Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5663
2026-07-15
Civiel recht; Insolventierecht
NL:TZ:2607950:R-RK
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Insolventie, toelating Wsnp, eerdere ingangsdatum, toegewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2024:1913 Hoge Raad 20-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.446 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2607950:R-RK
Uitspraakdatum: 15 juli 2026
Vonnis op grond van artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet ( “toepassing schuldsanering”)
op het verzoek van
[verzoekster]
,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster] .
Samenvatting
[verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht.
De rechtbank wijst de verzoeken toe.
1De procedure
1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van dinsdag 30 juni 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoekster] ;
- [A.] , namens Stichting Stadsring;
- [B.] en [C.] , de buren van [verzoekster] .
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het verzoek
Toelating
2.1.
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
[verzoekster] voldoet aan alle eisen wordt toegelaten tot de Wsnp.
Duur
2.3.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex. artikel 349a Fw vast op 18 maanden.
Ingangsdatum
2.4.
De Faillissementswet bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.5.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande minnelijk traject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijk traject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op haar schulden en dat zij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.6.
[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om 29 oktober 2025 te hanteren als eerdere ingangsdatum, omdat dit de datum is dat de schuldbemiddeling is gestart en [verzoekster] is begonnen met sparen voor haar schuldeisers. Gebleken is dat er op het inkomen van [verzoekster] reeds sinds april 2025 maximaal beslag ligt. De Hoge Raad heeft op 20 december 2024 geoordeeld dat een aflossing aan een schuldeiser door middel van een beslag eveneens als eerste aflossing in de zin van artikel 349a lid 1 Fw is aan te merken. Op grond van voorgaande oordeelt de rechtbank dat [verzoekster] vanaf 29 oktober 2025 maximaal heeft afgelost. De rechtbank gaat er vooralsnog vanuit dat [verzoekster] naar vermogen heeft voldaan aan de inspanningsverplichting. Zij heeft haar nul-urencontract verhoogd naar 16 uur en werkt feitelijk vaak 24 uur in de week.
3De beslissing
De rechtbank:
3.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ;,
3.2.
benoemt tot rechter-commissaris mr. P.J. Neijt,
en tot bewindvoerder J. van Rijen,
Postbus 1467,
3800BL Amersfoort ;
3.3.
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de 18 maanden, te rekenen vanaf 29 oktober 2025;
3.4.
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoekster] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
3.5.
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
3.6.
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Dit is de beslissing van mr. P.M.E. Bernini, rechter, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op woensdag 15 juli 2026.
ECLI:NL:HR:2024:1913 r.o. 3.11.3
Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2607950:R-RK
Uitspraakdatum: 15 juli 2026
Vonnis op grond van artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet ( “toepassing schuldsanering”)
op het verzoek van
[verzoekster]
,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster] .
Samenvatting
[verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht.
De rechtbank wijst de verzoeken toe.
1De procedure
1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van dinsdag 30 juni 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoekster] ;
- [A.] , namens Stichting Stadsring;
- [B.] en [C.] , de buren van [verzoekster] .
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het verzoek
Toelating
2.1.
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
[verzoekster] voldoet aan alle eisen wordt toegelaten tot de Wsnp.
Duur
2.3.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex. artikel 349a Fw vast op 18 maanden.
Ingangsdatum
2.4.
De Faillissementswet bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.5.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande minnelijk traject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijk traject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op haar schulden en dat zij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.6.
[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om 29 oktober 2025 te hanteren als eerdere ingangsdatum, omdat dit de datum is dat de schuldbemiddeling is gestart en [verzoekster] is begonnen met sparen voor haar schuldeisers. Gebleken is dat er op het inkomen van [verzoekster] reeds sinds april 2025 maximaal beslag ligt. De Hoge Raad heeft op 20 december 2024 geoordeeld dat een aflossing aan een schuldeiser door middel van een beslag eveneens als eerste aflossing in de zin van artikel 349a lid 1 Fw is aan te merken. Op grond van voorgaande oordeelt de rechtbank dat [verzoekster] vanaf 29 oktober 2025 maximaal heeft afgelost. De rechtbank gaat er vooralsnog vanuit dat [verzoekster] naar vermogen heeft voldaan aan de inspanningsverplichting. Zij heeft haar nul-urencontract verhoogd naar 16 uur en werkt feitelijk vaak 24 uur in de week.
3De beslissing
De rechtbank:
3.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ;,
3.2.
benoemt tot rechter-commissaris mr. P.J. Neijt,
en tot bewindvoerder J. van Rijen,
Postbus 1467,
3800BL Amersfoort ;
3.3.
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de 18 maanden, te rekenen vanaf 29 oktober 2025;
3.4.
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoekster] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
3.5.
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
3.6.
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Dit is de beslissing van mr. P.M.E. Bernini, rechter, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op woensdag 15 juli 2026.
ECLI:NL:HR:2024:1913 r.o. 3.11.3