Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5719

2026-08-21 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht UTR 26/1582
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-21
Publicatiedatum
2026-08-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/1582
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Participatiewet. Verzoek om herziening en verzoek om schadevergoeding.

Citeert (16)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.687 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Almere



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/1582


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Gürses),


en


het college van burgemeester en wethouders van Almere, het college
(gemachtigde: J. de Feijter).


Inleiding

1. Eiser ontving sinds 3 oktober 2014 een bijstandsuitkering om te voorzien in zijn levensonderhoud.



Voorgaande procedures



2. Op 27 maart 2017 is door de politie in de door eiser gehuurde woning een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Eiser heeft hier geen melding van gemaakt bij het college, terwijl verdiensten hieruit wel van invloed zijn op het recht op bijstand.

3. Om deze reden heeft het college de uitkering met het besluit van 13 april 2017 ingetrokken per 1 april 2017. Het bezwaar hiertegen is met het besluit van 12 juli 2017 ongegrond verklaard en het beroep is met de uitspraak van 18 april 2018 ongegrond verklaard.

4. Ook heeft het college met het besluit van 14 juli 2017 de bijstand ingetrokken over de periode van 20 augustus 2016 tot en met 31 maart 2017 en teruggevorderd tot een bedrag van € 8.468,46. Het bezwaar hiertegen is met het besluit van 17 oktober 2017 ongegrond verklaard en het beroep is met de uitspraak van 15 oktober 2018 ongegrond verklaard.

5. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft met de uitspraak van 17 december 2019 beslist op het hoger beroep tegen beide uitspraken. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank van 18 april 2018 bevestigd. Het hoger beroep tegen de uitspraak van 15 oktober 2018 is gegrond verklaard en deze uitspraak is vernietigd. De Raad heeft het besluit van 17 oktober 2017 vernietigd voor zover het betreft de intrekking en terugvordering over de periode 20 augustus 2016 tot 14 november 2016. De Raad heeft het besluit van 14 juli 2017 herroepen voor zover het gaat om de intrekking en terugvordering over deze periode en bepaalt dat de uitspraak van de Raad op dit punt in de plaats treedt. De Raad heeft echter ook geoordeeld dat het college wel gehouden was de bijstand over de periode van 14 november 2016 tot en met 31 maart 2017 terug te vorderen. Het college is opgedragen de terugvordering over deze kortere periode opnieuw te berekenen en in zoverre opnieuw op het bezwaar te beslissen.

6. Het college heeft hier uitvoering aan gegeven en op 16 januari 2020 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. De terugvordering is beperkt tot de periode van 14 november 2016 tot en met 27 maart 2017 en is vastgesteld op een bedrag van € 5.328,36. De Raad heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding afgewezen.



Huidige procedure



7. Eiser heeft op 30 juli 2025 een verzoek om herziening ingediend van de besluiten van 13 april 2017 en 14 juli 2017. Daarnaast verzoekt eiser om schadevergoeding.

8. Het college heeft met het besluit van 13 augustus 2025 (het primaire besluit) het verzoek om herziening afgewezen. Het bezwaar hiertegen heeft het college met het besluit van 28 januari 2026 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

9. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen, evenals de gemachtigde van het college.

Inhoud bestreden besluit (in essentie)

10. Het college stelt dat de uitspraak van de Raad van 17 december 2019 in rechte vaststaat. Om deze reden staan de besluiten van 13 april 2017 en 14 juli 2017 ook in rechte vast. Eiser wijst op de verlaging van het strafrechtelijk vastgestelde wederrechtelijk voordeel, maar dit is volgens het college geen nieuw gebleken feit. De redenen hiervoor zijn dat de onderliggende omstandigheden, zoals gemaakte kosten en de aansluiting bij Liander, al bestonden ten tijde van de besluiten uit 2017. Deze omstandigheden hadden destijds in bezwaar, beroep of hoger beroep naar voren kunnen worden gebracht. De strafrechtelijke beoordeling heeft bovendien in een ander juridisch kader plaatsgevonden dan de beoordeling van het recht op bijstand. In de gerechtelijke procedures heeft een belangrijke rol gespeeld dat gegevens ontbraken om het recht op uitkering vast te stellen. Tijdens de hoorzitting is bevestigd dat geen nieuwe stukken zijn overgelegd om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

11. Het college begrijpt dat de besluiten uit 2017 ingrijpende gevolgen voor eiser hadden, maar dit maakt niet dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De gevolgen van de besluiten kunnen niet opnieuw getoetst worden omdat die besluiten inmiddels onherroepelijk zijn geworden vanwege de rechterlijke uitspraken. Het college ziet ook geen aanleiding om over te gaan tot vergoeding van schade.


Beroepsgronden (in essentie)


12. Eiser stelt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en dat hieraan een motiveringsgebrek kleeft. Het college heeft de toets van artikel 4:6 van de Awb te beperkt uitgevoerd en zich enkel beperkt tot de vraag of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Dit terwijl ook beoordeeld moet worden of de gevolgen voor eiser niet evident onredelijk zijn en een belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen. Inhoudelijk is van belang dat de Raad heeft geoordeeld dat niet uitgegaan kan worden van meerdere oogsten. In de strafrechtelijke procedure is bovendien vastgesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel aanzienlijk lager ligt dan waar het college vanuit ging. Het gaat hierbij dus om feitelijke elementen die in latere rechterlijke uitspraken anders zijn vastgesteld. Tot slot heeft eiser een verzoek om materiële en immateriële schadevergoeding gedaan, vanwege gesteld financieel nadeel en immateriële schade.




Beoordeling door de rechtbank



Nieuwe feiten en omstandigheden



13. De rechtbank stelt vast dat het college op het verzoek tot herziening van de twee besluiten heeft beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

14. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

15. De rechtbank overweegt dat de inhoud van inmiddels tot stand gekomen rechtspraak geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser echter zo dat niet zozeer de nieuwe rechtspraak een novum is, maar wel de in uitspraken anders vastgestelde feitelijke elementen waarop de besluiten waar eiser herziening van vraagt destijds zijn gebaseerd. Hiervoor is van belang dat de bestuursrechter in een bijstandszaak een ander beoordelingskader heeft dan de strafrechter. De bestuursrechter is in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de betreffende rechter is geoordeeld, te meer nu in de strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt. Dit geldt eveneens voor een uitspraak van de strafrechter in een ontnemingszaak. Destijds was de reden voor de intrekking van de bijstand dat niet was vast te stellen of en in hoeverre eiser verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Eiser had namelijk geen administratie bijgehouden van de hennepkwekerij, waardoor niet kon worden vastgesteld tot welke hoogte nog (aanvullend) recht op bijstand bestond. Deze onduidelijkheid en het niet tijdig en correct inlichten van het college kwam voor risico van eiser. Dus niet zozeer de exacte hoogte van het verkregen wederrechtelijk voordeel (waar de strafrechtelijke uitspraak over ging) was bepalend. Dit laatste is door de Raad voor het grootste deel van de periode destijds in geding in stand gelaten. Bovendien is de Raad in de uitspraak waar eiser naar verwijst van 17 december 2019 inderdaad zoals eiser benadrukt uitgegaan van één eerdere hennepoogst en niet van meerdere. Dit is dus een feit waar de Raad in hoger beroep al rekening mee heeft gehouden. Voor zover besluitvorming gedeeltelijk gecorrigeerd moest worden is dit inmiddels gebeurd en is dit ook bevestigd met een uitspraak van de Raad (zie onder 5 en 6). De beroepsgrond dat uit rechterlijke uitspraken andere feiten blijken en dat het college dit als een novum had moeten opvatten slaagt daarom niet.



Evidente onredelijkheid en belangenafweging



16. De bestuursrechter kan, als het bestuursorgaan zich terecht deugdelijk gemotiveerd en zorgvuldig op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, toch tot het oordeel komen dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Dit is een toets die de bestuursrechter moet uitvoeren en niet zoals eiser stelt het bestuursorgaan. De omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, kan betrokken worden bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. In dit geval heeft de Raad de rechtmatigheid van de besluiten al beoordeeld en voor zover de terugvordering onjuist was is opgedragen een nieuw besluit te nemen. Dit nieuwe besluit is inmiddels genomen en de Raad heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard (zie onder 5 en 6). Eiser noemt in deze procedure niets waaruit met een oppervlakkige beoordeling al blijkt dat er nog steeds een onjuistheid zou zijn. Om deze reden is geen sprake van evidente onredelijkheid van het afwijzen van het herzieningsverzoek en wordt niet toegekomen aan een belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.



Verzoek om schadevergoeding



17. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

18. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen de schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

19. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het besluit van 14 juli 2017 (gedeeltelijk) onrechtmatig was, omdat het door de Raad gedeeltelijk is herroepen met de uitspraak van 17 december 2019. Voor het besluit van 13 april 2017 geldt dit niet.

20. Eiser heeft een verzoek om vergoeding van materiële schade gedaan. Eiser stelt dat hij een levensverzekering had, waarvoor hij maandelijks een premie van € 71,- moest betalen. Na het beëindigen van de bijstandsuitkering zou eiser niet genoeg geld meer hebben gehad om de premie te betalen. Volgens eiser heeft de verzekeringsmaatschappij met een e-mail van 4 juli 2018 meegedeeld dat de levensverzekering werd beëindigd vanwege het uitblijven van premiebetaling. De polis is afgekocht voor een bedrag van € 11.262,70. Als de verzekering niet voortijdig zou zijn beëindigd, dan zou in november 2030 een bedrag van € 54.453,60 beschikbaar zijn gekomen. Volgens eiser is dus sprake van een financieel nadeel van € 43.190,90. Ook stelt eiser dat hij immateriële schade heeft, hij wijst hierbij op stukken van een ambulant begeleider en op communicatie met de bewindvoerder.

21. De rechtbank overweegt over de gestelde materiële schade dat de e-mail die eiser in dit kader noemt van 4 juli 2018 niet is overgelegd. Hierdoor is het enkel gebleven bij de stelling dat de levensverzekering zou zijn beëindigd vanwege het niet betalen van de premie. Daarnaast heeft eiser ook geen bankafschriften overgelegd over de periode waarin de premie niet betaald zou zijn, zodat niet duidelijk is of hij hiervoor daadwerkelijk geen financiële middelen had. Bovendien volgt uit de uitspraak van de Raad van 17 december 2019 dat er geen grondslag was voor de intrekking en terugvordering over (slechts) de periode 20 augustus 2016 tot 14 november 2016. Voor deze periode is de intrekking van bijstand herroepen. Deze periode ligt ruim vóór de datum van de e-mail die eiser noemt van 4 juli 2018 en dus voor de gestelde beëindiging en afkoop van de levensverzekering. De rechtbank concludeert dat eiser geen oorzakelijk verband aannemelijk heeft gemaakt tussen de gestelde schade en het deel van de besluitvorming dat onrechtmatig is bevonden. Om deze reden zal het verzoek om vergoeding van materiële schade worden afgewezen.

22. De rechtbank overweegt dat voor het nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft bij de laatste categorie het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Verder moet worden bedacht dat voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende is dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig gebleken besluit. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat in dit geval sprake is van meer dan een psychisch onbehagen of van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatige besluit. Niet is gebleken van ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of op persoonlijkheidsrechten van eiser. Voor een vergoeding van immateriële schade bestaat daarom ook geen aanleiding.



Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

24. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.













griffier


rechter









Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Dit vanwege het schenden van de inlichtingenplicht uit artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (de Pw).


Uitspraak van deze rechtbank van 18 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1571.


Uitspraak van deze rechtbank van 15 oktober 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5091.


Uitspraak van de Raad van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4162.


Uitspraak van de Raad van 29 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:733.


Uitspraak van de Raad van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4162.


In de zin van artikel 4:6 van de Awb.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1243 r.o. 4.2.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2204 r.o. 4.8.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 10 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:320 r.o. 4.17 en de uitspraak van de Raad van 19 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2769 r.o. 4.5.


Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5091 r.o. 7.


Eiser wijst op een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2022.


Uitspraak van de Raad van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4162.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1400 r.o. 4.2.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1019 r.o. 4.10.1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2178 r.o. 3.3.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 19 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:275 r.o. 4.2.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3183 r.o. 3.5.