Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5690

2026-08-24 Bestuursrecht; Belastingrecht UTR 25/2428 en UTR 25/2576
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-24
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/2428 en UTR 25/2576
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Beroep in zaak UTR 25/2428 is ongegrond, het had voor eiser voldoende kenbaar moeten zijn dat de vrijstelling voor betaald parkeren op feestdagen niet meer gold. Beroep in zaak UTR 25/2576 gegrond vanwege een onjuiste vaststelling van de aanslag.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.414 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummers: UTR 25/2428 en UTR 25/2576


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser


en




de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht

(gemachtigde: T. Jansen).












Zaaknummer


Dictum uitspraak BghU


Datum aanslag


Aanslagnummer




UTR 25/2428


Naheffingsaanslag gehandhaafd


8 januari 2025



[nummer]





UTR 25/2576


Naheffingsaanslag gehandhaafd


22 januari 2025



[nummer]









Inleiding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 8 januari 2025 en op 22 januari 2025 aan eiser naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt op 27 januari 2025.



1.2.

De bezwaren van eiser zijn met de uitspraken op bezwaar van 25 februari 2025 en
2 maart 2025 ongegrond verklaard.




1.3.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld op 7 april 2025 en
16 april 2025. De heffingsambtenaar heeft verweerschriften ingediend.




1.4.
De zaak is behandeld op de zitting van 29 juli 2026. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting, eiser was zonder voorafgaand bericht afwezig.





Overwegingen ten aanzien van UTR 25/2428

2. Het voertuig met het kenteken [kenteken] stond op 25 december 2024 om 07:02 uur geparkeerd op de Wanninkhoflaan in Utrecht zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag opgelegd.

3. Eiser voert aan dat het voor hem niet duidelijk was dat op feestdagen betaald parkeren geldt. Eiser wijst op een wijkbericht dat hij heeft ontvangen over de invoering van betaald parkeren in zijn wijk. Daarin wordt geen antwoord gegeven op de vraag of er betaald parkeren geldt tijdens feestdagen. Daarnaast geldt in veel andere gemeenten dat parkeren op feestdagen gratis is. Eiser heeft op de website en de parkeerplattegrond van de gemeente Utrecht gekeken, maar ook daaruit kon eiser niet afleiden dat hij moest betalen voor het parkeren in zijn wijk. Eiser zag op de parkeerplattegrond juist dat er in zijn regio op feestdagen geen betaald parkeren gold in december 2024. Toen eiser na de naheffingsaanslagen nogmaals de parkeerplattegrond heeft bezocht, bleek er geen uitzondering meer te zijn maar stond er alleen vermeld wat het geldende parkeertarief is. Volgens eiser heeft gemeente het nagelaten om duidelijk te communiceren wat het geldende parkeerregime is tijdens feestdagen.

4. De heffingsambtenaar stelt dat de vrijstelling van betaald parkeren op feestdagen is afgeschaft op 1 januari 2023. Het klopt volgens de heffingsambtenaar dus ook dat er in de wijkberichten die eiser noemt niets vermeld staat over feestdagen omdat de wijkberichten zien op een verandering in het parkeerregime van 1 mei 2024. De heffingsambtenaar stelt daarnaast dat het voldoende kenbaar is gemaakt dat vanaf 1 januari 2023 de vrijstelling voor feestdagen is afgeschaft en wijst daarbij op de brief van het college van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad, verschillende nieuwberichten van lokalen en landelijke kanalen over de afschaffing van de vrijstelling en het Besluit tot wijziging van het Aanwijzingsbesluit parkeerapparatuurplaatsen gemeente Utrecht, feestdagen.

5. Ook stelt de heffingsambtenaar dat de parkeerplattegrond telkens wordt bijgewerkt wanneer er nieuwe rayons worden toegevoegd. De laatste update voor het opleggen van de naheffingsaanslagen vond plaats op 1 november 2024. Op die kaart staat en stond volgens de heffingsambtenaar niets vermeld over feestdagen, daartoe heeft de heffingsambtenaar een printscreen toegevoegd aan het verweerschrift. Ook heeft de heffingsambtenaar een printscreen aan het verweerschrift toegevoegd van de website van de gemeente, waarop beschreven is dat de uitzondering op feestdagen voor het betaald parkeren niet meer geldt. Op 16 mei 2025 heeft de heffingsambtenaar een nader stuk aan de rechtbank gestuurd nadat navraag is gedaan bij de redacteur van Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Utrecht. Uit die navraag blijkt dat vanaf het moment dat op feestdagen geen sprake meer was van gratis parkeren deze informatie overal is verwijderd. Dat geldt ook voor de tekst in de informatieballonnen op de parkeerplattegrond. Dat betekent dat deze informatie vanaf 1 januari 2023 niet meer aanwezig is op de website van de gemeente Utrecht en ook niet op de parkeerplattegrond.

6. De heffingsambtenaar legt tenslotte uit dat op basis van de plaatselijke wetgeving het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om parkeerbelasting te heffen op bepaalde plaatsen, zolang zij bekend maken om welke plaatsen het gaat doormiddel van een openbaar besluit. De heffingsambtenaar wijst erop dat het aanwijzingsbesluit, waarin bepaald is dat er geen uitzondering meer bestaat voor feestdagen op juiste wijze bekend is gemaakt.

7. De rechtbank kan de uitleg van de heffingsambtenaar volgen en overweegt dat het duidelijk had moeten zijn voor eiser dat de uitzondering voor betaald parkeren op feestdagen niet meer gold. Het ligt op de weg van eiser om zich op een juiste en volledige manier te informeren of er sprake is van betaald parkeren. De parkeerbelasting is geen boete, maar een objectieve belasting waardoor er geen rekening kan worden gehouden met persoonlijke omstandigheden. Dit ligt anders indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat sprake is van een noodsituatie of spoedeisende situatie, waardoor iemand absoluut, feitelijk en fysiek, verhinderd is om de volgens de wet verschuldigde belasting te betalen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een overmachtssituatie zoals hiervoor bedoeld. Het niet betalen van de parkeerbelasting komt dus voor rekening en risico van eiser.



Motivering uitspraak op bezwaar



8. Volgens eiser is de heffingsambtenaar onvoldoende ingegaan op de door eiser aangedragen argumenten in het bezwaarschrift. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd is. In de uitspraak op bezwaar staat namelijk dat voor iedere parkeerder een onderzoeksplicht geldt en dat eiser daar niet aan heeft voldaan. Ook benoemt de heffingsambtenaar dat sinds 1 januari 2023 er geen sprake meer is van gratis parkeren in Utrecht en dat dit eind 2022 in diverse media is gepubliceerd en op de website van de gemeente Utrecht staat vermeld. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond.



Overwegingen ten aanzien van UTR 25/2576

10. Het voertuig met het kenteken [kenteken] stond op 6 januari 2025 om 06:57 uur geparkeerd op de Wanninkhoflaan in Utrecht zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag opgelegd.

11. Eiser voert aan dat hij zijn auto niet heeft geparkeerd, maar slechts 1 tot 2 minuten stilstond om iets uit zijn huis te halen. Volgens eiser ligt het opleggen van de naheffingsaanslag na zo’n korte tijd niet in lijn met de handelingstijd die een parkeerder hoort te krijgen voordat het parkeergeld kan worden voldaan. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo dat hij stelt dat er geen sprake was van een parkeeractie.

12. De heffingsambtenaar stelt dat parkeerbelasting meteen verschuldigd is bij aanvang van het parkeren over de gehele parkeerduur. Dat betekent dat ook wanneer er maar enkele minuten wordt geparkeerd, de parkeerbelasting verschuldigd is. De heffingsambtenaar bevestigt dat de parkeerder een redelijke tijd moet worden gegund om de verschuldigde parkeerbelasting te kunnen voldoen. Daaronder valt de tijd die de parkeerder nodig heeft voor: het parkeren van de auto, het kenteken registreren en het voldoen van de verschuldigde parkeerbelasting. Tijdens deze uitvoeringshandelingen wordt geen parkeerbelasting opgelegd. In dit geval heeft eiser de handelingen niet afgesloten met het betalen van parkeerbelasting.

13. De heffingsambtenaar stelt dat onder parkeren wordt verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Bij het onmiddellijk laden en lossen van zaken gaat het volgens de heffingsambtenaar om voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen geldt dat dit onmiddellijk na het tot stilstand brengen van een voertuig moet
gebeuren en alleen voor de tijd die daarvoor nodig is. Voor de vraag of sprake is van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken rust de bewijslast op eiser.

14. De heffingsambtenaar legt uit dat er geen naheffingsaanslag wordt opgelegd wanneer uit de foto’s duidelijk blijkt dat sprake is van laden en lossen. Als er door de deskcontrol medewerker getwijfeld wordt of de aanslag terecht is opgelegd, kan hij besluiten om de auto alsnog door een parkeercontroleur ter plaatse te laten beoordelen. Daarvan kan sprake zijn als iemand in het voertuig zit of als de lampen aan staan. In dit geval is er volgens de heffingsambtenaar geen aanleiding geweest om te twijfelen of er sprake was van parkeren. Daarom heeft er geen nacontrole plaatsgevonden. Uit de foto’s blijkt niet dat er sprake is van directe laad/los activiteiten, open portieren c.q. laadklep dan wel of sprake is van brandende verlichting. Ook staan er geen personen op de foto’s in het brondocument, zijn de voordeuren van de woningen gesloten en zijn er geen goederen rondom de auto waar te nemen. De heffingsambtenaar concludeert dat de omstandigheden niet blijkt dat er geen parkeeractie gaande was.

15. De rechtbank kan de heffingsambtenaar volgen en is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Op het moment dat iemand zijn auto neerzet op een plek waar normaal gesproken voor moet worden betaald en daarbij gebruik wil maken van een uitzondering op die regel, zoals voor het onmiddellijk laden en lossen, dan moet de bestuurder kunnen aantonen dat daar sprake van is. Dat heeft eiser niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.



Hoogte naheffingsaanslag



16. De heffingsambtenaar stelt in het verweerschrift dat de kosten van de naheffingsaanslag € 0,08 te hoog zijn vastgesteld. Nu aan eiser een ten onrechte een te hoog bedrag in rekening is gebracht, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 78,80. Dat betekent dat het beroep gegrond is.







Conclusie en gevolgen



Zaak UTR 25/2428



17. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt het betaalde griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



Zaak UTR 25/2576



18. Het beroep in is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd en dat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd tot € 78,80. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, hij krijgt ook het door hem betaalde griffierecht terug. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep in UTR 25/2428 ongegrond;
- verklaart het beroep in UTR 25/2576 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 2 maart 2025;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 78,80;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Vermeer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.














griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Volgens artikel 2, lid 1 en onder a, van de Verordening parkeerbelastingen gemeente
Utrecht 2024 wordt parkeerbelasting geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze. Artikel 10 van de Verordening parkeerbelastingen gemeente Utrecht 2024 bepaalt onder meer dat de aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, mag worden geparkeerd, in alle gevallen geschiedt door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. Het ten tijde van het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag vigerende aanwijzingsbesluit is bekendgemaakt op de website.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9122.