Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5597
2026-08-13
Strafrecht
614019 HA RK 26-126
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wrakingszaak. Wraking afgewezen. Procesbeslissing. Afwijzing onderzoekswens horen getuigen. De motivering van de afwijzing is geen oordeel over de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte ten aanzien van de tenlastelegging.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1413 Hoge Raad 25-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.664 tekens)
Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer: 614019 HA RK 26-126
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 13 augustus 2026
op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de [verblijfplaats] ,
hierna: verzoeker,
bijgestaan door mr. F.L.C. Schoolderman, advocaat in Rotterdam.
1De procedure
1.1.
Verzoeker heeft op 1 juli 2026 mr. R.L.M. van Opstal gewraakt. Mr. Van Opstal (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het parketnummer
16-134324-25 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 30 juli 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:
verzoeker;
mr. F.L.C. Schoolderman.
1.3.
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
De rechter heeft een onderzoekswens van verzoeker tot het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] afgewezen. De rechter heeft daarbij overwogen dat aan de verklaring van verzoeker voorbij wordt gegaan. Deze uitlating heeft bij verzoeker de indruk gewekt dat er bij de beoordeling van de tenlastelegging geen aandacht meer zal zijn voor zijn lezing van de feiten. In het kader van de bespreking van de onderzoekswensen is door de rechter een uitspraak gedaan die een oordeel inhoudt over de verklaring van verzoeker en het nog te voeren verweer. De uitlating van de rechter geeft daardoor volgens verzoeker blijk van een gebrek aan onbevangenheid bij de beoordeling van de tenlastelegging. Het oordeel van de rechter is al gevormd. Door voorbij te gaan aan de verklaring van verzoeker is elk debat over de kern van de zaak uitgesloten.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Hij heeft het verzoek tot het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] afgewezen, omdat hij voor (de onderbouwing van) dit verzoek onvoldoende aanknopingspunten in het dossier ziet. Het verzoek tot het horen van de getuigen is terug te voeren op de niet eerder door verzoeker ingenomen stelling dat [getuige 2] tijdens de mishandeling in de cel aanwezig zou zijn geweest. Uit het dossier blijkt dit echter nergens. Daardoor ziet de rechter onvoldoende grond om nader onderzoek te doen naar deze stelling van verzoeker. De afwijzing is puur ingegeven door een processuele, juridische beslissing en op geen enkele wijze ingegeven doordat de rechter vooringenomen of partijdig zou zijn.
3De beoordeling
Het toetsingskader
3.1.
In artikel 512 Sv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De beslissing van de rechter om [getuige 1] en [getuige 2] niet te horen is een procesbeslissing. Verzoeker heeft aangevoerd dat het wrakingsverzoek niet ziet op deze beslissing op zichzelf, maar naar het oordeel van de wrakingskamer kunnen de procesbeslissing en de motivering daarvan niet los van elkaar worden gezien.
3.4.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een reden kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep.
3.5.
Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als reden voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven.
3.6.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en licht dit als volgt toe.
3.7.
De wrakingskamer gaat uit van het verloop van en de gang van zaken op de zitting zoals in het proces-verbaal van 1 juli 2026 is weergegeven. De wrakingskamer ziet onvoldoende grond om niet van de inhoud van voornoemd proces-verbaal uit te gaan. De enkele stelling van verzoeker dat het proces-verbaal niet klopt, is daarvoor onvoldoende.
3.8.
Door het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] wil verzoeker aantonen dat [getuige 2] , ten tijde van de mishandeling waarvan verzoeker beschuldigd wordt, ook in de cel aanwezig was. De aanwezigheid van [getuige 2] werpt volgens verzoeker een ander licht op de mishandeling. Verzoeker heeft het standpunt over de aanwezigheid van [getuige 2] voor het eerst in het kader van de onderzoekswensen naar voren gebracht.
3.9.
Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat de rechter met de motivering van de afwijzing de indruk heeft gewekt dat hij aan de gehele verklaring van verzoeker voorbij zal gaan en vooruit is gelopen op het nog te voeren verweer tegen de tenlastelegging, maar dit volgt naar het oordeel van de wrakingskamer niet uit de loop van de zitting blijkens het proces-verbaal.
3.10.
Uit het verloop van de zitting volgt volgens de wrakingskamer dat de rechter bij de beoordeling van het verzoek tot het horen van getuigen alleen het deel van de verklaring van verzoeker heeft betrokken dat er een derde persoon aanwezig zou zijn geweest en dat de rechter aan dat punt voorbij gaat in het kader van het verzoek om getuigen te horen, omdat daarvoor verder onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig zijn. De beslissing van de rechter is immers gebaseerd op de stelling van verzoeker dat [getuige 2] ten tijde van de mishandeling ook in de cel was.
3.11.
De rechter overweegt namelijk, zo blijkt uit het proces-verbaal:
“De belangrijkste reden voor het horen van de getuigen is dat de verdediging stelt dat
ook gedetineerde [getuige 2] in de cel aanwezig was. Ik zie geen aanknopingspunten
in het dossier dat [getuige 2] aanwezig zou zijn geweest in de cel.”
en
“Dat [getuige 2] in het geheel niet wordt genoemd, sluit niet volledig uit dat hij toch in de cel aanwezig kan zijn geweest, maar ik vind dit te veel een fishing expedition om het horen van [getuige 1] en [getuige 2] toe te wijzen.”
en
“Het enige aanknopingspunt voor het horen van de getuigen is dat uw cliënt u heeft gezegd dat ook [getuige 2] in de cel aanwezig was. Deze verklaring vind ik onvoldoende onderbouwing voor uw verzoek tot het horen van de getuigen, zodat ik daaraan voorbij ga.”
en
“Nogmaals, dat er in het dossier niets over [getuige 2] wordt gezegd, maakt niet per definitie dat hij er dus niet was, maar het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het feit dat hij er wel was.”
3.12.
De rechter heeft hiermee volgens de wrakingskamer geen oordeel gegeven over de geloofwaardigheid van de verklaring van verzoeker over de mishandeling als geheel. Dit oordeel zal de rechter naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling van de zaak geven.
3.13.
De motivering voor het niet horen van getuigen [getuige 2] en [getuige 1] kan in het licht van alle omstandigheden en naar objectieve maatstaven gemeten niet begrepen worden als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.
4De beslissing
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met parketnummer 16-134324-25 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. I.L. Rijnbout en
mr. B.F. Hammerle als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. R. Dijkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
De griffier is niet in de gelegenheid
deze beslissing mede te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:HR:2018:1413.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer: 614019 HA RK 26-126
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 13 augustus 2026
op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de [verblijfplaats] ,
hierna: verzoeker,
bijgestaan door mr. F.L.C. Schoolderman, advocaat in Rotterdam.
1De procedure
1.1.
Verzoeker heeft op 1 juli 2026 mr. R.L.M. van Opstal gewraakt. Mr. Van Opstal (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het parketnummer
16-134324-25 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 30 juli 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:
verzoeker;
mr. F.L.C. Schoolderman.
1.3.
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
De rechter heeft een onderzoekswens van verzoeker tot het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] afgewezen. De rechter heeft daarbij overwogen dat aan de verklaring van verzoeker voorbij wordt gegaan. Deze uitlating heeft bij verzoeker de indruk gewekt dat er bij de beoordeling van de tenlastelegging geen aandacht meer zal zijn voor zijn lezing van de feiten. In het kader van de bespreking van de onderzoekswensen is door de rechter een uitspraak gedaan die een oordeel inhoudt over de verklaring van verzoeker en het nog te voeren verweer. De uitlating van de rechter geeft daardoor volgens verzoeker blijk van een gebrek aan onbevangenheid bij de beoordeling van de tenlastelegging. Het oordeel van de rechter is al gevormd. Door voorbij te gaan aan de verklaring van verzoeker is elk debat over de kern van de zaak uitgesloten.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Hij heeft het verzoek tot het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] afgewezen, omdat hij voor (de onderbouwing van) dit verzoek onvoldoende aanknopingspunten in het dossier ziet. Het verzoek tot het horen van de getuigen is terug te voeren op de niet eerder door verzoeker ingenomen stelling dat [getuige 2] tijdens de mishandeling in de cel aanwezig zou zijn geweest. Uit het dossier blijkt dit echter nergens. Daardoor ziet de rechter onvoldoende grond om nader onderzoek te doen naar deze stelling van verzoeker. De afwijzing is puur ingegeven door een processuele, juridische beslissing en op geen enkele wijze ingegeven doordat de rechter vooringenomen of partijdig zou zijn.
3De beoordeling
Het toetsingskader
3.1.
In artikel 512 Sv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De beslissing van de rechter om [getuige 1] en [getuige 2] niet te horen is een procesbeslissing. Verzoeker heeft aangevoerd dat het wrakingsverzoek niet ziet op deze beslissing op zichzelf, maar naar het oordeel van de wrakingskamer kunnen de procesbeslissing en de motivering daarvan niet los van elkaar worden gezien.
3.4.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een reden kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep.
3.5.
Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als reden voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven.
3.6.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en licht dit als volgt toe.
3.7.
De wrakingskamer gaat uit van het verloop van en de gang van zaken op de zitting zoals in het proces-verbaal van 1 juli 2026 is weergegeven. De wrakingskamer ziet onvoldoende grond om niet van de inhoud van voornoemd proces-verbaal uit te gaan. De enkele stelling van verzoeker dat het proces-verbaal niet klopt, is daarvoor onvoldoende.
3.8.
Door het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] wil verzoeker aantonen dat [getuige 2] , ten tijde van de mishandeling waarvan verzoeker beschuldigd wordt, ook in de cel aanwezig was. De aanwezigheid van [getuige 2] werpt volgens verzoeker een ander licht op de mishandeling. Verzoeker heeft het standpunt over de aanwezigheid van [getuige 2] voor het eerst in het kader van de onderzoekswensen naar voren gebracht.
3.9.
Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat de rechter met de motivering van de afwijzing de indruk heeft gewekt dat hij aan de gehele verklaring van verzoeker voorbij zal gaan en vooruit is gelopen op het nog te voeren verweer tegen de tenlastelegging, maar dit volgt naar het oordeel van de wrakingskamer niet uit de loop van de zitting blijkens het proces-verbaal.
3.10.
Uit het verloop van de zitting volgt volgens de wrakingskamer dat de rechter bij de beoordeling van het verzoek tot het horen van getuigen alleen het deel van de verklaring van verzoeker heeft betrokken dat er een derde persoon aanwezig zou zijn geweest en dat de rechter aan dat punt voorbij gaat in het kader van het verzoek om getuigen te horen, omdat daarvoor verder onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig zijn. De beslissing van de rechter is immers gebaseerd op de stelling van verzoeker dat [getuige 2] ten tijde van de mishandeling ook in de cel was.
3.11.
De rechter overweegt namelijk, zo blijkt uit het proces-verbaal:
“De belangrijkste reden voor het horen van de getuigen is dat de verdediging stelt dat
ook gedetineerde [getuige 2] in de cel aanwezig was. Ik zie geen aanknopingspunten
in het dossier dat [getuige 2] aanwezig zou zijn geweest in de cel.”
en
“Dat [getuige 2] in het geheel niet wordt genoemd, sluit niet volledig uit dat hij toch in de cel aanwezig kan zijn geweest, maar ik vind dit te veel een fishing expedition om het horen van [getuige 1] en [getuige 2] toe te wijzen.”
en
“Het enige aanknopingspunt voor het horen van de getuigen is dat uw cliënt u heeft gezegd dat ook [getuige 2] in de cel aanwezig was. Deze verklaring vind ik onvoldoende onderbouwing voor uw verzoek tot het horen van de getuigen, zodat ik daaraan voorbij ga.”
en
“Nogmaals, dat er in het dossier niets over [getuige 2] wordt gezegd, maakt niet per definitie dat hij er dus niet was, maar het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het feit dat hij er wel was.”
3.12.
De rechter heeft hiermee volgens de wrakingskamer geen oordeel gegeven over de geloofwaardigheid van de verklaring van verzoeker over de mishandeling als geheel. Dit oordeel zal de rechter naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling van de zaak geven.
3.13.
De motivering voor het niet horen van getuigen [getuige 2] en [getuige 1] kan in het licht van alle omstandigheden en naar objectieve maatstaven gemeten niet begrepen worden als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.
4De beslissing
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met parketnummer 16-134324-25 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. I.L. Rijnbout en
mr. B.F. Hammerle als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. R. Dijkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
De griffier is niet in de gelegenheid
deze beslissing mede te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:HR:2018:1413.