Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5599

2026-08-13 Civiel recht 613621 HA RK 26-118
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Wraking
Zaaknummer
613621 HA RK 26-118
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. Wraking afgewezen. Procesbeslissing. Niet aanhouden van de mondelinge behandeling na onttrekking van de advocaat. Geen sprake van een motivering die niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.439 tekens)
Beslissing




RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND




WRAKINGSKAMER



Locatie: Lelystad
Zaaknummer: 613621 HA RK 26-118




Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 13 augustus 2026




op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:




BGM ADVISEURS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,
hierna: verzoekster,
bijgestaan door mr. drs. T.G.L.M. Meevis, advocaat in Eindhoven.






1De procedure

1.1.

Verzoekster heeft op 26 juni 2026 mr. J.A. Schuman gewraakt. Mr. Schuman (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer C/16/604154 HA ZA 25-619 (hierna: de hoofdzaak). Op 7 juli 2026 heeft de advocaat van verzoekster het verzuim in het wrakingsverzoek hersteld en een herziene versie van het wrakingsverzoek ingediend.






1.2.
Het wrakingsverzoek is op 30 juli 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:



[A] (de bestuurder van verzoekster);


mr. drs. T.G.L.M. Meevis.





1.3.
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.



1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.





2Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoekster is tot wraking overgegaan omdat volgens haar van een eerlijk proces geen sprake meer kan zijn. De hoofdzaak kent verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. De advocaat van verzoekster heeft zich op 22 juni 2026 aan de zaak onttrokken. Op 23 juni 2026 heeft verzoekster de rechtbank daarom verzocht om haar een termijn te geven voor het vinden van een nieuwe advocaat. De rechter heeft dit verzoek op 24 juni 2026 toegewezen en verzoekster tot 8 juli 2026 gegeven om een nieuwe advocaat te vinden. Op 24 juni 2026 heeft de rechter eveneens bepaald dat de mondelinge behandeling in de hoofdzaak op 1 juli 2026 doorgang zou vinden. De rechter had de mondelinge behandeling echter ambtshalve moeten aanhouden. Doordat verzoekster op laatstgenoemde datum niet met een advocaat kon verschijnen en haar tegenpartij wel, is volgens verzoekster een ongelijke processuele uitgangspositie ontstaan. Door deze ongelijkheid is de gelijkwaardigheid van de proceskansen aangetast. De schijn is gewekt dat aan het recht van verzoekster op een eerlijke behandeling onvoldoende gewicht is toegekend. Er is tenminste de schijn ontstaan dat de rechter onvoldoende waarborg heeft geboden voor een evenwichtige behandeling van de zaak. Dit is strijdig met het recht op een eerlijk proces en vormt een grond voor wraking.



2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Hij voert aan dat verzoekster met haar wrakingsverzoek op de zaken vooruit loopt. Het enkele feit dat verzoekster geen advocaat zou hebben tijdens de mondelinge behandeling, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een oneerlijke en partijdige behandeling. Verzoekster weet niet hoe de mondelinge behandeling zou zijn verlopen. Het landelijk procesreglement bepaalt ook dat onttrekking van een advocaat voorafgaande aan de mondelinge behandeling onvoldoende grond is voor uitstel van de mondelinge behandeling, tenzij de rechter anders beslist. De rechter voert bovendien aan dat, gelet op de volle agenda’s, een uitstel van de mondelinge behandeling tot een vertraging van vele maanden in de behandeling van de hoofdzaak zou hebben geleid.





3De beoordeling
Het toetsingskader


3.1.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.



3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.



Het oordeel van de wrakingskamer





3.3.
De beslissing van de rechter om de mondelinge behandeling niet aan te houden is een procesbeslissing. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een reden kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep.



3.4.
Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als reden voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven.



3.5.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en licht dit als volgt toe.



3.6.
Verzoekster voert, kort gezegd, aan dat de rechter haar concrete processuele positie nader had moeten afwegen nadat haar advocaat zijn werkzaamheden had neergelegd. Dit had tot ambtshalve uitstel van de mondelinge behandeling moeten leiden.



3.7.
De rechter heeft partijen in de hoofdzaak bij e-mail van 24 juni 2024 om 13:19 uur laten meedelen dat hij in de onttrekking van de advocaat van verzoekster geen klemmende reden zag om de mondelinge behandeling van 8 juli 2026 aan te houden. Op dezelfde datum om 13:48 is dat nogmaals bevestigd aan de bestuurder van verzoekster.



3.8.

De rechter heeft zijn beslissing genomen in lijn met het bepaalde in artikel 5.5 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton waarin is bepaald dat onttrekking van een advocaat voorafgaande aan de mondelinge behandeling onvoldoende reden is voor uitstel van de mondelinge behandeling. Een ambtshalve aanhouding van de mondelinge behandeling volgt hier niet uit.




3.9.
De advocaat van verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat hij verzoekster heeft geïnformeerd over de gevolgen die zijn onttrekking zou (kunnen) hebben. De bestuurder van verzoekster heeft op de zitting erkend dat hij wist dat de zitting, ondanks de onttrekking, door zou gaan.



3.10.
Verzoekster heeft naar aanleiding van de berichtgeving door de rechter op 24 juni 2026 geen beroep gedaan op de door haar ervaren processuele ongelijkheid. Zij is meteen daarna tot wraking overgegaan. De rechter heeft, bij gebrek aan een gemotiveerd uitstelverzoek, daarin dus ook geen afweging kunnen maken. Er is daarom geen sprake van een motivering die niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid.



3.11.
Verzoekster heeft verwezen naar de uitspraak van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag. Die vergelijking gaat niet op. In die zaak had de gewraakte rechter het de ene partij toegestaan een pleitnota voor te dragen (waardoor die pleitnota onderdeel werd van het procesdossier) en de andere partij niet. Die andere partij moest zonder pleitnota reageren op de standpunten van de wederpartij. De wrakingskamer oordeelde dat de desbetreffende rechter te veel had ingegrepen in de processuele verhouding tussen partijen, hetgeen ten minste de schijn van partijdigheid opleverde.



3.12.
In de zaak van verzoekster moest de zitting nog plaatsvinden. Het is niet te zeggen wat de rechter tijdens die zitting met partijen zou hebben besproken of hoe hij dat zou hebben gedaan. Anders dan verzoekster stelt, is er geen aanleiding om te oordelen dat de rechter de gelijkwaardigheid van de proceskansen van partijen heeft aangetast.



3.13.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.





4De beslissing
De wrakingskamer:


4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;



4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;



4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer C/16/604154 HA ZA 25-619 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.


Deze beslissing is genomen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, en mr. I.L. Rijnbout en
mr. J.G. Nicholson als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. R. Dijkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.




de griffier de voorzitter




De griffier is niet in de gelegenheid


deze beslissing mede te ondertekenen





Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.





ECLI:NL:HR:2018:1413.


ECLI:NL:RBDHA:2025:25947.