Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5721
2026-08-21
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
UTR 26/1246
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Participatiewet. Het college hoefde eiser niet vrij te stellen van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling.
Citeert (5)
- ECLI:NL:CRVB:2023:2477 Centrale Raad van Beroep 01-12-2023
- ECLI:NL:CRVB:2022:62 Centrale Raad van Beroep 05-01-2022
- ECLI:NL:CRVB:2026:39 Centrale Raad van Beroep 13-01-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:405 Centrale Raad van Beroep 31-03-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:39 Centrale Raad van Beroep 13-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.919 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1246
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college
(gemachtigde: J. de Feijter).
Inleiding
1. Eiser ontvangt sinds 23 november 2021 een bijstandsuitkering om in zijn levensonderhoud te voorzien.
2. Tijdens het diagnosegesprek van 17 februari 2022 heeft eiser meegedeeld dat hij door gezondheidsklachten niet kan werken.
3. Er is een belastbaarheidsonderzoek uitgevoerd door [bedrijf 1] . Er is een tijdelijke urenbeperking aangenomen. Eiser werd in staat geacht 8 uur per week te werken (niet meer dan 2 tot 4 uur per dag) voor een periode van 9 maanden. Hierbij is opgemerkt dat behandeling essentieel is voor het herstel van eiser.
4. Vervolgens is eiser vanuit de uitkering gaan werken bij de [bedrijf 2] groep voor 12 uur per week.
5. Op 2 december 2024 heeft eiser echter meegedeeld dat hij door gezondheidsklachten moeilijk kan deelnemen aan het werk. Uit een nieuw belastbaarheidsonderzoek van 19 december 2024 van [bedrijf 1] komt naar voren dat er nog steeds een tijdelijke urenbeperking is. Eiser kan volgens dit onderzoek voor een periode van 12 maanden maximaal 16 tot 24 uur per week kan werken. Ook is weer vastgesteld dat het belangrijk is voor eiser te starten met een behandeling voor zijn lichamelijk klachten.
6. Het college heeft met het besluit van 14 januari 2025 (het primaire besluit) eiser gedeeltelijk ontheven van de arbeidsverplichting voor een periode van 12 maanden, dus tot 13 januari 2026. Er is beslist dat eiser vanaf 23 januari 2025 zijn werkzaamheden bij [bedrijf 2] moet voortzetten voor 12 uur per week, met een geleidelijke urenopbouw tot 24 uur per week. Ook dient eiser een behandeling te starten voor herstel van zijn medische klachten. Als mentale klachten arbeidsinschakeling in de weg staan dan moet eiser hier de benodigde informatie over verschaffen.
7. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft het college advies gevraagd aan [deskundige] dat op 30 juni 2025 een rapport heeft uitgebracht van een medisch adviseur/ verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Hieruit volgt dat eiser binnen 3 maanden 6 uur per dag, 30 uur per week, kan werken. Hierbij moet wel sprake zijn van een rustige opbouw in werkuren. Met het besluit van 2 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
8. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen, evenals de gemachtigde van het college.
Bestreden besluit (in essentie weergegeven)
9. Het college stelt dat eiser moet voldoen aan de re-integratieverplichtingen zoals deze voor hem zijn vastgesteld. Hieronder valt het werken bij [bedrijf 2] (een ontwikkelbedrijf) in de vastgestelde omvang en duur. Dit sluit namelijk aan bij het belastbaarheidsonderzoek van [bedrijf 1] waarin rekening is gehouden met eisers belemmeringen. Ook sluit het aan bij het in de bezwaarfase ingewonnen advies van [deskundige] . Het college mag zich op een deskundigenadvies baseren, het heeft zich ervan vergewist dat het zorgvuldig tot stand gekomen is en deugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft medische stukken overgelegd maar hieruit volgt niet dat hij niet in staat zou zijn de werkzaamheden bij [bedrijf 2] te verrichten. Ook is niet onderbouwd dat [bedrijf 2] geen rekening zou houden met eisers beperkingen. Daarnaast is het standpunt van eiser dat de (gedeeltelijke) vrijstelling te kort zou zijn en minimaal twee jaar moet duren niet onderbouwd.
10. Verder stelt het college dat een volledige vrijstelling van deze verplichting alleen mogelijk is als iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Als eiser meent dat hier sprake van is, dan is het aan hem om dit aannemelijk te maken, althans hij moet hiervoor een begin van bewijs leveren. Eiser heeft weliswaar enkele stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij psychische en fysieke problemen heeft, maar hieruit volgt geen begin van bewijs dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft, omdat de besluitvorming die voorligt (inmiddels) gaat over een periode in het verleden.
Procesbelang
12. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.
13. De rechtbank stelt vast dat het in deze zaak gaat om een afgesloten periode in het verleden. Namens het college is op de zitting meegedeeld dat zover bekend er nog geen nieuw besluit is genomen waarmee eiser (tijdelijk) is vrijgesteld van de arbeidsverplichting. Niet is uit te sluiten dat het rapport van [deskundige] van 30 juni 2025 dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd ook een rol speelt bij een toekomstige beoordeling van de mate waarin eiser in staat wordt geacht werkzaamheden te verrichten. Ook heeft eiser als beroepsgrond aangevoerd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit kan daarom van belang voor de huidige situatie en toekomst. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft en zal het beroep daarom inhoudelijk beoordelen.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
14. Eiser stelt dat het onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd door het college. Zo is volgens eiser geen arbeidsdeskundig advies ingewonnen en geen aanvullende medische informatie opgevraagd bij behandelaren. De onderzoeksbevindingen van JPH vindt eiser onvoldoende. Door JPH is enkel lichamelijk onderzoek uitgevoerd, dit terwijl eiser ook psychische klachten en beperkingen heeft.
15. De rechtbank stelt vast dat het college zich bij het primaire besluit heeft gebaseerd op een medisch belastbaarheidsonderzoek van een arts van [bedrijf 1] van 19 december 2024. In de bezwaarfase heeft het college zich gebaseerd op de adviesrapportage van [deskundige] van 30 juni 2025, opgesteld door een medisch adviseur/verzekeringsarts en een gecertificeerd arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige van [deskundige] heeft een belastbaarheidsonderzoek uitgevoerd en een visie op re-integratie geformuleerd. Hierbij gaat hij in op aspecten in arbeid waar vanwege eisers persoonlijke situatie rekening mee moet worden gehouden. Het is dus onjuist dat geen arbeidsdeskundig advies zou zijn ingewonnen.
16. De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts in het rapport van 30 juni 2025 de belastbaarheid van eiser heeft vastgesteld en hierbij is ingegaan op door hem genoemde fysieke en mentale klachten. Er is vermeld dat eiser heeft verteld dat hij sinds 2022 last heeft van mentale klachten, dat psychodiagnostisch onderzoek is uitgevoerd, dat hij medicatie gebruikt en op dat moment wacht op behandeling. Er zijn vanwege de mentale klachten beperkingen aangenomen in het omgaan met emoties van anderen, het omgaan met eigen emoties en gevoelens, het omgaan met stressvolle situaties, het omgaan met verantwoordelijkheid, het omgaan met prikkels en het omgaan met spanningen en conflicten. Ook is aangenomen dat eiser geen leidinggevende functie kan uitvoeren en is een urenbeperking gehanteerd. Verder schrijft de verzekeringsarts dat het bij re-integratie noodzakelijk is om geleidelijk op te starten met opbouwen van de werkuren. Daarnaast is een beschutte omgeving gekozen voor de re-integratie ( [bedrijf 2] ). De rechtbank stelt vast dat rekening is gehouden met eisers mentale klachten, alleen niet in de mate waarin eiser dit wenst. Eiser benoemt en onderbouwt echter niet op welk specifiek onderdeel hij zwaarder beperkt is dan aangenomen. Het enkele feit dat geen nadere informatie is opgevraagd maakt het onderzoek daarom niet onzorgvuldig, te meer niet omdat eiser er in de brief van 6 mei 2025 op is gewezen dat hij medische rapporten en verslagen kon meenemen naar het spreekuur van de verzekeringsarts. De rechtbank concludeert dat het onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Had het college eiser permanent en volledig moeten vrijstellen van de arbeidsverplichting?
17. Eiser stelt primair dat hij permanent volledig vrijgesteld moet worden van de re-integratieverplichtingen. Eiser stelt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Ter zitting is verduidelijkt dat hierbij niet zozeer de fysieke klachten relevant zijn, maar dat het met name gaat om eisers psychische klachten. Hij heeft deze klachten met stukken onderbouwd. Daarbij heeft hij eerder tijdelijke ontheffingen gehad van de arbeidsverplichtingen. Meerdere ontheffingen vanwege dezelfde stabiele medische problematiek kunnen een aanwijzing zijn voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, aldus eiser.
18. De rechtbank overweegt dat de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling niet van toepassing zijn als de belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Voor ‘duurzaamheid’ van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA moet sprake zijn van een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Een belanghebbende die een beroep doet op deze bepaling over vrijstelling moet aannemelijk maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toepassing hiervan. Eiser moet daarom ten minste een begin van bewijs leveren dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Over de mentale problemen is een brief aanwezig van 20 april 2023 van de psychiater die betrekking heeft op de behandelperiode 25 augustus 2022 tot 15 maart 2023. Ook is een brief van de psycholoog aan de huisarts aanwezig van 6 december 2024. In beroep is nog een verwijzing van 6 maart 2026 van de huisarts naar een GGZ-instelling overgelegd. De periode waar de door eiser overgelegde inhoudelijke stukken betrekking op hebben is al enige tijd geleden. Deze ondersteunen dus niet de actuele medische situatie. De meer recente verwijzing van de huisarts bevat geen inhoudelijke informatie. Eiser beperkt zich daarbij tot de stelling dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, maar verduidelijkt niet waar uit blijkt dat er geen of slechts een geringe kans op herstel is. Het college heeft hierover in het verweerschrift terecht opgemerkt dat de stukken die eiser heeft overgelegd wel ondersteunen dat sprake is van klachten en behandeling, maar niet dat er slechts een geringe kans op herstel is, noch dat eiser duurzaam slechts in staat is ten hoogste 20% van het maatmaninkomen te verdienen. Het college heeft zich hierbij op het advies van [deskundige] kunnen baseren (zie onder 16). Er is weliswaar eerder een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting geweest, maar dit is op zichzelf onvoldoende onderbouwing. Bovendien wordt eiser inmiddels alweer een periode geacht (gedeeltelijk) te kunnen deelnemen aan de activiteiten bij [bedrijf 2] . De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen begin van bewijs heeft geleverd dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Had het college eiser tijdelijk volledig moeten vrijstellen van de arbeidsverplichting?
19. Subsidiair stelt eiser dat hij tijdelijk volledig vrijgesteld had moeten worden van de arbeidsverplichtingen. Eiser wijst op zijn medische situatie en meer specifiek op de psychische problemen die blijken uit de brief van de psycholoog en het medicatieoverzicht. De beperkingen zijn volgens hem dusdanig ernstig dat sprake moet zijn van een volledige ontheffing. Verder vindt eiser dat de ontheffing twee jaar moet zijn in plaats van één jaar. Eiser gaat namelijk binnenkort met een behandeling starten en als de vrijstelling slechts één jaar duurt wordt hij onredelijk onder druk gezet om de behandeling binnen een jaar af te ronden. Dit zal volgens eiser een negatief effect hebben op zijn herstel en genezing.
20. De rechtbank overweegt dat ook bij een aanvraag om een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting het aan de aanvrager is om met een begin van bewijs te komen waaruit blijkt dat er beperkingen zijn waardoor niet aan de re-integratieverplichtingen kan worden voldaan. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van [deskundige] hebben eisers klachten en beperkingen in kaart gebracht en op basis hiervan geadviseerd te beginnen met 2 uur per dag werk (10 uur per week) en binnen 3 maanden uit te breiden naar 6 uur per dag (30 uur per week). Er is dus rekening gehouden met aangenomen beperkingen. Eiser noemt (ook) in beroep niet uit welk stuk van een medicus/ behandelaar concreet blijkt dat zijn beperkingen ernstiger zijn dan aangenomen en wat specifiek onjuist zou zijn beoordeeld door de deskundigen van [deskundige] . Om deze reden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er onvoldoende aanleiding is uit te gaan van een volledige (tijdelijke) vrijstelling van de arbeidsverplichting. Ook de beroepsgrond dat de ontheffing twee jaar moet duren blijft bij een enkele stelling. Er zijn bijvoorbeeld geen stukken overgelegd (ook in beroep niet) waaruit blijkt dat eiser een noodzakelijke behandeling volgt die in duur en frequentie zo omvangrijk is dat deze niet te combineren is met de arbeidsinschakeling bij [bedrijf 2] , wat overigens een beschutte werkomgeving is. De beroepsgrond slaagt niet.
21. Tot slot heeft eiser nog aangevoerd dat op basis van het advies van [deskundige] gestart moet worden met werk voor 10 uur per week, maar dat het college is uitgegaan van 12 uur per week bij aanvang. De rechtbank overweegt dat in het advies van 30 juni 2025 staat dat het advies is te beginnen met 10 uur per week. Het college heeft tijdens de zitting verduidelijkt dat ten tijde van het bestreden besluit inmiddels enige tijd verstreken was. Gelet hierop was er geen sprake meer van een aanvangssituatie meer en hoefde het college in bezwaar geen aanleiding te zien het primaire besluit op dit punt te wijzigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van de Participatiewet (de Pw).
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Pw.
Artikel 9, vijfde lid, van de Pw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 1 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2477.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 5 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:62 r.o. 4.3.
Zoals opgenomen in artikel 9, eerste lid, onder a, b en c van de Pw.
Zoals genoemd in artikel 9, eerste lid aanhef en onder a t/m c, van de Pw.
Artikel 9, vijfde lid, van de Pw jo. artikel 4 Wet WIA.
Artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet WIA.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:39 r.o. 4.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:405.
Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Pw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:39 r.o. 4.2.
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1246
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college
(gemachtigde: J. de Feijter).
Inleiding
1. Eiser ontvangt sinds 23 november 2021 een bijstandsuitkering om in zijn levensonderhoud te voorzien.
2. Tijdens het diagnosegesprek van 17 februari 2022 heeft eiser meegedeeld dat hij door gezondheidsklachten niet kan werken.
3. Er is een belastbaarheidsonderzoek uitgevoerd door [bedrijf 1] . Er is een tijdelijke urenbeperking aangenomen. Eiser werd in staat geacht 8 uur per week te werken (niet meer dan 2 tot 4 uur per dag) voor een periode van 9 maanden. Hierbij is opgemerkt dat behandeling essentieel is voor het herstel van eiser.
4. Vervolgens is eiser vanuit de uitkering gaan werken bij de [bedrijf 2] groep voor 12 uur per week.
5. Op 2 december 2024 heeft eiser echter meegedeeld dat hij door gezondheidsklachten moeilijk kan deelnemen aan het werk. Uit een nieuw belastbaarheidsonderzoek van 19 december 2024 van [bedrijf 1] komt naar voren dat er nog steeds een tijdelijke urenbeperking is. Eiser kan volgens dit onderzoek voor een periode van 12 maanden maximaal 16 tot 24 uur per week kan werken. Ook is weer vastgesteld dat het belangrijk is voor eiser te starten met een behandeling voor zijn lichamelijk klachten.
6. Het college heeft met het besluit van 14 januari 2025 (het primaire besluit) eiser gedeeltelijk ontheven van de arbeidsverplichting voor een periode van 12 maanden, dus tot 13 januari 2026. Er is beslist dat eiser vanaf 23 januari 2025 zijn werkzaamheden bij [bedrijf 2] moet voortzetten voor 12 uur per week, met een geleidelijke urenopbouw tot 24 uur per week. Ook dient eiser een behandeling te starten voor herstel van zijn medische klachten. Als mentale klachten arbeidsinschakeling in de weg staan dan moet eiser hier de benodigde informatie over verschaffen.
7. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft het college advies gevraagd aan [deskundige] dat op 30 juni 2025 een rapport heeft uitgebracht van een medisch adviseur/ verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Hieruit volgt dat eiser binnen 3 maanden 6 uur per dag, 30 uur per week, kan werken. Hierbij moet wel sprake zijn van een rustige opbouw in werkuren. Met het besluit van 2 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
8. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen, evenals de gemachtigde van het college.
Bestreden besluit (in essentie weergegeven)
9. Het college stelt dat eiser moet voldoen aan de re-integratieverplichtingen zoals deze voor hem zijn vastgesteld. Hieronder valt het werken bij [bedrijf 2] (een ontwikkelbedrijf) in de vastgestelde omvang en duur. Dit sluit namelijk aan bij het belastbaarheidsonderzoek van [bedrijf 1] waarin rekening is gehouden met eisers belemmeringen. Ook sluit het aan bij het in de bezwaarfase ingewonnen advies van [deskundige] . Het college mag zich op een deskundigenadvies baseren, het heeft zich ervan vergewist dat het zorgvuldig tot stand gekomen is en deugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft medische stukken overgelegd maar hieruit volgt niet dat hij niet in staat zou zijn de werkzaamheden bij [bedrijf 2] te verrichten. Ook is niet onderbouwd dat [bedrijf 2] geen rekening zou houden met eisers beperkingen. Daarnaast is het standpunt van eiser dat de (gedeeltelijke) vrijstelling te kort zou zijn en minimaal twee jaar moet duren niet onderbouwd.
10. Verder stelt het college dat een volledige vrijstelling van deze verplichting alleen mogelijk is als iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Als eiser meent dat hier sprake van is, dan is het aan hem om dit aannemelijk te maken, althans hij moet hiervoor een begin van bewijs leveren. Eiser heeft weliswaar enkele stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij psychische en fysieke problemen heeft, maar hieruit volgt geen begin van bewijs dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft, omdat de besluitvorming die voorligt (inmiddels) gaat over een periode in het verleden.
Procesbelang
12. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.
13. De rechtbank stelt vast dat het in deze zaak gaat om een afgesloten periode in het verleden. Namens het college is op de zitting meegedeeld dat zover bekend er nog geen nieuw besluit is genomen waarmee eiser (tijdelijk) is vrijgesteld van de arbeidsverplichting. Niet is uit te sluiten dat het rapport van [deskundige] van 30 juni 2025 dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd ook een rol speelt bij een toekomstige beoordeling van de mate waarin eiser in staat wordt geacht werkzaamheden te verrichten. Ook heeft eiser als beroepsgrond aangevoerd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit kan daarom van belang voor de huidige situatie en toekomst. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft en zal het beroep daarom inhoudelijk beoordelen.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
14. Eiser stelt dat het onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd door het college. Zo is volgens eiser geen arbeidsdeskundig advies ingewonnen en geen aanvullende medische informatie opgevraagd bij behandelaren. De onderzoeksbevindingen van JPH vindt eiser onvoldoende. Door JPH is enkel lichamelijk onderzoek uitgevoerd, dit terwijl eiser ook psychische klachten en beperkingen heeft.
15. De rechtbank stelt vast dat het college zich bij het primaire besluit heeft gebaseerd op een medisch belastbaarheidsonderzoek van een arts van [bedrijf 1] van 19 december 2024. In de bezwaarfase heeft het college zich gebaseerd op de adviesrapportage van [deskundige] van 30 juni 2025, opgesteld door een medisch adviseur/verzekeringsarts en een gecertificeerd arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige van [deskundige] heeft een belastbaarheidsonderzoek uitgevoerd en een visie op re-integratie geformuleerd. Hierbij gaat hij in op aspecten in arbeid waar vanwege eisers persoonlijke situatie rekening mee moet worden gehouden. Het is dus onjuist dat geen arbeidsdeskundig advies zou zijn ingewonnen.
16. De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts in het rapport van 30 juni 2025 de belastbaarheid van eiser heeft vastgesteld en hierbij is ingegaan op door hem genoemde fysieke en mentale klachten. Er is vermeld dat eiser heeft verteld dat hij sinds 2022 last heeft van mentale klachten, dat psychodiagnostisch onderzoek is uitgevoerd, dat hij medicatie gebruikt en op dat moment wacht op behandeling. Er zijn vanwege de mentale klachten beperkingen aangenomen in het omgaan met emoties van anderen, het omgaan met eigen emoties en gevoelens, het omgaan met stressvolle situaties, het omgaan met verantwoordelijkheid, het omgaan met prikkels en het omgaan met spanningen en conflicten. Ook is aangenomen dat eiser geen leidinggevende functie kan uitvoeren en is een urenbeperking gehanteerd. Verder schrijft de verzekeringsarts dat het bij re-integratie noodzakelijk is om geleidelijk op te starten met opbouwen van de werkuren. Daarnaast is een beschutte omgeving gekozen voor de re-integratie ( [bedrijf 2] ). De rechtbank stelt vast dat rekening is gehouden met eisers mentale klachten, alleen niet in de mate waarin eiser dit wenst. Eiser benoemt en onderbouwt echter niet op welk specifiek onderdeel hij zwaarder beperkt is dan aangenomen. Het enkele feit dat geen nadere informatie is opgevraagd maakt het onderzoek daarom niet onzorgvuldig, te meer niet omdat eiser er in de brief van 6 mei 2025 op is gewezen dat hij medische rapporten en verslagen kon meenemen naar het spreekuur van de verzekeringsarts. De rechtbank concludeert dat het onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Had het college eiser permanent en volledig moeten vrijstellen van de arbeidsverplichting?
17. Eiser stelt primair dat hij permanent volledig vrijgesteld moet worden van de re-integratieverplichtingen. Eiser stelt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Ter zitting is verduidelijkt dat hierbij niet zozeer de fysieke klachten relevant zijn, maar dat het met name gaat om eisers psychische klachten. Hij heeft deze klachten met stukken onderbouwd. Daarbij heeft hij eerder tijdelijke ontheffingen gehad van de arbeidsverplichtingen. Meerdere ontheffingen vanwege dezelfde stabiele medische problematiek kunnen een aanwijzing zijn voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, aldus eiser.
18. De rechtbank overweegt dat de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling niet van toepassing zijn als de belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Voor ‘duurzaamheid’ van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA moet sprake zijn van een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Een belanghebbende die een beroep doet op deze bepaling over vrijstelling moet aannemelijk maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toepassing hiervan. Eiser moet daarom ten minste een begin van bewijs leveren dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Over de mentale problemen is een brief aanwezig van 20 april 2023 van de psychiater die betrekking heeft op de behandelperiode 25 augustus 2022 tot 15 maart 2023. Ook is een brief van de psycholoog aan de huisarts aanwezig van 6 december 2024. In beroep is nog een verwijzing van 6 maart 2026 van de huisarts naar een GGZ-instelling overgelegd. De periode waar de door eiser overgelegde inhoudelijke stukken betrekking op hebben is al enige tijd geleden. Deze ondersteunen dus niet de actuele medische situatie. De meer recente verwijzing van de huisarts bevat geen inhoudelijke informatie. Eiser beperkt zich daarbij tot de stelling dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, maar verduidelijkt niet waar uit blijkt dat er geen of slechts een geringe kans op herstel is. Het college heeft hierover in het verweerschrift terecht opgemerkt dat de stukken die eiser heeft overgelegd wel ondersteunen dat sprake is van klachten en behandeling, maar niet dat er slechts een geringe kans op herstel is, noch dat eiser duurzaam slechts in staat is ten hoogste 20% van het maatmaninkomen te verdienen. Het college heeft zich hierbij op het advies van [deskundige] kunnen baseren (zie onder 16). Er is weliswaar eerder een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting geweest, maar dit is op zichzelf onvoldoende onderbouwing. Bovendien wordt eiser inmiddels alweer een periode geacht (gedeeltelijk) te kunnen deelnemen aan de activiteiten bij [bedrijf 2] . De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen begin van bewijs heeft geleverd dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Had het college eiser tijdelijk volledig moeten vrijstellen van de arbeidsverplichting?
19. Subsidiair stelt eiser dat hij tijdelijk volledig vrijgesteld had moeten worden van de arbeidsverplichtingen. Eiser wijst op zijn medische situatie en meer specifiek op de psychische problemen die blijken uit de brief van de psycholoog en het medicatieoverzicht. De beperkingen zijn volgens hem dusdanig ernstig dat sprake moet zijn van een volledige ontheffing. Verder vindt eiser dat de ontheffing twee jaar moet zijn in plaats van één jaar. Eiser gaat namelijk binnenkort met een behandeling starten en als de vrijstelling slechts één jaar duurt wordt hij onredelijk onder druk gezet om de behandeling binnen een jaar af te ronden. Dit zal volgens eiser een negatief effect hebben op zijn herstel en genezing.
20. De rechtbank overweegt dat ook bij een aanvraag om een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting het aan de aanvrager is om met een begin van bewijs te komen waaruit blijkt dat er beperkingen zijn waardoor niet aan de re-integratieverplichtingen kan worden voldaan. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van [deskundige] hebben eisers klachten en beperkingen in kaart gebracht en op basis hiervan geadviseerd te beginnen met 2 uur per dag werk (10 uur per week) en binnen 3 maanden uit te breiden naar 6 uur per dag (30 uur per week). Er is dus rekening gehouden met aangenomen beperkingen. Eiser noemt (ook) in beroep niet uit welk stuk van een medicus/ behandelaar concreet blijkt dat zijn beperkingen ernstiger zijn dan aangenomen en wat specifiek onjuist zou zijn beoordeeld door de deskundigen van [deskundige] . Om deze reden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er onvoldoende aanleiding is uit te gaan van een volledige (tijdelijke) vrijstelling van de arbeidsverplichting. Ook de beroepsgrond dat de ontheffing twee jaar moet duren blijft bij een enkele stelling. Er zijn bijvoorbeeld geen stukken overgelegd (ook in beroep niet) waaruit blijkt dat eiser een noodzakelijke behandeling volgt die in duur en frequentie zo omvangrijk is dat deze niet te combineren is met de arbeidsinschakeling bij [bedrijf 2] , wat overigens een beschutte werkomgeving is. De beroepsgrond slaagt niet.
21. Tot slot heeft eiser nog aangevoerd dat op basis van het advies van [deskundige] gestart moet worden met werk voor 10 uur per week, maar dat het college is uitgegaan van 12 uur per week bij aanvang. De rechtbank overweegt dat in het advies van 30 juni 2025 staat dat het advies is te beginnen met 10 uur per week. Het college heeft tijdens de zitting verduidelijkt dat ten tijde van het bestreden besluit inmiddels enige tijd verstreken was. Gelet hierop was er geen sprake meer van een aanvangssituatie meer en hoefde het college in bezwaar geen aanleiding te zien het primaire besluit op dit punt te wijzigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van de Participatiewet (de Pw).
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Pw.
Artikel 9, vijfde lid, van de Pw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 1 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2477.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 5 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:62 r.o. 4.3.
Zoals opgenomen in artikel 9, eerste lid, onder a, b en c van de Pw.
Zoals genoemd in artikel 9, eerste lid aanhef en onder a t/m c, van de Pw.
Artikel 9, vijfde lid, van de Pw jo. artikel 4 Wet WIA.
Artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet WIA.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:39 r.o. 4.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:405.
Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Pw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:39 r.o. 4.2.