Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5625

2026-08-05 Civiel recht C/16/594135 / HA ZA 25-278
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/594135 / HA ZA 25-278
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Vordering tot betaling facturen toegewezen. De tegenvordering tot betaling van schadevergoeding is deels toegewezen wegens wanprestatie in de uitvoering van de architectenwerkzaamheden.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (30.829 tekens)
De RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: C/16/594135 / HA ZA 25-278




Vonnis van 5 augustus 2026




in de zaak van





[eiseres] B.V. H.O.D.N. [handelsnaam],
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
advocaat: mr. E. Albayrak,



tegen





[gedaagde] , VOORHEEN [naam],
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.E. Berends-de Weerd.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 23 april 2025, met 10 producties;


de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met 20 producties;


de conclusie van antwoord in reconventie;


de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;


de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;


de spreekaantekeningen van [handelsnaam] ;


de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;





1.2
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden uitgesproken.






2De kern van de zaak


2.1

[gedaagde] heeft het architectenbureau [handelsnaam] ingeschakeld om ontwerpen te maken voor het herbouwen of renoveren van een bedrijfspand. [handelsnaam] heeft hier facturen voor verstuurd, maar [gedaagde] heeft deze niet betaald. [handelsnaam] vordert daarom betaling van € 48.941,48 met rente en kosten. [gedaagde] voert aan dat zij de facturen niet heeft betaald, omdat méér werkzaamheden zijn gefactureerd dan is afgesproken. Daarnaast voldoen de ontwerpen niet, omdat de verwachte bouwkosten het budget van [gedaagde] fors overschrijden. [gedaagde] vordert om die reden een schadevergoeding van € 125.148,90. De rechtbank zal de vorderingen van partijen deels toewijzen. [gedaagde] zal de facturen moeten betalen voor de overeengekomen werkzaamheden, wat neerkomt op een bedrag van € 37.664,62. Voor de vordering van [gedaagde] geldt dat [handelsnaam] een bedrag van € 82.598,27 moet vergoeden aan [gedaagde] , omdat [handelsnaam] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Dit is een lager bedrag dan gevorderd, omdat de ontwerpen van [handelsnaam] deels van nut zijn.






3De achtergrond van de zaak


3.1

[gedaagde] wilde haar servicegebouw op een woon-zorg park vernieuwen en had hiervoor een beschikbaar budget van € 5.450.000,00. In 2018 heeft [gedaagde] [handelsnaam] als architectenbureau ingeschakeld om het ontwerpproces te verzorgen. [gedaagde] wilde haar pand renoveren óf deels slopen en herbouwen. In 2018 heeft [handelsnaam] een haalbaarheidsstudie afgerond, waarin is onderzocht in hoeverre de plannen van [gedaagde] haalbaar waren. Op basis van deze studie heeft [handelsnaam] vervolgens verschillende schetsontwerpen en modellen gemaakt. De volgende fase in het ontwerpproces hield in dat [handelsnaam] een voorlopig ontwerp zou opstellen, dat voortkomt uit één van de schetsontwerpen.






4De beoordeling



in conventie






[gedaagde] moet € 35.063,12 aan [handelsnaam] betalen




4.1

[handelsnaam] vordert betaling van € 48.941,48 met rente en kosten. Zij legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van architectenwerkzaamheden voor het voorlopig ontwerp. [handelsnaam] heeft hiervoor twee facturen verstuurd, maar [gedaagde] heeft deze niet betaald. Naar de mening van [gedaagde] is zij deze facturen niet verschuldigd, omdat zij geen opdracht daartoe heeft gegeven. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] € 37.664,62 moet betalen aan [handelsnaam] en licht dit hieronder toe.




[gedaagde] moet alleen voor werkzaamheden betalen waartoe zij opdracht heeft gegeven





4.2
Om te kunnen beoordelen of [gedaagde] betaling aan [handelsnaam] is verschuldigd, moet de rechtbank eerst vaststellen wat partijen precies zijn overeengekomen. Dit wordt bepaald aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het komt niet alleen aan op de bewoordingen van de overeenkomst, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.



4.3
Nadat [handelsnaam] verschillende schetsontwerpen en modellen had gemaakt, wilde [gedaagde] een voorlopig ontwerp laten maken waarop een kostenraming gebaseerd kon worden. Op 22 december 2022 heeft [handelsnaam] aan [gedaagde] hiervoor een offerte gestuurd. Hierin is samengevat beschreven dat het gaat om architectenwerkzaamheden en de advisering voor de constructie ten behoeve van het opstellen van een voorontwerp voor de ontwikkeling van het pand van [gedaagde] . Dit zou dan € 76.526,00 kosten. In januari 2023 zou hierop een uitbreiding in verband met de advieswerkzaamheden voor brandveiligheid, akoestiek en bouwfysica volgen. De Nieuwe Regeling 2011 (hierna te noemen: DNR) is op de te sluiten overeenkomst van toepassing verklaard.



4.4
Omdat de totale kosten van de offerte voor [gedaagde] te hoog waren, wilde zij kleinere opdrachten verstrekken om de kosten beter onder controle te houden. Op 16 januari 2023 heeft zij daarom onderstaande opdrachtbevestiging gestuurd waarin zij onder meer voor 80 uur aan werkzaamheden opdracht verleend.



Voor de werkzaamheden ontvangt u: € 28.223 inclusief BTW. De werkzaamheden zijn gebaseerd op de offerte van 22-12-2022. Het deel VO architectuur wijkt af van de offerte, omdat er nog onzekerheden zijn over de haalbaarheid van het ontwerp en de benodigde werkzaamheden. Hiervoor gaan we verder in overleg. Op basis van het gemiddeld in de offerte genoemde uurtarief vertegenwoordigd dit circa 80 uur voor de werkzaamheden vanaf januari.




Onderdeel van deze opdracht was ook een bedrag van € 5.203,00 voor door [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) te verrichten advieswerkzaamheden ten behoeve van de constructie.



Hierna volgde de offerte voor de advieswerkzaamheden voor brandveiligheid, akoestiek en bouwfysica uit te voeren door [onderneming 2] , die [gedaagde] op 24 januari 2023 heeft bevestigd.



Tot slot heeft [gedaagde] op 3 februari 2023 een opdrachtbevestiging gestuurd aan [handelsnaam] ook op basis van de offerte van 22 december 2023. Hierin heeft zij opnieuw opdracht verleend voor 80 uur aan werkzaamheden, zoals hieronder te lezen.




Voor de werkzaamheden ontvangt u: € 12.100 inclusief BTW. De werkzaamheden zijn gebaseerd op de offerte van 22-12-2022. Het deel VO architectuur wijkt af van de offerte omdat er nog onzekerheden zijn over de haalbaarheid van het ontwerp en de benodigde werkzaamheden. Hiervoor gaan we verder in overleg. Op basis van het gemiddeld in de offerte genoemde uurtarief vertegenwoordigd dit circa 80 uur


voor de werkzaamheden in februari.





4.5
Uit deze gang van zaken blijkt dat [gedaagde] in ieder geval door de opdrachtbevestigingen akkoord is gegaan met de advieswerkzaamheden uitgevoerd door [onderneming 1] en [onderneming 2] en 80 uur aan werkzaamheden in de maanden januari en februari. Dat er nog nadere mondelinge afspraken zijn gemaakt waaruit volgt dat er aanvullende werkzaamheden zijn overeengekomen, heeft [handelsnaam] onvoldoende onderbouwd. [handelsnaam] heeft e-mails waarin [handelsnaam] door [gedaagde] werd verzocht om deel te nemen aan de vergaderingen met het ontwerpteam die in februari 2023 werden gehouden en de verslagen hiervan overgelegd. Daaruit blijkt echter niet dat [gedaagde] een aanvullende opdracht heeft verstrekt aan [handelsnaam] , maar slechts dat partijen de voortgang van het ontwerpproces met elkaar hebben besproken. Gelet op de expliciet door [gedaagde] geuite wens om niet ineens een grote opdracht te geven, maar per keer deelopdrachten, welke ook vervolgens steeds zijn gegeven, mocht [handelsnaam] er niet op vertrouwen dat [gedaagde] zonder meer akkoord was voor de extra verrichte werkzaamheden.



4.6
Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven aan [handelsnaam] voor:


advieswerkzaamheden door [onderneming 1] ;


80 uur aan architectenwerkzaamheden in januari 2023;


advieswerkzaamheden door [onderneming 2] ;


80 uur aan architectenwerkzaamheden in februari 2023.


Niet betwist is dat [handelsnaam] de hierboven genoemde werkzaamheden heeft verricht of laten verrichten, zodat [gedaagde] in principe hiervan betaling verschuldigd is. [gedaagde] heeft wel aangevoerd dat de werkzaamheden nutteloos zijn geweest, maar heeft hier geen rechtsgevolgen aan verbonden. De verbintenis tot betaling van het overeengekomen bedrag blijft daarmee in stand en moet door [gedaagde] worden nagekomen.



4.7
Concreet betekent dit voor de vordering van [handelsnaam] dat de factuur van € 6.461,40 niet toewijsbaar is, omdat deze factuur gaat over architectenwerkzaamheden verricht in maart 2023, waarvoor geen opdracht is gegeven. Als het gaat om de factuur ter hoogte van € 42.480,08, is een bedrag van € 37.664,62 toewijsbaar. In januari 2023 zijn namelijk 63,5 uur aan architectenwerkzaamheden verricht, waardoor voor februari 2023 in totaal 96,5 uur kan worden gefactureerd. Dit komt voor februari 2023 naar rato neer op een bedrag van € 11.530,28 exclusief btw (€ 25.510,00/213,5 × 96,5). Daarnaast zijn de werkzaamheden door [onderneming 1] voor de helft eerder gefactureerd en voldaan en staat de andere helft dus nog open. Het resterend factuurbedrag bedraagt daarom € 37.664,62, zoals hieronder weergegeven. [gedaagde] zal tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld.









VO constructies [onderneming 1] (50%)


€


2.150,00




VO bouwfysica [onderneming 2]


€


8.525,00




VO architectuur januari (63,5 uur)


€


8.922,50




VO architectuur februari (80 uur + 16,5 uur)


€


11.530,28




Totaal exclusief btw


€


31.127,78





Totaal inclusief btw (21%)




€



37.664,62









[gedaagde] moet ook de wettelijke handelsrente vergoeden





4.8
Daarnaast vordert [handelsnaam] betaling van rente en baseert zich op artikel 56 lid 6 DNR.



4.9
In het hiervoor genoemd artikel staat samengevat dat als de betaling van een factuur vertraagd is zonder dat dit aan de adviseur kan worden toegerekend, de adviseur recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente. Deze rente wordt berekend tegen het wettelijke percentage en gaat in vanaf de dag volgend op de overeengekomen betaaldatum. Artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de wettelijke handelsrente van toepassing is als het gaat om vertraging in betaling van een geldsom voor geleverde goederen of diensten en beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Is hiervan geen sprake, dan is de ‘gewone’ wettelijke rente van artikel 6:119 BW van toepassing.



4.10
De rechtbank zal de wettelijke handelsrente toewijzen. Niet ter discussie staat dat [gedaagde] de nog verschuldigde termijn van totaal € 37.664,62 niet heeft betaald en dat de overeenkomst tussen [handelsnaam] en [gedaagde] moet worden aangemerkt als een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW. Volgens artikel 56 lid 4 DNR geldt een betalingstermijn van dertig dagen na de datum van de declaratie. Niet gebleken is dat partijen een andere afspraak hierover hebben gemaakt. De op de factuur vermelde kortere betalingstermijn van veertien dagen is niet voldoende om van een afwijkende afspraak te spreken. Omdat de factuur is gedateerd op 29 maart 2023, vervalt de betalingstermijn dus op 28 april 2023. [gedaagde] is dan over € 37.664,62 de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 29 april 2023.




[gedaagde] moet € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten vergoeden





4.11

[handelsnaam] vordert ook vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, waarvan zij wil dat de rechtbank de hoogte van deze kosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid bepaalt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gesteld of gebleken dat [handelsnaam] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. In principe maakt [handelsnaam] dan ook geen aanspraak op vergoeding van deze kosten. Omdat echter sprake is van een handelsovereenkomst die na 16 maart 2013 is gesloten en waarbij de betalingstermijn is verstreken, is een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar. Dit is ook het geval als er geen buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De rechtbank zal daarom een vergoeding van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.




[gedaagde] moet de proceskosten van [handelsnaam] in conventie betalen





4.12

[gedaagde] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam] voor de vordering in conventie worden begroot op:









- dagvaarding


€


148,04







- griffierecht


€


2.995,00







- salaris advocaat


€


2.428,00


(2 punten × € 1.214,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


5.760,04











in recoventie






[handelsnaam] moet een schadevergoeding van € 82.598,27 aan [gedaagde] betalen





4.13

[gedaagde] vordert op haar beurt een schadevergoeding van € 125.148,90. [handelsnaam] heeft voor [gedaagde] ontwerpen gemaakt, maar [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat deze niet aan de opdracht voldoen. De rechtbank is het hiermee eens en zal een bedrag van € 82.598,27 aan schadevergoeding toewijzen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.




[gedaagde] heeft aan de klachtplicht voldaan





4.14
Als meest verstrekkend verweer heeft [handelsnaam] naar voren gebracht dat [gedaagde] niet aan haar klachtplicht heeft voldaan, door niet binnen bekwame tijd nadat zij de gestelde tekortkoming had ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken bij [handelsnaam] daartegen schriftelijk en met redenen omkleed heeft geprotesteerd. Ook heeft er geen ingebrekestelling plaatsgevonden. [gedaagde] kan dan ook geen aanspraak maken op een schadevergoeding, aldus [handelsnaam] .



4.15
De rechtbank gaat hier niet in mee. Nadat het voorlopig ontwerp van [handelsnaam] was afgerond, heeft [gedaagde] bij meerdere bouwkostendeskundigen een kostenraming opgevraagd. Op 29 maart 2023 heeft [gedaagde] met het eerste rapport ontdekt dat de bouwkosten haar budget fors overschrijden. Het laatste rapport dateert van 10 mei 2025, waarin hetzelfde beeld naar voren kwam. Vervolgens heeft [gedaagde] in de e-mail van 12 mei 2023 aan [handelsnaam] gemeld dat de bouwkosten tenminste 200% hoger zijn dan de begroting van de bouwkosten door [handelsnaam] . Naar het oordeel van de rechtbank valt gelet op dit beperkte tijdsverloop tussen het ontdekken van de overschrijding van het budget en de klacht daarover niet in te zien dat [gedaagde] haar klachtplicht heeft geschonden. Verder is een ingebrekestelling in dit geval niet vereist, zoals hierna verder zal worden toegelicht.




[handelsnaam] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst





4.16
Een op wanprestatie gebaseerde vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen als een partij is tekortgeschoten in de uitvoering van de verplichtingen die voor hem voortvloeien uit de overeenkomst. In de wet is bepaald dat een opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. Daarmee wordt bedoeld dat de opdrachtnemer bij de uitvoering van zijn opdracht moet handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou gaan. Bij het oordeel of een opdrachtnemer de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen, houdt de rechtbank rekening met alle omstandigheden van het geval.



4.17
De rechtbank oordeelt dat [handelsnaam] bij het uitwerken van de ontwerpen niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld. Uit de kostenramingen die [gedaagde] heeft opgevraagd is gebleken dat [handelsnaam] fors het budget van [gedaagde] heeft overschreden, terwijl vooraf een budget is vastgesteld van € 5.450.000,- . De kostenramingen spreken namelijk van een verdubbeling aan bouwkosten. Anders dan [handelsnaam] meent, is het budgetbeheer van het project onderdeel van de opdracht geweest. Uit artikel 11 DNR volgt dat [handelsnaam] [gedaagde] onder andere moet informeren over de financiële gevolgen. Dit geldt temeer, omdat [gedaagde] als maatschappelijke organisatie belang hecht aan het verantwoord besteden van haar budget en daarom ook werkte met deelopdrachten. Daarnaast is het budget van [gedaagde] uitdrukkelijk in de offerte vastgesteld. Zo staat er in de offerte: ‘De financiële kaders zijn vooralsnog vastgesteld op een bedrag van € 5.450.000,- incl. BTW en prijspeil augustus 2022. Exclusief BTW komt dat uit op afgerond € 4.500.000,-.’ Verder voert [handelsnaam] aan dat [gedaagde] gedurende het ontwerpproces keuzes heeft gemaakt die kostenverhogend zijn geweest. De gevolgen hiervan behoren voor rekening van [gedaagde] te komen, aldus [handelsnaam] . Wat daar ook van zij, ligt het naar het oordeel van de rechtbank dan juist op de weg van [handelsnaam] om [gedaagde] hiervoor te waarschuwen. Nergens blijkt uit dat [handelsnaam] dit heeft gedaan. Op basis van dit alles is de rechtbank van oordeel dat [handelsnaam] tekort is geschoten de nakoming van de overeenkomst, door een ontwerp te maken dat door [gedaagde] onmogelijk te realiseren is.




[handelsnaam] is in verzuim





4.18
Verder overweegt de rechtbank dat [handelsnaam] van rechtswege in verzuim is geraakt. Weliswaar kan door [handelsnaam] in de toekomst in theorie alsnog worden nagekomen, maar van [gedaagde] kan in dit geval niet worden verwacht dat zij daartoe eerst gelegenheid biedt. Het ontwerpproces bestaat namelijk uit verschillende fases die op elkaar voortbouwen. Zo heeft [handelsnaam] in 2018 de haalbaarheidsstudie afgerond, in 2022 verschillende schetsontwerpen en modellen gemaakt en is in 2023 bezig geweest met het uitwerken van het schetsontwerp tot een voorlopige ontwerp. Nu blijkt dat het voorlopig ontwerp het bouwbudget fors overschrijdt, kan niet worden aangenomen dat met een aantal aanpassingen het ontwerp alsnog binnen een redelijke termijn te realiseren is. Het volledige en langdurige ontwerpproces zou dan opnieuw gestart moeten worden. Daarbij geeft [handelsnaam] bovendien aan in haar e-mail van 8 juni 2023 dat haar geen blaam treft voor de kostenoverschrijding en dat zij het geheel overziend niet kan opmaken dat er fouten zijn gemaakt. Daarmee komt de rechtbank tot het oordeel dat nakoming van de overeenkomst door [handelsnaam] blijvend onmogelijk is, zodat op grond van artikel 6:81 BW verzuim van rechtswege is ingetreden. Om deze reden kan [gedaagde] ook niet worden tegengeworpen dat zij geen ingebrekestelling heeft verstuurd aan [handelsnaam] .



De rechtbank begroot de schade op € 82.598,27





4.19
Het bovenstaande maakt dat [handelsnaam] aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] heeft geleden als gevolg van de tekortkoming. [handelsnaam] stelt dat haar schade € 125.148,90 bedraagt. Dit bedrag bestaat uit kosten die zij aan [handelsnaam] heeft betaald ten behoeve van het ontwerpproces (€ 71.489,00) en kosten die zijn inmiddels heeft voldaan aan andere adviseurs (€ 53.659,90) ten aanzien van het ontwerp. De rechtbank begroot de schade op een bedrag van € 82.598,27.



4.20
Volgens [gedaagde] heeft zij de bovengenoemde kosten nodeloos gemaakt, omdat het door [handelsnaam] voorgestelde model voor de renovatie van het pand niet haalbaar bleek. Dit zijn kosten die als gevolg van het geadviseerde ontwerp zijn gemaakt. [handelsnaam] heeft hiertegen in gebracht dat de gestelde schade door [gedaagde] is uitgesloten in artikel 14 DNR.



4.21
De rechtbank volgt [handelsnaam] hierin niet. [gedaagde] heeft gesteld dat deze kosten als bouwkosten gezien moeten worden en zijn daarom niet uitgesloten in artikel 14 DNR. Dat sprake is van bedrijfskosten en vertragingskosten heeft [handelsnaam] onvoldoende onderbouwd en blijkt ook nergens uit. De gestelde schade komt dus in principe voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal voor de schadebegroting aansluiten bij de wijze neergelegd in artikel 37 lid 2 DNR. Daarin is kort gezegd bepaald dat bij een opzegging de betalingsverplichting van [gedaagde] beperkt is tot de werkzaamheden die daadwerkelijk nuttig zijn geweest voor de [gedaagde] . De rechtbank is van oordeel dat 33% van de werkzaamheden van [handelsnaam] van nut zijn geweest en dit gedeelte daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt. [gedaagde] heeft door de werkzaamheden van [handelsnaam] zicht gekregen op de (on)mogelijkheden rondom het project. Derden kunnen eventueel voortbouwen op de al gemaakte ontwerpen door [handelsnaam] . De rechtbank acht de ontwerpen van [handelsnaam] dan ook niet geheel nutteloos. Dit betekent dat er nog 67% van de schade vergoed moet worden, te weten een bedrag van € 82.598,27.



Beroep op eigen schuld slaagt niet





4.22

[handelsnaam] heeft nog aangevoerd dat de schade niet volledig voor haar rekening kan komen, omdat de budgetbewaking de verantwoordelijkheid was van [gedaagde] en niet van [handelsnaam] . Zoals uitgelegd in 4.17 viel dit wel degelijk onder de opdracht van [handelsnaam] . Het beroep van [handelsnaam] op de eigen schuld van [gedaagde] gaat dus niet op en de schadevergoeding zal daarom niet verminderd worden. De rechtbank zal [handelsnaam] veroordelen tot vergoeding van € 82.598,27.




[handelsnaam] moet de proceskosten van [gedaagde] in reconventie betalen





4.23

[handelsnaam] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] voor de vordering in reconventie worden begroot op:









- salaris advocaat


€


2.051,00


(2 punten x factor 0,5 × € 2.051,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.240,00











4.24
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



in conventie en in reconventie





Conclusie





4.25

De conclusie is dat [gedaagde] een bedrag van € 37.664,62 met de handelsrente en € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [handelsnaam] moet betalen. Tegelijkertijd is [handelsnaam] een schadevergoeding van € 82.598,27 aan [gedaagde] verschuldigd.

Uitvoerbaarheid bij voorraad





4.26
De rechtbank zal deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals partijen hebben gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd en kan worden uitgevoerd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.






5De beslissing


De rechtbank




in conventie




5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] te betalen een bedrag van € 37.664,62, vermeerderd met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 29 april 2023 tot de dag van betaling,



5.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,



5.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.760,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [handelsnaam] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



in reconventie





5.4
veroordeelt [handelsnaam] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 82.598,27 aan schadevergoeding,



5.5
veroordeelt [handelsnaam] in de proceskosten van € 2.240,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [handelsnaam] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.6
veroordeelt [handelsnaam] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [gedaagde] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,



in conventie en in reconventie











5.7 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Scharrenborg en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.

5315






















Bijlage 5 bij productie 1 van [handelsnaam] en productie 10 van [gedaagde] .


Productie 11 van [gedaagde] .


Productie 7 van [handelsnaam] .


Artikel 6:96 lid 4 BW.


Productie 18 van [gedaagde] .


Artikel 6:74 BW.


Artikel 7:401 BW.


Hoge Raad 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6159.


Producties 16 en 17 van [gedaagde] .


Productie 19 van [gedaagde] .