Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5734
2026-07-17
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 25/6697
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het zorgkantoor mocht het pgb beëindigen en de zorg omzetten naar ZIN. Het zorgkantoor mocht daarbij uitgaan van de aanvraag zoals eisers mentor, die (wettelijk) bevoegd is, die heeft gedaan. De zorgplicht van het zorgkantoor reikt niet zo ver dat zij had moeten onderzoeken of het (ook) de wens van eiser was om het pgb stop te zetten en over te stappen naar ZIN. Het conflict tussen eiser en zijn familie en de bewindvoerder/mentor leidt niet tot het oordeel dat het zorgkantoor – in strijd met de wet – het pgb (ambtshalve) had moeten laten voortduren of (opnieuw) had moeten toekennen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.304 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6697
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[bewindvoerder] B.V., in de hoedanigheid van bewindvoerder van [eiser], eiser
(gemachtigde: mr. R. Kaya),
en
Zilveren Kruis Zorgkantoor, het zorgkantoor,
(gemachtigde: mr. T. Olaniyi).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het zorgkantoor waarbij eisers persoonsgebonden budget (pgb) is beëindigd en omgezet in zorg in natura (ZIN). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het zorgkantoor.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het zorgkantoor het pgb heeft mogen beëindigen en de zorg heeft mogen omzetten naar ZIN. Het zorgkantoor mocht daarbij uitgaan van de aanvraag zoals eisers mentor, die (wettelijk) bevoegd is namens eiser te handelen, die heeft gedaan. De zorgplicht van het zorgkantoor reikt niet zo ver dat zij had moeten onderzoeken of het (ook) de wens van eiser was om het pgb stop te zetten en over te stappen naar ZIN. Het conflict tussen eiser en zijn familie en de bewindvoerder/mentor leidt niet tot het oordeel dat het zorgkantoor – in strijd met de wet – het pgb (ambtshalve) had moeten laten voortduren of (opnieuw) had moeten toekennen.
1.2.
Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding en procesverloop
2. Eiser heeft sinds jaren een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), voor zorgprofiel LG06 voor ‘Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging’. Hij ontving de zorg in de vorm van een pgb. Eisers broer en zus leverden de zorg op basis van dit pgb. In 2024 bedroeg dit pgb € 81.000,-.
2.1.
Op verzoek van eisers bewindvoerder [bewindvoerder] (bewindvoerder) heeft de rechtbank Midden-Nederland op 9 september 2024 [bedrijf 1] B.V. benoemd als mentor. Eisers mentor is mevrouw [A] (mentor).
2.2.
Op 28 november 2024 heeft eisers mentor het ‘Omzettingsformulier Zorg Wlz’ ondertekend en aangegeven dat zij vanaf 15 december 2024 het pgb wil omzetten naar ZIN die zal worden verleend door [bedrijf 2] .
2.3.
Met het besluit van 6 januari 2025 heeft het zorgkantoor besloten het pgb te beëindigen. Eiser krijgt vanaf 15 december 2024 de zorg volledig via ZIN.
2.4.
Eiser maakt (zonder gemachtigde) op 14 januari 2025 bezwaar tegen de beëindiging van zijn pgb. Op 6 februari 2025 dient eisers gemachtigde namens eiser bezwaar in.
2.5.
Met het besluit van 24 oktober 2025 heeft het zorgkantoor eisers bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het zorgkantoor.
2.7.
De rechtbank heeft het onderzoek op 29 april 2026 heropend.
2.8.
Op 16 juni 2026 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Daarbij waren eiser en zijn gemachtigde aanwezig en namens het zorgkantoor mr. S. Gezer. Als informanten waren aanwezig: de bewindvoerder, de mentor en [B] (wijkverpleegkundige) en [C] (manager), allebei werkzaam bij [bedrijf 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?
3. Het zorgkantoor stelt zich in het verweerschrift – primair – op het standpunt dat het de vraag is of er sprake is van procesbelang.
4. De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft. Het besluit van 6 januari 2025 waarbij het pgb is omgezet naar ZIN heeft als rechtsgevolg dat eiser niet langer een pgb ontvangt maar ZIN. Eiser heeft er belang bij om deze wijziging in zijn rechtspositie bij de bestuursrechter aan de orde te kunnen stellen. Eisers bewindvoerder heeft toestemming gegeven voor het voeren deze beroepsprocedure om verdere discussies met eiser (en zijn familie) te voorkomen.
Heeft het zorgkantoor terecht het pgb beëindigd en omgezet naar ZIN?
Wat speelt er (op de achtergrond) in deze zaak?
4.1.
Uit de stukken in het dossier en de toelichting op de zittingen op 9 april 2026 en 16 juni 2026 blijkt dat eiser en zijn familieleden het er niet mee eens zijn dat de mentor het pgb heeft laten omzetten in ZIN. Zij wisten überhaupt niet dat de bewindvoerder mentorschap had aangevraagd en volgens hen was dit bovendien niet nodig. De door eisers broer en zus geleverde zorg aan eiser verliep naar tevredenheid. De mentor heeft zonder overleg het pgb laten omzetten en eiser voelt zich hierdoor monddood gemaakt. Eiser wil graag de oude situatie herstellen. Eisers familieleden zijn ontevreden over de kwaliteit en kwantiteit van de zorg zoals die nu wordt geleverd. [bedrijf 2] komt maar 4,3 uur per week terwijl eisers broer en zus op basis van het pgb elk 32 uur per week zorg verleenden. Eiser kan niet communiceren met de huidige zorgverleners en zij begrijpen zijn wensen en behoeftes niet. De zorg is onvoldoende en eisers familieleden leveren nog steeds (onbetaald) veel extra zorg.
5. De rechtbank heeft tijdens de zitting op 9 april 2026 gevraagd hoe het kan dat sinds de zorg in natura wordt geleverd er slechts 4,3 uur per week zorg wordt geleverd. Dit terwijl door eisers broer en zus 64 uur per week zorg werd verleend (betaald uit het pgb). Het zorgkantoor kon desgevraagd geen informatie geven over of het resterende budget behorend bij de Wlz-indicatie wordt besteed en zo ja aan welke zorg. Omdat de bewindvoerder en de mentor niet voor de eerste zitting waren uitgenodigd heeft de rechtbank geen inzicht kunnen krijgen in de beweegredenen van de bewindvoerder en/of mentor om het pgb te laten omzetten in ZIN. Daarnaast bleef er dus onduidelijkheid bestaan over de zorg die eiser ontvangt en of het resterende budget behorend bij de Wlz-indicatie aan zorg (in natura) wordt besteed. Om hierover meer duidelijkheid te krijgen heeft de rechtbank – na sluiting van het onderzoek – het onderzoek heropend. De rechtbank heeft een tweede zitting gepland waarbij de bewindvoerder, mentor en de medewerkers van [bedrijf 2] zijn uitgenodigd als informant.
6. Tijdens deze zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat zij aanwezig was bij een huisbezoek van het zorgkantoor bij eiser. Zij heeft daarna op advies van het zorgkantoor een mentor laten benoemen omdat er signalen waren over de zorg voor eiser en dat er te weinig toezicht was op die zorg. De mentor heeft verklaard dat bleek dat eisers zorgvraag dermate omvangrijk en complex was dat de zorg volgens haar niet (langer) ingevuld kon worden door niet-professionele zorgverleners. Verder bestonden er twijfels over kwaliteit van de geleverde zorg. Zij heeft verder verklaard niet te kunnen zeggen of er daadwerkelijk per week 64 uur zorg door de familie werd geleverd.
7. De mentor heeft verder toegelicht dat zij elke paar weken met alle disciplines en instanties overleg heeft over hoe de zorgverlening aan eiser verloopt en of er voldoende zorg wordt verleend. De zorg wordt ingezet naar behoefte én naar de mogelijkheden die er zijn binnen de indicatie. De indicatie wordt volgens de mentor op dit moment vrijwel volledig besteed aan zorg. [bedrijf 2] komt twee keer per dag ongeveer 20 minuten per keer, voor onder andere eisers medicatie. Verder heeft [bedrijf 2] tijd beschikbaar voor afstemming. Ook is er een organisatie ingezet [bedrijf 3] ) die drie keer per week (totaal 9 uur per week) komt voor hulp bij het huishouden (schoonmaken en koken) en persoonlijke begeleiding. [bedrijf 4] komt een aantal uur per week afhankelijk van hoe het met eiser gaat. Volgens de bewindvoerder, de mentor en de wijkverpleegkundige krijgt eiser op dit moment voldoende zorg.
8. Tijdens deze twee zittingen is de rechtbank voldoende geïnformeerd over enerzijds de beweegredenen van de bewindvoerder/mentor om het pgb door het zorgkantoor te laten omzetten in ZIN en anderzijds de redenen waarom eiser in beroep is gegaan tegen het besluit van het zorgkantoor. Daarbij heeft de rechtbank tijdens deze zittingen voldoende inzicht gekregen in de zorg zoals die wordt geleverd door [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen in deze zaak.
9. De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld of het besluit van het zorgkantoor waarbij het pgb is beëindigd en is omgezet naar ZIN, rechtmatig is.
Wat zijn de standpunten van eiser en het zorgkantoor?
10. Eiser heeft – samengevat – aangevoerd dat het zorgkantoor een zorgplicht ten opzichte van hem heeft. Volgens eiser mocht het zorgkantoor niet zonder overleg met eiser en zijn zorgverleners de zorg van pgb naar ZIN wijzigen. Eiser was er niet mee bekend dat de bewindvoerder mentorschap had aangevraagd en eiser en zijn familie vonden dit niet nodig. Het omzetten van het pgb naar ZIN is zonder overleg gegaan. De zorg is volgens eiser niet naar wens en niet conform eisers zorgbehoefte. Eiser wil graag de oude situatie herstellen.
10.1.
Het zorgkantoor stelt zich – samengevat – op het standpunt dat eiser de
Wlz-systematiek en de rol van het zorgkantoor miskent. Het zorgkantoor heeft als
Wlz-uitvoerder een zorgplicht die inhoudt dat zij informatie geeft over de leveringsvormen van de zorg en de voorwaarden waaronder een pgb mogelijk is. Als een pgb is verleend heeft het zorgkantoor de zorgplicht om dit pgb binnen een redelijke termijn beschikbaar te stellen. Verder heeft het zorgkantoor als taak om er voor te zorgen dat de door de verzekerde gewenste zorg binnen een redelijke termijn en redelijke afstand beschikbaar is.
Het zorgkantoor heeft niet tot taak om voor verzekerden te bepalen welke financieringsvorm passend is en al helemaal niet om ambtshalve een pgb toe te kennen. Het zorgkantoor heeft niet de bevoegdheid om als een verzekerde of diens wettelijk vertegenwoordiger aangeeft het pgb te willen beëindigen, het pgb (ambtshalve) te laten voortduren. Daarbij is van belang dat artikel 5.20, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) dwingendrechtelijk van aard is. Er was volgens het zorgkantoor geen aanleiding om in strijd met deze bepaling (contra-legem) het pgb voort te zetten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
11. De rechtbank oordeelt dat het zorgkantoor het pgb terecht heeft beëindigd en de zorg heeft omgezet naar ZIN. Het zorgkantoor mocht daarbij uitgaan van de aanvraag zoals eisers mentor, die (wettelijk) bevoegd is namens eiser te handelen, die heeft gedaan. Anders dan eiser stelt reikt de zorgplicht van het zorgkantoor niet zo ver dat zij had moeten onderzoeken of het (ook) de wens van eiser was om het pgb stop te zetten en over te stappen naar ZIN. Het zorgkantoor kan en mag ervan uitgaan dat het instellen van een wettelijk vertegenwoordiger door de rechtbank in het belang van eiser is en kan deze beslissing van de rechtbank niet negeren, corrigeren of vervangen. Het zorgkantoor heeft gemotiveerd toegelicht dat zij niet de taak heeft om voor verzekerden te bepalen welke financieringsvorm passend is en dat zij ook geen financieringsvorm kan opleggen. Het zorgkantoor kan dus alleen de wens van verzekerden om op een bepaalde manier de zorg in te regelen goedkeuren of afwijzen.
12. Verder stelt het zorgkantoor terecht dat zij niet de bevoegdheid heeft om (als een (verzekerde of diens) wettelijk vertegenwoordiger aangeeft het pgb te willen beëindigen), het pgb (ambtshalve) te laten voortduren. De grondslag van het primaire besluit waarbij het pgb is stopgezet is artikel 5.20, eerste lid, aanhef en onder c van de Rlz. Hierin staat dat het zorgkantoor een verleningsbeschikking wijzigt of intrekt met ingang van de dag vanaf welke de verzekerde schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het pgb.
13. Deze bepaling is een dwingendrechtelijke bepaling en hieruit volgt dat het zorgkantoor niet de bevoegdheid heeft om (ambtshalve) een pgb toe te kennen. De bepaling laat geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan er aanleiding bestaan om tegen de wet in te gaan (contra-legem). Dan moeten er zeer bijzondere omstandigheden zijn waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden en die maken dat toepassing van de wettelijke regels zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht dat de regels daarom niet moeten worden toegepast.
14. Dat soort zeer bijzondere omstandigheden zijn er in dit geval niet. Het conflict tussen eiser en zijn wettelijk vertegenwoordigers is geen bijzondere omstandigheid waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden. Zoals het zorgkantoor terecht heeft opmerkt is het in principe aan verzekerden (en hun wettelijk vertegenwoordiger(s)) om de keuze (voor een pgb of ZIN) eenduidig kenbaar te maken richting het zorgkantoor. Daar schort het in dit geval aan vanwege een verschil van inzicht over de financieringsvorm en de passendheid van de zorg tussen eiser en zijn familie enerzijds en de bewindvoerder/mentor anderzijds. De juiste weg om het handelen of nalaten van wettelijk vertegenwoordigers ter discussie te stellen is via een klacht (of verzoekschrift) bij de betreffende rechtbank. De rechtbank stelt vast dat eiser dit inmiddels heeft gedaan; op 17 april 2026 heeft eisers gemachtigde een verzoekschrift ingediend tot ontslag van de huidige bewindvoerder en mentor met het verzoek om een nieuwe bewindvoerder te benoemen. Het conflict tussen eiser en zijn familie en de bewindvoerder/mentor is voor alle partijen vervelend en belastend, maar leidt niet tot het oordeel dat het zorgkantoor – in strijd met de wet – het pgb (ambtshalve) had moeten laten voortduren of (opnieuw) had moeten toekennen.
15. In wat eisers familieleden verder hebben verklaard over de kwaliteit en kwantiteit van de aan eiser verleende zorg heeft het zorgkantoor evenmin aanleiding hoeven zien om in strijd met de wet (contra-legem) het pgb (ambtshalve) voort te zetten. Daarbij is van belang dat het zorgkantoor tijdens de bezwaarprocedure contact heeft gehad met de bewindvoerder en mentor waarbij zij hebben aangegeven tevreden te zijn met de huidige zorgverlening en niet zullen tekenen voor omzetting naar een pgb. Tijdens de zitting op 16 juni 2026 hebben zij bevestigd dat de zorg die wordt geleverd door [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] voldoende is en dat er meer zorg wordt ingezet als dat nodig is. Verder hebben de bewindvoerder en de mentor tijdens deze zitting duidelijk kunnen uitleggen wat de aanleiding was om bij het zorgkantoor de aanvraag te doen om het pgb te beëindigen en om te zetten naar ZIN. Het zorgkantoor heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat zij geen aanleiding ziet om aan te nemen dat de bewindvoerder en mentor onvoldoende zorg dragen voor het inkopen van verantwoorde en doelmatige zorg.
Conclusie en gevolgen
16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de zorgplicht van het zorgkantoor niet zo ver strekt dat zij tegen de wens van de verzekerde, dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger, in dient te gaan wanneer naar haar inzicht een bepaalde financieringsvorm passender is. Ook heeft het zorgkantoor niet de bevoegdheid hiertoe en gaat zij tegen dwingend recht in wanneer zij een dergelijk besluit zou nemen. Het zorgkantoor heeft geen aanleiding hoeven zien om zo’n contra-legem besluit te nemen. Het zorgkantoor heeft het pgb terecht beëindigd en de zorg omgezet naar ZIN. Het beroep is dan ook ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 4.2.1, eerste lid en tweede lid, van de Wlz.
ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, ro. 9.11.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6697
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[bewindvoerder] B.V., in de hoedanigheid van bewindvoerder van [eiser], eiser
(gemachtigde: mr. R. Kaya),
en
Zilveren Kruis Zorgkantoor, het zorgkantoor,
(gemachtigde: mr. T. Olaniyi).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het zorgkantoor waarbij eisers persoonsgebonden budget (pgb) is beëindigd en omgezet in zorg in natura (ZIN). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het zorgkantoor.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het zorgkantoor het pgb heeft mogen beëindigen en de zorg heeft mogen omzetten naar ZIN. Het zorgkantoor mocht daarbij uitgaan van de aanvraag zoals eisers mentor, die (wettelijk) bevoegd is namens eiser te handelen, die heeft gedaan. De zorgplicht van het zorgkantoor reikt niet zo ver dat zij had moeten onderzoeken of het (ook) de wens van eiser was om het pgb stop te zetten en over te stappen naar ZIN. Het conflict tussen eiser en zijn familie en de bewindvoerder/mentor leidt niet tot het oordeel dat het zorgkantoor – in strijd met de wet – het pgb (ambtshalve) had moeten laten voortduren of (opnieuw) had moeten toekennen.
1.2.
Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding en procesverloop
2. Eiser heeft sinds jaren een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), voor zorgprofiel LG06 voor ‘Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging’. Hij ontving de zorg in de vorm van een pgb. Eisers broer en zus leverden de zorg op basis van dit pgb. In 2024 bedroeg dit pgb € 81.000,-.
2.1.
Op verzoek van eisers bewindvoerder [bewindvoerder] (bewindvoerder) heeft de rechtbank Midden-Nederland op 9 september 2024 [bedrijf 1] B.V. benoemd als mentor. Eisers mentor is mevrouw [A] (mentor).
2.2.
Op 28 november 2024 heeft eisers mentor het ‘Omzettingsformulier Zorg Wlz’ ondertekend en aangegeven dat zij vanaf 15 december 2024 het pgb wil omzetten naar ZIN die zal worden verleend door [bedrijf 2] .
2.3.
Met het besluit van 6 januari 2025 heeft het zorgkantoor besloten het pgb te beëindigen. Eiser krijgt vanaf 15 december 2024 de zorg volledig via ZIN.
2.4.
Eiser maakt (zonder gemachtigde) op 14 januari 2025 bezwaar tegen de beëindiging van zijn pgb. Op 6 februari 2025 dient eisers gemachtigde namens eiser bezwaar in.
2.5.
Met het besluit van 24 oktober 2025 heeft het zorgkantoor eisers bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het zorgkantoor.
2.7.
De rechtbank heeft het onderzoek op 29 april 2026 heropend.
2.8.
Op 16 juni 2026 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Daarbij waren eiser en zijn gemachtigde aanwezig en namens het zorgkantoor mr. S. Gezer. Als informanten waren aanwezig: de bewindvoerder, de mentor en [B] (wijkverpleegkundige) en [C] (manager), allebei werkzaam bij [bedrijf 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?
3. Het zorgkantoor stelt zich in het verweerschrift – primair – op het standpunt dat het de vraag is of er sprake is van procesbelang.
4. De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft. Het besluit van 6 januari 2025 waarbij het pgb is omgezet naar ZIN heeft als rechtsgevolg dat eiser niet langer een pgb ontvangt maar ZIN. Eiser heeft er belang bij om deze wijziging in zijn rechtspositie bij de bestuursrechter aan de orde te kunnen stellen. Eisers bewindvoerder heeft toestemming gegeven voor het voeren deze beroepsprocedure om verdere discussies met eiser (en zijn familie) te voorkomen.
Heeft het zorgkantoor terecht het pgb beëindigd en omgezet naar ZIN?
Wat speelt er (op de achtergrond) in deze zaak?
4.1.
Uit de stukken in het dossier en de toelichting op de zittingen op 9 april 2026 en 16 juni 2026 blijkt dat eiser en zijn familieleden het er niet mee eens zijn dat de mentor het pgb heeft laten omzetten in ZIN. Zij wisten überhaupt niet dat de bewindvoerder mentorschap had aangevraagd en volgens hen was dit bovendien niet nodig. De door eisers broer en zus geleverde zorg aan eiser verliep naar tevredenheid. De mentor heeft zonder overleg het pgb laten omzetten en eiser voelt zich hierdoor monddood gemaakt. Eiser wil graag de oude situatie herstellen. Eisers familieleden zijn ontevreden over de kwaliteit en kwantiteit van de zorg zoals die nu wordt geleverd. [bedrijf 2] komt maar 4,3 uur per week terwijl eisers broer en zus op basis van het pgb elk 32 uur per week zorg verleenden. Eiser kan niet communiceren met de huidige zorgverleners en zij begrijpen zijn wensen en behoeftes niet. De zorg is onvoldoende en eisers familieleden leveren nog steeds (onbetaald) veel extra zorg.
5. De rechtbank heeft tijdens de zitting op 9 april 2026 gevraagd hoe het kan dat sinds de zorg in natura wordt geleverd er slechts 4,3 uur per week zorg wordt geleverd. Dit terwijl door eisers broer en zus 64 uur per week zorg werd verleend (betaald uit het pgb). Het zorgkantoor kon desgevraagd geen informatie geven over of het resterende budget behorend bij de Wlz-indicatie wordt besteed en zo ja aan welke zorg. Omdat de bewindvoerder en de mentor niet voor de eerste zitting waren uitgenodigd heeft de rechtbank geen inzicht kunnen krijgen in de beweegredenen van de bewindvoerder en/of mentor om het pgb te laten omzetten in ZIN. Daarnaast bleef er dus onduidelijkheid bestaan over de zorg die eiser ontvangt en of het resterende budget behorend bij de Wlz-indicatie aan zorg (in natura) wordt besteed. Om hierover meer duidelijkheid te krijgen heeft de rechtbank – na sluiting van het onderzoek – het onderzoek heropend. De rechtbank heeft een tweede zitting gepland waarbij de bewindvoerder, mentor en de medewerkers van [bedrijf 2] zijn uitgenodigd als informant.
6. Tijdens deze zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat zij aanwezig was bij een huisbezoek van het zorgkantoor bij eiser. Zij heeft daarna op advies van het zorgkantoor een mentor laten benoemen omdat er signalen waren over de zorg voor eiser en dat er te weinig toezicht was op die zorg. De mentor heeft verklaard dat bleek dat eisers zorgvraag dermate omvangrijk en complex was dat de zorg volgens haar niet (langer) ingevuld kon worden door niet-professionele zorgverleners. Verder bestonden er twijfels over kwaliteit van de geleverde zorg. Zij heeft verder verklaard niet te kunnen zeggen of er daadwerkelijk per week 64 uur zorg door de familie werd geleverd.
7. De mentor heeft verder toegelicht dat zij elke paar weken met alle disciplines en instanties overleg heeft over hoe de zorgverlening aan eiser verloopt en of er voldoende zorg wordt verleend. De zorg wordt ingezet naar behoefte én naar de mogelijkheden die er zijn binnen de indicatie. De indicatie wordt volgens de mentor op dit moment vrijwel volledig besteed aan zorg. [bedrijf 2] komt twee keer per dag ongeveer 20 minuten per keer, voor onder andere eisers medicatie. Verder heeft [bedrijf 2] tijd beschikbaar voor afstemming. Ook is er een organisatie ingezet [bedrijf 3] ) die drie keer per week (totaal 9 uur per week) komt voor hulp bij het huishouden (schoonmaken en koken) en persoonlijke begeleiding. [bedrijf 4] komt een aantal uur per week afhankelijk van hoe het met eiser gaat. Volgens de bewindvoerder, de mentor en de wijkverpleegkundige krijgt eiser op dit moment voldoende zorg.
8. Tijdens deze twee zittingen is de rechtbank voldoende geïnformeerd over enerzijds de beweegredenen van de bewindvoerder/mentor om het pgb door het zorgkantoor te laten omzetten in ZIN en anderzijds de redenen waarom eiser in beroep is gegaan tegen het besluit van het zorgkantoor. Daarbij heeft de rechtbank tijdens deze zittingen voldoende inzicht gekregen in de zorg zoals die wordt geleverd door [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen in deze zaak.
9. De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld of het besluit van het zorgkantoor waarbij het pgb is beëindigd en is omgezet naar ZIN, rechtmatig is.
Wat zijn de standpunten van eiser en het zorgkantoor?
10. Eiser heeft – samengevat – aangevoerd dat het zorgkantoor een zorgplicht ten opzichte van hem heeft. Volgens eiser mocht het zorgkantoor niet zonder overleg met eiser en zijn zorgverleners de zorg van pgb naar ZIN wijzigen. Eiser was er niet mee bekend dat de bewindvoerder mentorschap had aangevraagd en eiser en zijn familie vonden dit niet nodig. Het omzetten van het pgb naar ZIN is zonder overleg gegaan. De zorg is volgens eiser niet naar wens en niet conform eisers zorgbehoefte. Eiser wil graag de oude situatie herstellen.
10.1.
Het zorgkantoor stelt zich – samengevat – op het standpunt dat eiser de
Wlz-systematiek en de rol van het zorgkantoor miskent. Het zorgkantoor heeft als
Wlz-uitvoerder een zorgplicht die inhoudt dat zij informatie geeft over de leveringsvormen van de zorg en de voorwaarden waaronder een pgb mogelijk is. Als een pgb is verleend heeft het zorgkantoor de zorgplicht om dit pgb binnen een redelijke termijn beschikbaar te stellen. Verder heeft het zorgkantoor als taak om er voor te zorgen dat de door de verzekerde gewenste zorg binnen een redelijke termijn en redelijke afstand beschikbaar is.
Het zorgkantoor heeft niet tot taak om voor verzekerden te bepalen welke financieringsvorm passend is en al helemaal niet om ambtshalve een pgb toe te kennen. Het zorgkantoor heeft niet de bevoegdheid om als een verzekerde of diens wettelijk vertegenwoordiger aangeeft het pgb te willen beëindigen, het pgb (ambtshalve) te laten voortduren. Daarbij is van belang dat artikel 5.20, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) dwingendrechtelijk van aard is. Er was volgens het zorgkantoor geen aanleiding om in strijd met deze bepaling (contra-legem) het pgb voort te zetten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
11. De rechtbank oordeelt dat het zorgkantoor het pgb terecht heeft beëindigd en de zorg heeft omgezet naar ZIN. Het zorgkantoor mocht daarbij uitgaan van de aanvraag zoals eisers mentor, die (wettelijk) bevoegd is namens eiser te handelen, die heeft gedaan. Anders dan eiser stelt reikt de zorgplicht van het zorgkantoor niet zo ver dat zij had moeten onderzoeken of het (ook) de wens van eiser was om het pgb stop te zetten en over te stappen naar ZIN. Het zorgkantoor kan en mag ervan uitgaan dat het instellen van een wettelijk vertegenwoordiger door de rechtbank in het belang van eiser is en kan deze beslissing van de rechtbank niet negeren, corrigeren of vervangen. Het zorgkantoor heeft gemotiveerd toegelicht dat zij niet de taak heeft om voor verzekerden te bepalen welke financieringsvorm passend is en dat zij ook geen financieringsvorm kan opleggen. Het zorgkantoor kan dus alleen de wens van verzekerden om op een bepaalde manier de zorg in te regelen goedkeuren of afwijzen.
12. Verder stelt het zorgkantoor terecht dat zij niet de bevoegdheid heeft om (als een (verzekerde of diens) wettelijk vertegenwoordiger aangeeft het pgb te willen beëindigen), het pgb (ambtshalve) te laten voortduren. De grondslag van het primaire besluit waarbij het pgb is stopgezet is artikel 5.20, eerste lid, aanhef en onder c van de Rlz. Hierin staat dat het zorgkantoor een verleningsbeschikking wijzigt of intrekt met ingang van de dag vanaf welke de verzekerde schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het pgb.
13. Deze bepaling is een dwingendrechtelijke bepaling en hieruit volgt dat het zorgkantoor niet de bevoegdheid heeft om (ambtshalve) een pgb toe te kennen. De bepaling laat geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan er aanleiding bestaan om tegen de wet in te gaan (contra-legem). Dan moeten er zeer bijzondere omstandigheden zijn waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden en die maken dat toepassing van de wettelijke regels zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht dat de regels daarom niet moeten worden toegepast.
14. Dat soort zeer bijzondere omstandigheden zijn er in dit geval niet. Het conflict tussen eiser en zijn wettelijk vertegenwoordigers is geen bijzondere omstandigheid waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden. Zoals het zorgkantoor terecht heeft opmerkt is het in principe aan verzekerden (en hun wettelijk vertegenwoordiger(s)) om de keuze (voor een pgb of ZIN) eenduidig kenbaar te maken richting het zorgkantoor. Daar schort het in dit geval aan vanwege een verschil van inzicht over de financieringsvorm en de passendheid van de zorg tussen eiser en zijn familie enerzijds en de bewindvoerder/mentor anderzijds. De juiste weg om het handelen of nalaten van wettelijk vertegenwoordigers ter discussie te stellen is via een klacht (of verzoekschrift) bij de betreffende rechtbank. De rechtbank stelt vast dat eiser dit inmiddels heeft gedaan; op 17 april 2026 heeft eisers gemachtigde een verzoekschrift ingediend tot ontslag van de huidige bewindvoerder en mentor met het verzoek om een nieuwe bewindvoerder te benoemen. Het conflict tussen eiser en zijn familie en de bewindvoerder/mentor is voor alle partijen vervelend en belastend, maar leidt niet tot het oordeel dat het zorgkantoor – in strijd met de wet – het pgb (ambtshalve) had moeten laten voortduren of (opnieuw) had moeten toekennen.
15. In wat eisers familieleden verder hebben verklaard over de kwaliteit en kwantiteit van de aan eiser verleende zorg heeft het zorgkantoor evenmin aanleiding hoeven zien om in strijd met de wet (contra-legem) het pgb (ambtshalve) voort te zetten. Daarbij is van belang dat het zorgkantoor tijdens de bezwaarprocedure contact heeft gehad met de bewindvoerder en mentor waarbij zij hebben aangegeven tevreden te zijn met de huidige zorgverlening en niet zullen tekenen voor omzetting naar een pgb. Tijdens de zitting op 16 juni 2026 hebben zij bevestigd dat de zorg die wordt geleverd door [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] voldoende is en dat er meer zorg wordt ingezet als dat nodig is. Verder hebben de bewindvoerder en de mentor tijdens deze zitting duidelijk kunnen uitleggen wat de aanleiding was om bij het zorgkantoor de aanvraag te doen om het pgb te beëindigen en om te zetten naar ZIN. Het zorgkantoor heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat zij geen aanleiding ziet om aan te nemen dat de bewindvoerder en mentor onvoldoende zorg dragen voor het inkopen van verantwoorde en doelmatige zorg.
Conclusie en gevolgen
16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de zorgplicht van het zorgkantoor niet zo ver strekt dat zij tegen de wens van de verzekerde, dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger, in dient te gaan wanneer naar haar inzicht een bepaalde financieringsvorm passender is. Ook heeft het zorgkantoor niet de bevoegdheid hiertoe en gaat zij tegen dwingend recht in wanneer zij een dergelijk besluit zou nemen. Het zorgkantoor heeft geen aanleiding hoeven zien om zo’n contra-legem besluit te nemen. Het zorgkantoor heeft het pgb terecht beëindigd en de zorg omgezet naar ZIN. Het beroep is dan ook ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 4.2.1, eerste lid en tweede lid, van de Wlz.
ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, ro. 9.11.