden budget heeft moeten terugbetalen, zal de kantonrechter het verschil tussen € 1.534,- en het bedrag van € 1.468,- dat PFZW [eiser] al heeft vergoed, toewijzen. Dat is een bedrag van € 66,-.
- Gemeentelijke heffingen en waterschapsbelasting
4.7.5
[eiser] heeft op de zitting toegelicht dat zij als gevolg van de nabetaling door PFZW in 2024 op basis van een hoger inkomen over 2025 hogere aanslagen afvalstoffenheffing en waterschapsbelasting heeft gekregen. [eiser] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij in eerdere belastingjaren lagere aanslagen heeft gekregen. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat de hogere aanslagen afvalstoffenheffing en waterschapsbelasting in 2025 een gevolg zijn van de nabetaling door PFZW. De kantonrechter zal deze schadeposten daarom afwijzen.
- Afgedragen loonheffing
4.7.6
[eiser] stelt dat zij door de nabetaling meer loonheffing aan de belastingdienst heeft afgedragen, namelijk een bedrag van € 10.145,-. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [eiser] hiervoor verwezen naar haar belastingaangifte 2024. De kantonrechter kan uit deze belastingaangifte, die als productie 5 is overgelegd, niet opmaken dat [eiser] in 2024 dit bedrag aan loonheffing heeft afgedragen. Dit blijkt ook niet uit de aanslag inkomstenbelasting 2024 die door PFZW als bijlage bij een brief van de gemachtigde van [eiser] van 5 augustus 2025 is overgelegd. Namens PFZW is hierover opgemerkt dat [eiser] in 2026 een belastingteruggave heeft ontvangen op basis van haar belastingaangifte 2025. Dit is niet weersproken en [eiser] heeft deze aanslag niet overgelegd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij door de nabetaling van PFZW meer loonheffing heeft afgedragen. De kantonrechter zal deze schadepost daarom afwijzen.
- Terugvordering toeslag UWV
4.7.7
[eiser] vordert als schadepost de terugvordering van haar toeslag door het UWV van € 18.856,55. Vast staat dat deze terugvordering na bezwaar is verlaagd met een bedrag van € 4.112,96. PFZW wijst erop dat de nabetaling van het arbeidsongeschiktheidspensioen van € 29.630,32 bruto (netto € 17.112,50) hoger was dan deze terugvordering van de toeslag van het UWV, waardoor geen sprake is van nadeel door de nabetaling. Dit heeft PFZW ook al uitgelegd in haar brief van 22 oktober 2025. [eiser] , heeft uiteindelijk ca € 13.000,- aan UWV terugbetaald. Dit is minder dan het netto bedrag dat zij heeft ontvangen van PFZW, zodat geen sprak is van vermogensschade.
- Deurwaarderskosten procesinleiding
4.7.8
[eiser] vordert tevens een bedrag van € 251,24 aan deurwaarderskosten. Deze kosten behoren tot de proceskosten, waarvoor een aparte wettelijke regeling geldt. De kantonrechter zal deze post daarom niet betrekken bij de beoordeling van de schade.
- Juridische kosten
4.7.9
[eiser] vordert € 2.499,99 aan juridische kosten, waarvoor zij verwijst naar de factuur van haar gemachtigde, die is overgelegd bij productie 17. Deze factuur dateert van 17 april 2025. De eerste brief, waarbij PFZW aansprakelijk is gesteld, dateert van 5 augustus 2025. Daarnaast blijkt uit deze factuur dat 3/5 van de kosten zijn gemaakt voor bezwaar en beroep tegen de terugvorderingsbeslissing van het UWV. De kantonrechter begrijpt deze vordering echter aldus dat [eiser] aanspraak maakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. Vast staat dat [eiser] heeft geprobeerd om met PFZW tot een vergelijk te komen en dat dit niet is gelukt. Hoewel een factuur voor de buitengerechtelijke werkzaamheden ontbreekt, is voldoende aannemelijk dat [eiser] vermogensschade heeft geleden omdat haar gemachtigde heeft gecorrespondeerd met PFZW, alvorens deze procedure aanhangig te maken. Op basis van het toegewezen bedrag bedraagt de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op basis van de door de rechtspraak gehanteerde staffel € 75,87. Dit bedrag wordt toegewezen.
Conclusie
4.8
De kantonrechter komt tot de conclusie dat slechts een beperkt deel van de door [eiser] genoemde schadeposten toewijsbaar zijn, te weten: € 7,- (zorgtoeslag),
€ 345,- (huurtoeslag), € 66,- (kindgebonden budget) en buitengerechtelijke incassokosten van € 75,87, in totaal 493,87,-. PFZW moet dit bedrag aan schadevergoeding aan [eiser] betalen.
Wettelijke rente
4.9
De gevorderde wettelijke rente over het toewijsbare bedrag zal worden toegewezen met ingang van de datum waarop PFZW verzuim is geraakt, 20 augustus 2025.
Proceskosten
4.10
Omdat beide partijen over en weer op punten in het ongelijk worden gesteld, en gelet op de aard van de relatie tussen partijen en de omstandigheid dat de procedure het gevolg is van het te laat uitbetalen van het arbeidsongeschiktheidspensioen, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
veroordeelt PFZW tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 493,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
40160
Productie 28 [eiser]
Van 10 september 2024, productie E van PFZW, en van 16 oktober 2024, productie F van PFZW
Bij productie 28 [eiser]
Productie P PFZW
Productie 17 [eiser]
Productie N PFZW
Productie P PFZW, brief van 22 oktober 2025
Productie M PFZW
Productie P PFZW
Artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering