Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5657

2026-07-08 Civiel recht; Personen- en familierecht 12202899 UT VERZ 26-2610
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12202899 UT VERZ 26-2610
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Toezicht, bewind, kantonrechter stelt vast dat de bewindvoerder dan wel mentor toerekenbaar tekort is geschoten in haar zorgplicht. De kantonrechter wijst het verzoek om voor recht te verklaren dat de bewindvoerder/mentor aansprakelijk is voor de schade af, aangezien niet vast staat dat verzoeker daadwerkelijk schade heeft geleden of zal lijden als gevolg van het handelen of nalaten van de bewindvoerder/mentor.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.766 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Afdeling Toezicht, Bewindsbureau



Zittingsplaats Utrecht



zaaknummer: 12202899 UT VERZ 26-2610




Beschikking van 8 juli 2026




Inzake het verzoek van:





[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. D. Pietersz, advocaat,
verder te noemen: verzoeker,



tegen:




Stichting Centrale Administratie voor voorzieningen op het gebied van de gezondheids- en welzijnszorg,
gevestigd in gemeente Zoetermeer,
gemachtigden: mr. L.K. de Haan en mr. K.M. Roos,
hierna: Stichting CAV.





1De procedure


1.1.
Bij beschikking van 4 augustus 2022 is Stichting CAV benoemd tot (opvolgend) bewindvoerder over het vermogen van verzoeker en bij beschikking van 20 juni 2023 is een mentorschap ingesteld ten behoeve van verzoeker waarbij Stichting CAV tot mentor is benoemd.



1.2.
De griffie van deze rechtbank heeft op 30 december 2025 een verzoekschrift van verzoeker ontvangen waarin verzoeker - kort gezegd - vraagt om ontslag van Stichting CAV en de benoeming van een nieuwe bewindvoerder en mentor, om vast te stellen dat Stichting CAV toerekenbaar tekort is geschoten en te bepalen dat de daardoor ontstane schade niet ten laste van verzoeker komt.



1.3.
Op 20 januari 2026, op 2 maart 2026 en op 8 juni 2026 heeft de griffie van deze rechtbank aanvullingen op het verzoekschrift met aanvullende producties van verzoeker ontvangen.



1.4.
De griffie van deze rechtbank heeft op 4 maart 2026 een verweerschrift ontvangen van Stichting CAV.



1.5.
Bij beschikking van 24 april 2026 is Stichting CAV ontslagen als bewindvoerder en mentor. KempenBewind B.V. is bij diezelfde beschikking tot bewindvoerder en mentor benoemd.



1.6.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Hierbij waren aanwezig:


- verzoeker, [verzoeker] , met zijn gemachtigde mr. D. Pietersz;
- mevrouw [A] van Stichting CAV, met haar gemachtigde mr. K.M. Roos.






2Het verzoek


2.1.
Verzoeker verzoekt de kantonrechter om vast te stellen dat Stichting CAV toerekenbaar tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder in de zin van artikel 1:444 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en te bepalen dat de geleden schade niet ten laste van het vermogen van verzoeker hoort te komen. De kantonrechter begrijpt dit verzoek zo dat verzoeker in feite vraagt om een verklaring voor recht dat Stichting CAV is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens verzoeker en aansprakelijk is voor de schade die hieruit voortvloeit. Verzoeker onderbouwt zijn verzoek onder meer als volgt.



2.2.
Volgens verzoeker heeft Stichting CAV - kort gezegd - de kerntaken van het bewind verzaakt. Zij heeft het beheer van het persoonsgebonden budget (PGB) niet naar behoren gevoerd, de benodigde administratieve verplichtingen richting de sociale verzekeringsbank (SVB) en het zorgkantoor niet uitgevoerd en geen tijdige, adequate herstelmaatregelen getroffen. Daarnaast is Stichting CAV als mentor tekortgeschoten in het bewaken van de zorgbelangen van verzoeker, onder meer door onvoldoende regie, onvoldoende communicatie en het laten ontstaan van een zorg- en betalingscrisis.



2.3.
Verzoeker heeft intensieve zorg nodig en kreeg daarvoor PGB. Mevrouw [B] was op basis van een zorg-/arbeidsovereenkomst als zorgverlener voor verzoeker werkzaam. Binnen dit kader is verzoeker formeel de werkgever. Mevrouw [B] heeft zich in februari 2024 ziekgemeld. Vanaf april 2025 is de loonbetaling uitgebleven, omdat Stichting CAV het PGB heeft stopgezet. Stichting CAV heeft bovendien verzaakt invulling te geven aan re-integratieverplichtingen. Bij vonnis in kort geding van 5 december 2025 is Stichting CAV veroordeeld in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van verzoeker om het loon van mevrouw [B] door te betalen. Volgens verzoeker moet hij de financiële last daarvan uiteindelijk dragen.



2.4.
Mevrouw [C] is de nieuwe zorgverlener van verzoeker sinds de ziekmelding van mevrouw [B] . Zij heeft tot op heden geen loon ontvangen voor haar werkzaamheden. Dit houdt direct verband met het stilleggen van het PGB-beheer en het uitblijven van administratieve opvolging door Stichting CAV en dat veroorzaakt ook schade voor verzoeker, zo stelt hij.



2.5.
De schade voor verzoeker omvat volgens hem onder meer:


- loondoorbetalingsverplichtingen en de daarmee samenhangende kosten naar aanleiding van de loonvordering van mevrouw [B] ;
- gevolgschade wegens het verzaken van re-integratieverplichtingen richting mevrouw [B] ;
- achterstallig loon en daarmee samenhangende schade ten aanzien van de huidige zorgverlener, mevrouw [C] ;
- juridische kosten en overige vermogensschade als gevolg van beëindiging van het PGB per 1 april 2025 en het daardoor ontstane betalings- en zorgprobleem.






3Het verweer


3.1.
Stichting CAV betwist dat zij in haar werkzaamheden als bewindvoerder dan wel mentor tekort is geschoten en vraagt het verzoek van verzoeker af te wijzen en verzoeker te veroordelen in de proceskosten. Stichting CAV onderbouwt haar verweer onder meer als volgt.



3.2.
Stichting CAV betwist dat de loonbetalingen aan mevrouw [B] , één van de verzorgende familieleden van verzoeker, betaald moeten worden door Stichting CAV pro se. De verwijten aan Stichting CAV zijn niet terecht. Het UWV heeft een loonsanctie opgelegd wegens het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen door verzoeker als werkgever. Dit is niet aan Stichting CAV te wijten, maar aan verzoeker zelf. Stichting CAV heeft er ook op gewezen dat de SVB het loon van mevrouw [B] tijdens ziekte had moeten doorbetalen. Dat de SVB dat niet heeft gedaan, is evenmin te wijten aan Stichting CAV.



3.3.
Tijdens een huisbezoek waarbij de nieuwe zorgverlener, mevrouw [C] , en verzoeker aanwezig waren, bleek dat verzoeker van 16 juli tot 4 september 2024 in Marokko was en de nieuwe zorgverlener, ook een familielid, de geleverde zorg niet bijhield. Omdat Stichting CAV geen werkbare afspraken kon maken met de nieuwe zorgverlener heeft Stichting CAV de zorgovereenkomst niet getekend en is zij gaan inzetten op Zorg In Natura (ZIN). In overleg met verzoeker is daarom het PGB stopgezet. Dat verzoeker daar later op is teruggekomen en bezwaar heeft gemaakt tegen de stopzetting van het PGB is niet aan Stichting CAV tegen te werpen. Verder bestaat er volgens Stichting CAV geen loonbetalingsverplichting aan mevrouw [C] . De werkzaamheden die door haar worden verricht vinden namelijk plaats zonder dat er een getekende zorgovereenkomst is.



3.4.
Verzoeker heeft volgens Stichting CAV verder onvoldoende onderbouwd dat hij juridische kosten heeft gemaakt en dat er sprake zou zijn van ‘overige vermogensschade’. Volgens Stichting CAV is niet gebleken dat verzoeker schade heeft geleden waarvoor Stichting CAV aansprakelijk zou zijn.





4De overwegingen van de kantonrechter


4.1.
In artikel 1:444 BW is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.



4.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter is Stichting CAV tekortgeschoten in haar werkzaamheden als bewindvoerder dan wel mentor van verzoeker. Stichting CAV is bij vonnis in kort geding van 30 april 2026 veroordeeld om aan mevrouw [B] - kort gezegd - het (achterstallige) loon te betalen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen dat Stichting CAV als bewindvoerder en wettelijk vertegenwoordiger van verzoeker beslissingen voor hem nam, bijvoorbeeld over het voortduren of beëindigen van de zorgovereenkomsten. Zij was als bewindvoerder voorts belast met het beheer over het vermogen van verzoeker en diende zorg te dragen voor de betaling van zijn financiële verplichtingen, onder meer richting de zorgverleners. Ook als Stichting CAV van mening was dat niet verzoeker, maar de SVB verantwoordelijk was voor de loonbetaling van mevrouw [B] tijdens ziekte, had Stichting CAV - in het kader van de zorgvuldigheid en ter voorkoming van onnodige (juridische) kosten - signalen die er op wezen dat het mogelijk anders lag niet mogen negeren. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat Stichting CAV ook niets heeft gedaan om de loonsanctie van het UWV te voorkomen, terwijl dit wel tot haar verplichtingen als bewindvoerder/mentor van verzoeker behoort omdat hij daar zelf niet toe in staat kan worden geacht.



4.3.
Hoewel de kantonrechter dit oordeel van de voorzieningenrechter onderschrijft, kan zij niet vaststellen dat verzoeker als gevolg hiervan daadwerkelijk schade heeft geleden of zal lijden. Dit betekent dat het verzoek om vast te stellen dat de schade niet ten laste van verzoeker komt maar dat stichting CAV hiervoor aansprakelijk is, moet worden afgewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.



4.4.
Mevrouw [B] heeft een vordering ingesteld tegen Stichting CAV. De voorzieningenrechter heeft in het hiervoor genoemde vonnis van 30 april 2026 geoordeeld dat Stichting CAV jegens mevrouw [B] tekort is geschoten en dat zij haar - kort gezegd - het (achterstallige) loon moet betalen. Nu Stichting CAV rechtstreeks aan mevrouw [B] moet betalen (en dat ook al heeft gedaan) is er geen sprake van schade voor verzoeker. Als de door mevrouw [B] geleden schade rechtstreeks aan haar wordt vergoed door Stichting CAV heeft zij immers geen vordering meer op verzoeker. Verder is niet gesteld of gebleken dat Stichting CAV voornemens is om het reeds betaalde en nog te betalen loon van mevrouw [B] alsnog op verzoeker te verhalen. Er is ook niet gesteld of gebleken dat dit het standpunt is van Stichting CAV in de hoger beroepsprocedure die zij inmiddels heeft aangespannen tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter. Gelet op wat hiervoor in rechtsoverweging 4.2. is geoordeeld over het tekortschieten van Stichting CAV jegens verzoeker zou dit ook niet juist zijn. Verzoeker heeft dus onvoldoende onderbouwd dat hij ten aanzien van de loonbetalingsverplichting aan mevrouw [B] schade lijdt of zal lijden, zodat hij op dit punt geen belang heeft bij zijn verzoek.



4.5.

Het voorgaande geldt ook ten aanzien van het stopzetten van het PGB. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt bij het zorgkantoor tegen het stopzetten van het PGB. Het bezwaar is afgewezen en verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. De uitkomst van deze procedure is op dit moment nog onduidelijk. Als wordt geoordeeld dat het beroep van verzoeker gegrond is en zijn bezwaar tegen het stopzetten van het PGB ten onrechte is afgewezen door het zorgkantoor, dan bestaat de mogelijkheid dat het zorgkantoor alsnog (met terugwerkende kracht) het PGB verleent en dat de zorgverleners van verzoeker daaruit betaald kunnen worden. Verzoeker heeft niet onderbouwd welke schade hij in dat geval zou lijden.
Indien het beroep van verzoeker wordt afgewezen en de beslissing op bezwaar van het zorgkantoor in stand blijft, betekent dat dat het PGB níet alsnog met terugwerkende kracht wordt toegekend. Verzoeker heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij in dat geval wél schade lijdt. Zoals hiervoor al is overwogen heeft Stichting CAV inmiddels het (achterstallige) loon van mevrouw [B] voldaan en is er geen indicatie dat zij dit alsnog op verzoeker zal verhalen, zodat verzoeker ten aanzien van dit punt geen schade lijdt. Voor wat betreft het loon voor de huidige zorgverlener, mevrouw [C] , kan evenmin worden vastgesteld dat verzoeker schade lijdt of zal lijden als hij geen PGB uitgekeerd krijgt. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.




4.6.
Vast staat dat er geen sprake is van een getekende zorgovereenkomst met mevrouw [C] . Verzoeker heeft niet gesteld of onderbouwd dat en waarom zij desondanks aanspraak zou kunnen maken op loon voor haar werkzaamheden en op basis waarvan dit dan zou zijn. Daar komt bij dat tijdens de zitting is gebleken dat mevrouw [C] ook geen vordering heeft ingesteld tegen verzoeker of Stichting CAV, of althans dat niet bekend is of zij een vordering heeft ingesteld dan wel zal instellen. Dat verzoeker schade heeft geleden of zal lijden vanwege het niet (kunnen) betalen van loon aan mevrouw [C] , staat dus evenmin vast. Op dit moment zijn er ook geen concrete signalen dat dit anders zou kunnen worden.



4.7.
De gestelde juridische kosten en overige vermogensschade als gevolg van beëindiging van het PGB zijn ten slotte onvoldoende onderbouwd door verzoeker. Zolang niet vast staat dat er daadwerkelijk kosten zijn gemaakt als gevolg waarvan verzoeker schade lijdt bestaat er geen aanleiding om vast te stellen dat Stichting CAV aansprakelijk is jegens verzoeker. Dat volgens verzoeker mogelijk in de toekomst door mevrouw [C] nog een vordering wordt ingesteld, is onvoldoende onderbouwing om schade bestaande uit juridische kosten en overige vermogensschade te veronderstellen.



4.8.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter voor recht verklaren dat Stichting CAV jegens verzoeker toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en het verzoek voor het overige afwijzen, aangezien niet vast staat dat verzoeker daadwerkelijk schade heeft geleden of zal lijden als gevolg van het handelen of nalaten van Stichting CAV.



4.9.
Nu het verzoek deels wordt toegewezen en deels wordt afgewezen, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.


















5De beslissing


De kantonrechter:



- verklaart voor recht dat stichting CAV toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens verzoeker;
- wijst het verzoek voor het overige af;
- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.















Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Verra, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.






























Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend..