Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5598
2026-08-13
Civiel recht
614360 HA RK 26-133
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wrakingszaak. Wraking afgewezen. De rechter heeft na het uitwisselen van standpunten een voorlopig oordeel gegeven. Hieruit vloeit naar het oordeel van de wrakingskamer geen objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid voort. De rechter heeft risico’s aan de zijde van verzoekster benoemd en getoetst of zij de gevolgen kon overzien.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.316 tekens)
Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer: 614360 HA RK 26-133
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 13 augustus 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoekster,
bijgestaan door mr. J.J. Faber, advocaat in Austerlitz.
1De procedure
1.1.
Verzoekster heeft op 8 juli 2026 mr. A.R. Scharrenborg gewraakt.
Mr. Scharrenborg (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 12032008 UC EXPL 25-10264 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 30 juli 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:
verzoekster;
mr. J.J. Faber.
1.3.
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek ingediend omdat zij vindt dat de rechter vooringenomen is. Hij volgde tijdens de zitting in de hoofdzaak kritiekloos de stellingen van de eisende partij. De stellingen van verzoekster werden door de rechter aan de kant geveegd. Het oordeel van de rechter was daardoor al bij voorbaat duidelijk.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Naar zijn mening is er geen sprake van feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid kan worden afgeleid. De wraking vond plaats aan het einde van de zitting.
Partijen waren naar de gang geweest om te kijken of ze tot een schikking konden komen. De advocaat van verzoekster vroeg bij binnenkomst meteen om vonnis. De schikkingspoging was heel snel verlopen en verzoekster had geen tolk en kon daardoor mogelijk alles niet in een keer goed volgen. De rechter heeft herhaald wat de vordering van eisers in de hoofdzaak was, waaronder de boete, omdat de rechter daarop moet beslissen als partijen niet tot afspraken komen. Dit deed de rechter om verzoekster een goede afweging te kunnen laten maken tussen het maken van afspraken en het vragen om een vonnis.
3De beoordeling
Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en licht dit als volgt toe.
3.4.
De rechter heeft in de hoofdzaak een mondelinge behandeling bepaald. Doel van een dergelijke behandeling is om de zaak en de standpunten van partijen helder te krijgen. Daarnaast onderzoekt de rechter of partijen tot een schikking kunnen komen.
3.5.
De wrakingskamer gaat uit van het verloop van en de gang van zaken op de zitting zoals in het proces-verbaal van 8 juli 2026 is weergegeven. De wrakingskamer ziet onvoldoende grond om niet van de inhoud van voornoemd proces-verbaal uit te gaan.
3.6.
Niet is gesteld of gebleken dat de rechter een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegen verzoekster.
3.7.
De wrakingskamer oordeelt dat uit de handelwijze van de rechter bij verzoekster niet de indruk van partijdigheid ontstaan kan zijn.
3.8.
Na uitwisseling van de standpunten van partijen heeft de rechter onderzocht of partijen tot een regeling konden komen. Nadat dit niet lukte heeft de rechter mogelijke risico’s aan de zijde van verzoekster benoemd. Hij heeft willen toetsen of verzoekster haar processuele positie kon inschatten en daartoe een voorlopig oordeel over de zaak gegeven. Dat de rechter daarbij, zoals verzoekster stelt, heeft gedreigd om de vorderingen van de eisende partij toe te wijzen, blijkt niet uit het proces-verbaal. De rechter mag een voorlopig oordeel over de zaak ook ongevraagd geven om te onderzoeken of partijen tot een schikking kunnen komen, zeker als – zoals in deze zaak – alle argumenten zijn gewisseld. Ook schept de rechter daarmee de gelegenheid partijen te laten reageren op dat voorlopig oordeel.
3.9.
Uit de handelwijze van de rechter vloeit naar het oordeel van de wrakingskamer geen objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid voort. Hij heeft risico’s aan de zijde van verzoekster benoemd en getoetst of zij de gevolgen kon overzien.
3.10.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.
4De beslissing
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 12032008 UC EXPL 25-10264 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. I.L. Rijnbout, voorzitter, en mr. J.F. Haeck en
mr. drs. B.G.W.P. Heijne als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. R. Dijkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
De griffier is niet in de gelegenheid
deze beslissing mede te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer: 614360 HA RK 26-133
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 13 augustus 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoekster,
bijgestaan door mr. J.J. Faber, advocaat in Austerlitz.
1De procedure
1.1.
Verzoekster heeft op 8 juli 2026 mr. A.R. Scharrenborg gewraakt.
Mr. Scharrenborg (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 12032008 UC EXPL 25-10264 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 30 juli 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:
verzoekster;
mr. J.J. Faber.
1.3.
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek ingediend omdat zij vindt dat de rechter vooringenomen is. Hij volgde tijdens de zitting in de hoofdzaak kritiekloos de stellingen van de eisende partij. De stellingen van verzoekster werden door de rechter aan de kant geveegd. Het oordeel van de rechter was daardoor al bij voorbaat duidelijk.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Naar zijn mening is er geen sprake van feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid kan worden afgeleid. De wraking vond plaats aan het einde van de zitting.
Partijen waren naar de gang geweest om te kijken of ze tot een schikking konden komen. De advocaat van verzoekster vroeg bij binnenkomst meteen om vonnis. De schikkingspoging was heel snel verlopen en verzoekster had geen tolk en kon daardoor mogelijk alles niet in een keer goed volgen. De rechter heeft herhaald wat de vordering van eisers in de hoofdzaak was, waaronder de boete, omdat de rechter daarop moet beslissen als partijen niet tot afspraken komen. Dit deed de rechter om verzoekster een goede afweging te kunnen laten maken tussen het maken van afspraken en het vragen om een vonnis.
3De beoordeling
Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en licht dit als volgt toe.
3.4.
De rechter heeft in de hoofdzaak een mondelinge behandeling bepaald. Doel van een dergelijke behandeling is om de zaak en de standpunten van partijen helder te krijgen. Daarnaast onderzoekt de rechter of partijen tot een schikking kunnen komen.
3.5.
De wrakingskamer gaat uit van het verloop van en de gang van zaken op de zitting zoals in het proces-verbaal van 8 juli 2026 is weergegeven. De wrakingskamer ziet onvoldoende grond om niet van de inhoud van voornoemd proces-verbaal uit te gaan.
3.6.
Niet is gesteld of gebleken dat de rechter een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegen verzoekster.
3.7.
De wrakingskamer oordeelt dat uit de handelwijze van de rechter bij verzoekster niet de indruk van partijdigheid ontstaan kan zijn.
3.8.
Na uitwisseling van de standpunten van partijen heeft de rechter onderzocht of partijen tot een regeling konden komen. Nadat dit niet lukte heeft de rechter mogelijke risico’s aan de zijde van verzoekster benoemd. Hij heeft willen toetsen of verzoekster haar processuele positie kon inschatten en daartoe een voorlopig oordeel over de zaak gegeven. Dat de rechter daarbij, zoals verzoekster stelt, heeft gedreigd om de vorderingen van de eisende partij toe te wijzen, blijkt niet uit het proces-verbaal. De rechter mag een voorlopig oordeel over de zaak ook ongevraagd geven om te onderzoeken of partijen tot een schikking kunnen komen, zeker als – zoals in deze zaak – alle argumenten zijn gewisseld. Ook schept de rechter daarmee de gelegenheid partijen te laten reageren op dat voorlopig oordeel.
3.9.
Uit de handelwijze van de rechter vloeit naar het oordeel van de wrakingskamer geen objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid voort. Hij heeft risico’s aan de zijde van verzoekster benoemd en getoetst of zij de gevolgen kon overzien.
3.10.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.
4De beslissing
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 12032008 UC EXPL 25-10264 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. I.L. Rijnbout, voorzitter, en mr. J.F. Haeck en
mr. drs. B.G.W.P. Heijne als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. R. Dijkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
De griffier is niet in de gelegenheid
deze beslissing mede te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.