Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5795

2026-08-12 Civiel recht C/16/611611 / HA ZA 26-244
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-23
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/611611 / HA ZA 26-244
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

incident vrijwaring

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.380 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: C/16/611611 / HA ZA 26-244




Vonnis in incident van 12 augustus 2026




in de zaak van





[partij 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij 1] ,
advocaat: mr. E.J.C. de Jong,



tegen




STICHTING KWALITEITSREGISTER JEUGD,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: SKJ,
advocaat: mr. A.E. Goossens.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord met een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring
- de conclusie van antwoord in het incident.



1.2
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.





2De kern van de zaak


2.1

[partij 1] stond geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd, dat door SKJ wordt beheerd. De registratie van [partij 1] volgde op een door hem afgelegd EVC-traject. SKJ heeft de registratie van [partij 1] beëindigd. Daar is [partij 1] het niet mee eens. In de hoofdzaak vordert [partij 1] een verklaring voor recht dat SKJ een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden en gehouden is de schade die [partij 1] daardoor heeft geleden en nog zal lijden te vergoeden. Daarnaast wil [partij 1] dat zijn registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd wordt hersteld.





3De beoordeling in het incident


3.1
SKJ vordert in het incident toestemming om EVC Academie B.V. (hierna: ‘EVC Academie’) in vrijwaring te mogen oproepen. SKJ legt hieraan ten grondslag dat, mocht de rechtbank onverhoopt oordelen dat SKJ de registratie van [partij 1] ten onrechte heeft doorgehaald en daarvoor of anderszins aansprakelijk is, verhaal zal worden gezocht bij EVC Academie op grond van een onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 6:162 BW. Volgens SKJ was EVC Academie verantwoordelijk voor de deugdelijke uitvoering van het EVC-traject van [partij 1] .



3.2

[partij 1] heeft zich enerzijds gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar maakt in zijn antwoordconclusie in het incident wel – door hem als zodanig aangeduide – opmerkingen waaruit blijkt dat hij van mening is dat de vordering moet worden afgewezen. Er is daarom geen sprake van een zuivere referte maar van een inhoudelijk verweer dat de rechtbank hierna bespreekt.



3.3

[partij 1] merkt op dat SKJ het vrijwaringsincident aan het eind van de conclusie van antwoord in de hoofdzaak heeft opgeworpen. De wet schrijft voor dat een vrijwaringsincident vóór alle weren moet worden opgeworpen (artikel 210 lid 1 Rv). Het combineren van de incidentele conclusie met de conclusie van antwoord is wel toegestaan, maar dan dient de incidentele conclusie vooropgesteld te worden. SKJ had dat, voor de zekerheid, dus ook moeten doen vindt [partij 1] . Die opvatting is niet juist. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1361, NJ 1994, 488, r.o. 3.4. waarin ten aanzien van een bevoegdheidsincident is beslist, dat ook als een incident na het verweer ten gronde in hetzelfde processtuk wordt aangevoerd, het incident moet worden beoordeeld.



3.4
Daarnaast merkt [partij 1] op dat volgens hem niet valt in te zien hoe het door hem gestelde onzorgvuldige onderzoek door SKJ zou kunnen worden gerelateerd aan een onrechtmatige daad van EVC Academie jegens SKJ. Ook benoemt [partij 1] het relativiteitsvereiste bij een onrechtmatige daad, waardoor volgens [partij 1] allerminst aannemelijk is dat EVC Academie jegens SKJ onrechtmatig zou hebben gehandeld. Deze opmerkingen leiden niet tot een afwijzing van het vrijwaringsincident. Of sprake is van een onrechtmatige daad of niet, is geen kwestie tussen de partijen in de hoofdzaak, maar tussen de partijen in de te starten vrijwaringszaak.



3.5
Tot slot merkt [partij 1] op dat door het vrijwaringsincident de procedure onnodig wordt vertraagd. Ook dit leidt niet tot een ander oordeel. Elk incident leidt tot vertraging en [partij 1] onderbouwt niet waarom de vertraging in de hoofdzaak zodanig is dat deze als onnodig moet worden aangemerkt. Als de hoofdzaak onredelijke vertraging oploopt, kan om splitsing van de hoofd- en vrijwaringszaak worden verzocht.



3.6
De conclusie is dan ook dat de vordering tot oproeping in vrijwaring zal worden toegewezen.



3.7
De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten aanhouden, totdat op de vorderingen in de hoofdzaak zal worden beslist.





4De beslissing


De rechtbank



4.1
staat toe dat EVC Academie door SKJ wordt gedagvaard tegen de rolzitting van woensdag 9 september 2026 om 10:00 uur,



4.2
verwijst de hoofdzaak naar de rol van 26 augustus 2026 voor beraad over het vervolg van de procedure,



4.3
houdt iedere verdere beslissing aan.









Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.















































SB5790