Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5799
2026-08-12
Civiel recht
C/16/614227 / HL ZA 26-185
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verstekvonnis.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.321 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/614227 / HL ZA 26-185
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser]
advocaat: mr. W.M. van Agt,
tegen
[gedaagde] BV,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 juni 2026 met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2
Ten slotte is bepaald dat er vonnis wordt gewezen.
2De beoordeling
Relatieve bevoegdheid
2.1
De zaak betreft een overeenkomst tussen een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf ( [gedaagde] ) en een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf ( [eiser] ). Dat is een consumentenovereenkomst (artikel 101 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verder: Rv). In dat geval moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij relatief bevoegd is (artikel 110 lid 1 Rv).
2.2
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, is bevoegd om de zaak te behandelen. Uitgangspunt is dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is om de zaak te behandelen (artikel 99 lid 1 Rv). Gedaagde is een rechtspersoon. Daarvoor geldt dat de woonplaats de plek is waar zij haar zetel heeft. Dat is voor [gedaagde] [plaats 2] . De rechter van de woonplaats van de consument is ook bevoegd om het geschil te behandelen (artikel 101 Rv). [eiser] woont in [plaats 1] . [plaats 1] en [plaats 2] liggen beide binnen het arrondissement van de rechtbank Midden-Nederland.
De vorderingen van [eiser] worden toegewezen
2.3
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.4
De vorderingen komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen als volgt worden toegewezen. De dwangsommen worden gemaximeerd tot € 5.000,-.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.5
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,02
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
836,00
(1 punt × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.594,02
3De beslissing
De rechtbank
3.1
verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door niet goed en deugdelijk werk te leveren en de overeengekomen opleverdocumentatie niet te verstrekken,
3.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 26.889,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
3.3
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de volledige opleverdocumentatie (waaronder in ieder geval de revisietekeningen inclusief schema’s van de verdeelkasten, vermogensberekening, blokschema’s etc.) aan [eiser] te verstrekken, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,-,
3.4
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de domoticaprogrammering aan [eiser] te verstrekken, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,-,
3.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de deskundigenkosten van € 10.760,41, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 17 maart 2026,
3.6
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.594,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente, plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.7
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/614227 / HL ZA 26-185
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser]
advocaat: mr. W.M. van Agt,
tegen
[gedaagde] BV,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 juni 2026 met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2
Ten slotte is bepaald dat er vonnis wordt gewezen.
2De beoordeling
Relatieve bevoegdheid
2.1
De zaak betreft een overeenkomst tussen een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf ( [gedaagde] ) en een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf ( [eiser] ). Dat is een consumentenovereenkomst (artikel 101 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verder: Rv). In dat geval moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij relatief bevoegd is (artikel 110 lid 1 Rv).
2.2
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, is bevoegd om de zaak te behandelen. Uitgangspunt is dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is om de zaak te behandelen (artikel 99 lid 1 Rv). Gedaagde is een rechtspersoon. Daarvoor geldt dat de woonplaats de plek is waar zij haar zetel heeft. Dat is voor [gedaagde] [plaats 2] . De rechter van de woonplaats van de consument is ook bevoegd om het geschil te behandelen (artikel 101 Rv). [eiser] woont in [plaats 1] . [plaats 1] en [plaats 2] liggen beide binnen het arrondissement van de rechtbank Midden-Nederland.
De vorderingen van [eiser] worden toegewezen
2.3
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.4
De vorderingen komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen als volgt worden toegewezen. De dwangsommen worden gemaximeerd tot € 5.000,-.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.5
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,02
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
836,00
(1 punt × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.594,02
3De beslissing
De rechtbank
3.1
verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door niet goed en deugdelijk werk te leveren en de overeengekomen opleverdocumentatie niet te verstrekken,
3.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 26.889,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
3.3
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de volledige opleverdocumentatie (waaronder in ieder geval de revisietekeningen inclusief schema’s van de verdeelkasten, vermogensberekening, blokschema’s etc.) aan [eiser] te verstrekken, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,-,
3.4
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de domoticaprogrammering aan [eiser] te verstrekken, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,-,
3.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de deskundigenkosten van € 10.760,41, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf 17 maart 2026,
3.6
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.594,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente, plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.7
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.