Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5602

2026-08-18 Bestuursrecht; Omgevingsrecht UTR 26/2424
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/2424
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Omgevingswet. Monumentenverordening. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum heeft geweigerd om aan eiseres een vergunning te verlenen voor de sloop van deel van een monumentale tuinmuur op het perceel Oude Amersfoortseweg 79 in Hilversum. De tuinmuur valt onder de beschermende werking van het gemeentelijk monument. Door de sloop gaan monumentale waarden verloren. Het beroep is ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.737 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 26/2424


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak tussen


Vereniging tot Bevordering van de Evangelieverkondiging Via Radio en Televisie “De Evangelische Omroep”, uit Hilversum, eiseres
(gemachtigde: mr. H. Koolen),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Essen).





Inleiding


1. Eiseres is eigenaar van de voormalige Kweekschool op het adres [adres] in Hilversum (het perceel). De voormalige Kweekschool is door het college in 2008 aangewezen als gemeentelijk monument. Het terrein van het gemeentelijk monument is ommuurd. Eiseres heeft op 11 november 2024 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het slopen van een deel van de tuinmuur (noordmuur) op het perceel. Eiseres wil de noordmuur, gelegen aan de achterkant van het terrein, slopen en vervangen door een hekwerk. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 8 januari 2025 geweigerd. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.



1.1.
Met het besluit dat op 12 februari 2026 is verzonden, heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.


1.2.
Eiseres heeft de beroepsgronden aangevuld op 22 april 2026, op 10 juli 2026 met een rapport van De Erfgoed Praktijk gedateerd 7 juli 2026 en op 17 juli 2026. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- namens eiseres: mr. [A] , hoofd juridische zaken, de gemachtigde van eiseres en [B] , erfgoedadviseur van De Erfgoed Praktijk;
- namens het college: de gemachtigde, vergezeld door mr. [C] .








Beoordeling door de rechtbank


2. Eiseres is het niet eens met het besluit van het college om de omgevingsvergunning voor de sloop van de noordmuur te weigeren en heeft daartoe een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren.


2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Toetsingskader

3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van eiseres geldt het ‘Omgevingsplan gemeente Hilversum’ (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat onder meer uit een tijdelijk deel: de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en de omgevingsplanregels van rechtswege (de bruidsschat).




3.1.
Op grond van de Monumentenverordening Hilversum 2016 (monumentenverordening) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een beschermd gemeentelijk monument (gedeeltelijk) te slopen. Dit verbod is overgenomen in het omgevingsplan en geldt op grond van de Omgevingswet als een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.


3.2.

Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als naar het oordeel van het college het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Het college houdt hierbij rekening met het gebruik van het monument. Een monument is gedefinieerd als ‘a. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. […]. b. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak onder a.’

Valt de noordmuur onder de beschermende werking van het gemeentelijk monument?

4. Eiseres heeft aangevoerd dat de noordmuur niet onder de beschermende werking van het gemeentelijk monument valt. Uit het besluit tot aanwijzing van het monument volgt volgens eiseres dat de bescherming nadrukkelijk is beperkt tot de voorgevel, de rechterzijgevel van de kapel en de linkerzijgevel tot een diepte van 15 meter vanaf de voorgevel gemeten. De noordmuur bevindt zich op grote afstand van die 15 meter. Ook ziet de bescherming uitsluitend op de oorspronkelijke gemetselde tuinmuur (aan de voorzijde van het perceel). Omdat een groot deel van de noordmuur niet meer origineel is, kan dit gedeelte in ieder geval niet onder de beschermende werking van het gemeentelijk monument vallen, zo voert eiseres aan.




4.1.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een monumentenactiviteit is de omschrijving bij de aanwijzing tot beschermd monument van belang. De redengevende omschrijving geeft aan welke aspecten van het monument in het bijzonder beschermingswaardig zijn. Voor het wijzigen, verstoren of verwijderen van zo'n aspect is in ieder geval een omgevingsvergunning vereist.


4.2.
In de redengevende omschrijving bij de aanwijzing tot gemeentelijk monument wordt over de tuinmuur het volgende aangegeven: ‘een deel van de oorspronkelijke, gemetselde tuinmuur is ook nog aanwezig’. In het onderdeel ‘waardering’ wordt benoemd dat de school ensemblewaarde heeft ‘vanwege de sterke architectonische en stedenbouwkundige samenhang met de nabij staande bebouwing en als beeldbepalend onderdeel van de bebouwing aan de Oude Amersfoortseweg’. Het college heeft advies gevraagd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten (CRKM). De CRKM noemt het ommuurde terrein een kenmerkend onderdeel van het monument en onderdeel van het beschermde geheel. Dat het terrein onderdeel is van het monument volgt ook uit de bepalingen van de monumentenverordening, hierin worden zowel de zaak als het bijbehorende terrein tezamen als monument gedefinieerd. De erfgoedadviseur van De Erfgoed Praktijk, de deskundige van eiseres, benoemt in zijn rapport van 7 juli 2026 dat de ‘katholieke kweekschool een zeer besloten karakter [had], in meerdere opzichten vergelijkbaar met een klooster, waarbij de afscheiding van het perceel van de profane wereld van groot belang was’. Op de zitting heeft eiseres er nog op gewezen dat in de redengevende omschrijving is opgenomen dat alleen de eerste 15 meter is beschermd. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat de genoemde 15 meter alleen ziet op het pand, niet op het terrein en de tuinmuur. Over de uitspraken waar eiseres op de zitting naar heeft verwezen merkt de rechtbank op dat de daarin genoemde situaties niet vergelijkbaar zijn met de voorliggende situatie. Dit omdat deze uitspraken gaan over situaties waarbij een object wordt aangewezen als monument, of over een nieuw op te richten berging bij een monument of over een tuin die niet is genoemd in de redengevende omschrijving van het monument.


4.3.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de noordmuur onder de beschermende werking van het gemeentelijk monument valt. Dit met name omdat de muur in de redengevende omschrijving is genoemd in combinatie met het feit dat daarin ook uitdrukkelijk is benoemd wat er niet onder valt (het interieur en de achtergevels).




Is in 2018 wel een vergunning verleend voor het deels slopen van de tuinmuur aan de voorzijde?

5. Eiseres heeft aangevoerd dat het college in 2018 wel een vergunning heeft verleend voor het deels slopen van de tuinmuur aan de voorzijde van het perceel. De CRKM heeft destijds volgens eiseres een positief advies gegeven. Eiseres vindt het daarom onzorgvuldig dat de CRKM nu over de aanvraag uit 2024 een negatief advies geeft over de sloop van de noordmuur.




5.1.
Op de zitting heeft het college toegelicht dat er bij de vergunning in 2018 iets verkeerd is gegaan. Het is correct dat de sloop van dit stukje tuinmuur in de aanvraag is genoemd. De CRKM heeft destijds ook geadviseerd over de omgevingsvergunning. Het onderdeel ‘sloop tuinmuur’ lijkt te zijn verdwenen uit het dossier. Daarnaast blijkt volgens het college uit het advies van de CRKM niet dat specifiek is geadviseerd over de muur en de sloop van het stukje muur wordt in de destijds verleende omgevingsvergunning verder ook niet meer genoemd. Het is volgens het college niet meer na te gaan of de sloop van dit stukje muur in 2018 per ongeluk is mee vergund. Eiseres heeft desgevraagd op de zitting bevestigd dat in de omgevingsvergunning en het advies van de CRKM uit 2018 de sloop van dat stukje muur niet specifiek wordt genoemd. Ook kan eiseres niet aangeven waar in de stukken uit 2018 de afweging van de CRKM over de sloop van de tuinmuur is terug te vinden.


5.2.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken niet kan worden afgeleid dat de sloop van het stukje tuinmuur in 2018 bewust is mee vergund. Voor zover het college vindt dat het gaat om een fout, volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat een bestuursorgaan eerder gemaakte fouten niet hoeft te herhalen. Dat in 2018 onbedoeld de sloop van een deel van de tuinmuur wel lijkt te zijn vergund, betekent dan ook niet dat aan eiseres nu een vergunning voor de sloop van de noordmuur had moeten worden verleend. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de CRKM in het positieve advies bij de verleende omgevingsvergunning in 2018 niets specifieks heeft opgenomen ten aanzien van het slopen van het stukje tuinmuur aan de voorzijde. De CRKM wijkt met het huidige negatieve advies voor de sloop van de noordmuur in zoverre dus ook niet af van zijn eerdere advies.



Verzet het belang van monumentenzorg zich tegen het verlenen van de omgevingsvergunning, rekening houdend met het gebruik van het monument?

6. Eiseres heeft aangevoerd dat door de sloop van de noordmuur geen monumentale waarden verloren gaan. Eiseres heeft er hierbij op gewezen dat de noordmuur niet zichtbaar is vanaf de openbare weg, een groot deel van de noordmuur niet meer origineel is, het terrein ook nu niet geheel ommuurd is en de achterzijde van de noordmuur naast een bedrijfsperceel (met hoge bebouwing) ligt. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat de rechtbank deze grond in kader van de belangenafweging dient te plaatsen.



6.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de sloop van de noordmuur leidt tot een onevenredig verlies van monumentale waarden. Hij baseert zich hierbij op de adviezen van de CRKM. De CRKM vindt het behoud van de noordmuur van belang voor het geheel. Als de noordmuur zou worden gesloopt betekent dat dat het terrein niet meer geheel door de monumentale muur wordt omsloten. Hierdoor gaat een kenmerkend onderdeel van het monument verloren. Ook gaat met de sloop van de noordmuur monumentaal materiaal verloren. Het slopen van de noordmuur betekent hierdoor een onevenredig verlies van monumentale waarden.


6.2.
Hoewel het college niet aan het advies van de CRKM is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de toetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een advies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.


6.3
Eiseres heeft een rapport van De Erfgoed Praktijk ingebracht. De erfgoedadviseur van De Erfgoed Praktijk heeft geconcludeerd dat de tuinmuur als geheel een positieve monumentwaarde krijgt. De noordmuur krijgt een iets lagere waardering, vanwege aantastingen aan dit deel van de oorspronkelijke tuinmuur en de veranderde context van de noordmuur door het hoge, moderne bedrijfspand direct achter de noordmuur. Op de zitting heeft het college toegelicht dat hij blijft bij het advies van de CRKM. Het advies van De Erfgoed Praktijk geeft het college geen aanleiding om het advies van de CRKM niet meer te volgen. Beide adviezen hebben veel overeenkomsten en kennen aan de tuinmuur monumentale waarde toe. Daarbij is De Erfgoed Praktijk volgens het college vooral ingegaan op de huidige situatie; de gevolgen voor de monumentale waarde als de noordmuur is gesloopt is in het rapport niet beschreven.


6.4
De rechtbank overweegt dat zowel de CRKM, als De Erfgoed Praktijk monumentale waarden toekennen aan de noordmuur, in zoverre zijn het advies van de CRKM en het rapport van De Erfgoed Praktijk niet afwijkend. Het college heeft het behoud van de monumentale waarden van de noordmuur zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres bij het slopen en vervangen door een tuinhek van die muur, omdat die kosten voor eiseres lager zijn dan de kosten van het onderhouden van de noordmuur. De rechtbank betrekt daarbij dat uit het rapport van De Erfgoed Praktijk blijkt dat “de katholieke kweekschool een zeer besloten karakter [had], in meerdere opzichten vergelijkbaar met een klooster, waarbij de afscheiding van het perceel van de profane wereld van groot belang was’. Het college mag - rekening houdend met het gebruik van het monument –vinden dat het belang van monumentenzorg zich verzet tegen verlening van de omgevingsvergunning voor de sloop van de noordmuur.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.







Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 22.1 en 22.2 van de Ow.


Artikel 9, tweede lid, onder a. van de monumentenverordening.


Artikel 5.1, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 22.8 van de Ow.


Artikel 11 van de monumentenverordening.


Artikel 1 onderdeel 17 van de monumentenverordening.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1032.


De adviezen van de CRKM van 5 december 2024 en 21 mei 2025.


De uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 september 2011, ECLI:NL: RVS:2011:BT2841, 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5889 en 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1841 en de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 16 januari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:251.


De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2861.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2726.