Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5800
2026-08-12
Civiel recht
11949178 \ UC EXPL 25-8527
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Opdracht tot aankoop van een auto. Na ontbinding van de overeenkomst moet de aanbetaling worden terugbetaald. De tegenvordering is niet onderbouwd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2021:1615 Hoge Raad 29-10-2021
- ECLI:NL:HR:2014:1490 Hoge Raad 20-06-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.862 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11949178 \ UC EXPL 25-8527 RJ/58605
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.B. Jonker,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T.C. Cooman.
1De procedure
1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding van 17 oktober 2025;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van relatieve onbevoegdheid van 3 december 2025;
- de conclusie van antwoord in het incident van 31 december 2025 met producties 1 en 2;
- het vonnis in incident van 28 januari 2026;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 25 februari 2026;
- de brief van [eiser] van 22 mei 2026 met producties 1 tot en met 16;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens nadere reactie in conventie van 24 juni 2026 met aanvullende productie 17.
1.2
Op 13 juli 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde] , mr. T.C. Cooman, per e-mail verzocht om aanhouding van de zaak in verband met de gezondheid van [gedaagde] . De kantonrechter heeft daarop laten weten dat de mondelinge behandeling kan worden uitgesteld als er tijdig een doktersverklaring wordt ontvangen. Omdat de kantonrechter geen doktersverklaring heeft ontvangen, heeft zij bepaald dat de mondelinge behandeling doorgaat.
1.3
Op 14 juli 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Hierbij was [eiser] aanwezig, samen met zijn partner, dochter en zijn gemachtigde, mr. R.B. Jonker. [gedaagde] en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.
1.4
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] tegen een marge een nieuwe auto voor [eiser] zou aankopen en de huidige auto van [eiser] zou inruilen. [eiser] heeft € 20.000,00 aan [gedaagde] betaald, maar [gedaagde] heeft geen auto geleverd en de auto van [eiser] niet ingeruild. Daarom wil [eiser] zijn geld terug. [gedaagde] wil het geld niet terugbetalen, omdat hij vindt dat juist [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] stelt bovendien dat hij door [eiser] schade heeft geleden, [gedaagde] beroept zich op verrekening en vordert € 25.000,00 in reconventie. De kantonrechter geeft [eiser] gelijk. [gedaagde] moet € 20.000,00 aan [eiser] terugbetalen en [gedaagde] heeft geen recht op schadevergoeding.
3De beoordeling
Een doktersverklaring is de verantwoordelijkheid van [gedaagde]
3.1
Zoals vermeld onder punt 1.2 heeft [gedaagde] verzocht om aanhouding van de zaak in verband met zijn gezondheid. Twee dagen na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter een e-mail ontvangen van de gemachtigde van [gedaagde] dat de kantonrechter de doktersverklaring zelf op kan vragen, “aldus de huisarts volgens cliënt”. De kantonrechter benadrukt dat het de verantwoordelijkheid is van [gedaagde] om te onderbouwen dat zijn gezondheid het niet toelaat om de zitting bij te wonen en niet de verantwoordelijkheid van de kantonrechter.
in conventie en in reconventie
De overeenkomst is gesloten met [eiser] , dus [eiser] is ontvankelijk
3.2
[gedaagde] vindt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de overeenkomst niet met [eiser] zou zijn gesloten, maar met de partner van [eiser] . De overeenkomst en factuur staan namelijk op naam van de partner van [eiser] . De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet en legt dat hierna uit.
3.3
Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van wat partijen tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
3.4
[eiser] heeft toegelicht dat de enige reden dat de naam van zijn partner op de overeenkomst en factuur staat, is omdat zij voornamelijk in de auto zou gaan rijden. Dit is door [gedaagde] niet weersproken. Bovendien heeft [gedaagde] [eiser] (en niet zijn partner) op straat benaderd terwijl [eiser] foto’s aan het maken was van zijn auto. Verder heeft alle communicatie vervolgens plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [eiser] (appen en bellen) en heeft [eiser] het geld voor de aankoop van de auto naar [gedaagde] overgemaakt. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat, gelet op de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] en [eiser] , de overeenkomst is gesloten tussen [gedaagde] en [eiser] en [eiser] dus ontvankelijk is in zijn vordering.
De overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is ontbonden
3.5
[eiser] stelt dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst en dat hij daarom de overeenkomst op 4 juni 2025 mocht ontbinden (en heeft ontbonden). [gedaagde] vindt echter dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en vindt dat híj ( [gedaagde] ) daarom de overeenkomst op 4 juni 2025 (dezelfde datum) heeft ontbonden. Omdat partijen het erover eens zijn dat de overeenkomst op 4 juni 2025 is ontbonden, komt dat vast te staan.
Er ontstaan ongedaanmakingsverplichtingen
3.6
Door ontbinding van de overeenkomst ontstaat de verplichting voor partijen tot ongedaanmaking van de al door hen ontvangen prestaties. Dat betekent dat [gedaagde] de aanbetaling van € 20.000,00 moet terugbetalen aan [eiser] . Omdat [eiser] nog geen prestatie van [gedaagde] heeft ontvangen (namelijk levering van de auto), hoeft [eiser] ook niets ongedaan te maken (een auto die nog niet is geleverd, kan ook niet teruggegeven worden).
De schadevordering van [gedaagde] wordt afgewezen
3.7
[gedaagde] stelt dat hij € 25.000,00 schade heeft geleden. Hij stelt dat hij auto’s heeft aangekocht en met verlies heeft moeten verkopen en dat hij reputatieschade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [eiser] . Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij reiskosten heeft gemaakt die [eiser] niet heeft vergoed. [eiser] heeft al deze schadeposten betwist. Tegenover deze betwisting had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stelling dat hij schade heeft geleden, bijvoorbeeld aan de hand van schriftelijke stukken, verder te onderbouwen. [gedaagde] heeft echter niets overgelegd waaruit zijn schade blijkt. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [gedaagde] geen schade heeft geleden en wijst de vordering van [gedaagde] af.
Het beroep op verrekening slaagt niet en [gedaagde] moet € 20.000,00 terugbetalen
3.8
Omdat [gedaagde] geen vordering heeft, kan hij zich niet op verrekening beroepen. Dat betekent dat [gedaagde] het bedrag van € 20.000,00 aan [eiser] moet terugbetalen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
3.9
[eiser] vordert de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de terug te betalen aanbetaling. De ingangsdatum van de wettelijke rente is, ook in het geval van een ongedaanmakingsverplichting wegens de ontbinding van een overeenkomst, het moment waarop de schuldenaar met de nakoming van deze verbintenis in verzuim is geraakt.
3.10
[eiser] heeft op 4 juni 2025 (de dag van ontbinding) aan [gedaagde] verzocht om binnen één week na dagtekening van de brief het bedrag van bedrag van € 20.000,00 aan hem over te maken. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, is hij vanaf 12 juni 2025 in verzuim en zou de wettelijke rente daarom vanaf 12 juni 2025 kunnen worden toegewezen. Omdat [eiser] de wettelijke rente vordert vanaf 18 juni 2025, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 18 juni 2025.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.11
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 975,00, zoals gevorderd, worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.12
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dit betekent dat hij zijn eigen kosten moet dragen en de proceskosten van [eiser] aan hem moet betalen. De proceskosten van [eiser] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,71
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
Totaal
€
2.035,71
3.13
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen en stellingen in conventie en in reconventie zullen de kosten in reconventie gehalveerd worden. De proceskosten van [eiser] in reconventie worden begroot op € 577,00 (2 punten x factor 0,5 x € 577,00).
3.14
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.15
Tot de proceskosten horen ook de nakosten (kosten die na het vonnis ontstaan). Die kosten worden vastgesteld op € 144,00 aan salaris gemachtigde. Als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna moet worden betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van de betekening aan [eiser] betalen.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.16
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 975,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.035,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.4
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.5
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.6
veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van € 144,00. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij ook de kosten van betekening betalen;
4.7
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.8
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1, 4.2, 4.3, 4.5, 4.6 en 4.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615.
Zie punt 30 van de dagvaarding en artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Zie punt 17 van de conclusie van antwoord.
Artikel 6:271 BW.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1490.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11949178 \ UC EXPL 25-8527 RJ/58605
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.B. Jonker,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T.C. Cooman.
1De procedure
1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding van 17 oktober 2025;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van relatieve onbevoegdheid van 3 december 2025;
- de conclusie van antwoord in het incident van 31 december 2025 met producties 1 en 2;
- het vonnis in incident van 28 januari 2026;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 25 februari 2026;
- de brief van [eiser] van 22 mei 2026 met producties 1 tot en met 16;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens nadere reactie in conventie van 24 juni 2026 met aanvullende productie 17.
1.2
Op 13 juli 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde] , mr. T.C. Cooman, per e-mail verzocht om aanhouding van de zaak in verband met de gezondheid van [gedaagde] . De kantonrechter heeft daarop laten weten dat de mondelinge behandeling kan worden uitgesteld als er tijdig een doktersverklaring wordt ontvangen. Omdat de kantonrechter geen doktersverklaring heeft ontvangen, heeft zij bepaald dat de mondelinge behandeling doorgaat.
1.3
Op 14 juli 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Hierbij was [eiser] aanwezig, samen met zijn partner, dochter en zijn gemachtigde, mr. R.B. Jonker. [gedaagde] en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.
1.4
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] tegen een marge een nieuwe auto voor [eiser] zou aankopen en de huidige auto van [eiser] zou inruilen. [eiser] heeft € 20.000,00 aan [gedaagde] betaald, maar [gedaagde] heeft geen auto geleverd en de auto van [eiser] niet ingeruild. Daarom wil [eiser] zijn geld terug. [gedaagde] wil het geld niet terugbetalen, omdat hij vindt dat juist [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] stelt bovendien dat hij door [eiser] schade heeft geleden, [gedaagde] beroept zich op verrekening en vordert € 25.000,00 in reconventie. De kantonrechter geeft [eiser] gelijk. [gedaagde] moet € 20.000,00 aan [eiser] terugbetalen en [gedaagde] heeft geen recht op schadevergoeding.
3De beoordeling
Een doktersverklaring is de verantwoordelijkheid van [gedaagde]
3.1
Zoals vermeld onder punt 1.2 heeft [gedaagde] verzocht om aanhouding van de zaak in verband met zijn gezondheid. Twee dagen na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter een e-mail ontvangen van de gemachtigde van [gedaagde] dat de kantonrechter de doktersverklaring zelf op kan vragen, “aldus de huisarts volgens cliënt”. De kantonrechter benadrukt dat het de verantwoordelijkheid is van [gedaagde] om te onderbouwen dat zijn gezondheid het niet toelaat om de zitting bij te wonen en niet de verantwoordelijkheid van de kantonrechter.
in conventie en in reconventie
De overeenkomst is gesloten met [eiser] , dus [eiser] is ontvankelijk
3.2
[gedaagde] vindt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de overeenkomst niet met [eiser] zou zijn gesloten, maar met de partner van [eiser] . De overeenkomst en factuur staan namelijk op naam van de partner van [eiser] . De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet en legt dat hierna uit.
3.3
Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van wat partijen tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
3.4
[eiser] heeft toegelicht dat de enige reden dat de naam van zijn partner op de overeenkomst en factuur staat, is omdat zij voornamelijk in de auto zou gaan rijden. Dit is door [gedaagde] niet weersproken. Bovendien heeft [gedaagde] [eiser] (en niet zijn partner) op straat benaderd terwijl [eiser] foto’s aan het maken was van zijn auto. Verder heeft alle communicatie vervolgens plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [eiser] (appen en bellen) en heeft [eiser] het geld voor de aankoop van de auto naar [gedaagde] overgemaakt. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat, gelet op de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] en [eiser] , de overeenkomst is gesloten tussen [gedaagde] en [eiser] en [eiser] dus ontvankelijk is in zijn vordering.
De overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is ontbonden
3.5
[eiser] stelt dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst en dat hij daarom de overeenkomst op 4 juni 2025 mocht ontbinden (en heeft ontbonden). [gedaagde] vindt echter dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en vindt dat híj ( [gedaagde] ) daarom de overeenkomst op 4 juni 2025 (dezelfde datum) heeft ontbonden. Omdat partijen het erover eens zijn dat de overeenkomst op 4 juni 2025 is ontbonden, komt dat vast te staan.
Er ontstaan ongedaanmakingsverplichtingen
3.6
Door ontbinding van de overeenkomst ontstaat de verplichting voor partijen tot ongedaanmaking van de al door hen ontvangen prestaties. Dat betekent dat [gedaagde] de aanbetaling van € 20.000,00 moet terugbetalen aan [eiser] . Omdat [eiser] nog geen prestatie van [gedaagde] heeft ontvangen (namelijk levering van de auto), hoeft [eiser] ook niets ongedaan te maken (een auto die nog niet is geleverd, kan ook niet teruggegeven worden).
De schadevordering van [gedaagde] wordt afgewezen
3.7
[gedaagde] stelt dat hij € 25.000,00 schade heeft geleden. Hij stelt dat hij auto’s heeft aangekocht en met verlies heeft moeten verkopen en dat hij reputatieschade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [eiser] . Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij reiskosten heeft gemaakt die [eiser] niet heeft vergoed. [eiser] heeft al deze schadeposten betwist. Tegenover deze betwisting had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stelling dat hij schade heeft geleden, bijvoorbeeld aan de hand van schriftelijke stukken, verder te onderbouwen. [gedaagde] heeft echter niets overgelegd waaruit zijn schade blijkt. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [gedaagde] geen schade heeft geleden en wijst de vordering van [gedaagde] af.
Het beroep op verrekening slaagt niet en [gedaagde] moet € 20.000,00 terugbetalen
3.8
Omdat [gedaagde] geen vordering heeft, kan hij zich niet op verrekening beroepen. Dat betekent dat [gedaagde] het bedrag van € 20.000,00 aan [eiser] moet terugbetalen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
3.9
[eiser] vordert de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de terug te betalen aanbetaling. De ingangsdatum van de wettelijke rente is, ook in het geval van een ongedaanmakingsverplichting wegens de ontbinding van een overeenkomst, het moment waarop de schuldenaar met de nakoming van deze verbintenis in verzuim is geraakt.
3.10
[eiser] heeft op 4 juni 2025 (de dag van ontbinding) aan [gedaagde] verzocht om binnen één week na dagtekening van de brief het bedrag van bedrag van € 20.000,00 aan hem over te maken. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, is hij vanaf 12 juni 2025 in verzuim en zou de wettelijke rente daarom vanaf 12 juni 2025 kunnen worden toegewezen. Omdat [eiser] de wettelijke rente vordert vanaf 18 juni 2025, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 18 juni 2025.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.11
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 975,00, zoals gevorderd, worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.12
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dit betekent dat hij zijn eigen kosten moet dragen en de proceskosten van [eiser] aan hem moet betalen. De proceskosten van [eiser] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,71
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
Totaal
€
2.035,71
3.13
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen en stellingen in conventie en in reconventie zullen de kosten in reconventie gehalveerd worden. De proceskosten van [eiser] in reconventie worden begroot op € 577,00 (2 punten x factor 0,5 x € 577,00).
3.14
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.15
Tot de proceskosten horen ook de nakosten (kosten die na het vonnis ontstaan). Die kosten worden vastgesteld op € 144,00 aan salaris gemachtigde. Als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna moet worden betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van de betekening aan [eiser] betalen.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.16
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 975,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.035,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.4
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.5
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.6
veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van € 144,00. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij ook de kosten van betekening betalen;
4.7
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.8
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1, 4.2, 4.3, 4.5, 4.6 en 4.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615.
Zie punt 30 van de dagvaarding en artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Zie punt 17 van de conclusie van antwoord.
Artikel 6:271 BW.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1490.