Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5590
2026-08-07
Civiel recht
C/16/614286 / KL ZA 26-198
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Opheffingskortgeding conservatoir (derden)beslag. Vordering in hoofdzaak niet summierlijk ondeugdelijk, maar in het kader van een belangenafweging wordt het beslag op de bankrekening deels opgeheven.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.305 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/614286 / KL ZA 26-198
Vonnis in kort geding van 7 augustus 2026
in de zaak van
[de vrouw]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.M.H.H. Tuinstra en mr. M.L.H. Monfrance,
tegen
[de man]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R. van Coolwijk, mr. C.D.L. Janssen en mr. T.A.A.J.M. Weierink.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juli 2026 met producties 1 tot en met 17,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10,
- de akte aanvullende producties 18 en 19 van de vrouw,- de mondelinge behandeling van 23 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van de vrouw.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling was de vrouw aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. Monfrance. Ook de man was aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Janssen en mr. Weierink.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van deze zaak
2.1
De man meent een vordering te hebben op de vrouw en heeft daarom conservatoir beslag laten leggen op haar woning en haar bankrekeningen. In deze kortgedingprocedure vordert de vrouw (onder andere) opheffing van die beslagen. Hoewel niet summierlijk is gebleken dat de vordering van de man ondeugdelijk is, acht de voorzieningenrechter gedeeltelijke opheffing van het beslag op de bankrekeningen geboden, vanwege het zwaarwegende belang van de vrouw om in haar vaste lasten en levensonderhoud te kunnen voorzien in combinatie met de proportionaliteit van het gelegde beslag. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw daarom deels toe: het beslag op de woning blijft in stand, terwijl het beslag op de bankrekeningen gedeeltelijk wordt opgeheven. De andere vorderingen van de vrouw worden afgewezen. De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen wat er voorafging aan deze procedure en hoe hij tot deze beslissing is gekomen.
3De beoordeling
Het toetsingskader in een kortgedingprocedure tot opheffing van beslag
3.1
Artikel 705 Rv biedt een beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden, de mogelijkheid in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. Een spoedeisend belang daarbij wordt door de genoemde wetsbepaling niet vereist. In zoverre is zij een lex specialis ten opzichte van artikel 254 Rv. Er wordt dan ook voorbij gegaan aan het verweer van de man aangaande het spoedeisend belang.
3.2
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv moet een beslag worden opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt, of, wanneer het beslag is gelegd voor een geldvordering, als voor die vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is.
3.3
Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Dit komt erop neer dat ook wanneer twijfel mocht bestaan maar anderzijds het bestaan van de vordering niet bij voorbaat onwaarschijnlijk voor komt, het beslag in beginsel gehandhaafd moet worden. Bij de beoordeling van een opheffingsvordering moeten ook de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen, waarbij beoordeeld moet worden of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
De achtergrond van deze zaak
3.4
Op [datum] 2018 zijn partijen op huwelijkse voorwaarden getrouwd. In deze huwelijkse voorwaarden is onder andere opgenomen dat de echtgenoten bij echtscheiding de waarde delen van alle goederen en schulden die zij hebben, op enkele bestanddelen na. De vordering van de vrouw is daarbij gemaximeerd op € 1.000.000,00.
3.5
Tijdens het huwelijk heeft de man een bedrag van € 300.000,00 aan de vrouw overgemaakt.
3.6
Op [datum] 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In diezelfde beschikking heeft de rechtbank een verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw om de hiervoor genoemde € 300.000,00 terug te betalen afgewezen. Aan de vrouw is opgedragen bewijs te leveren voor haar stelling dat zij recht heeft op € 1.000.000,00 van de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
3.7
De man heeft tegen de beschikking van [datum] 2023 tussentijds hoger beroep ingesteld. De vrouw heeft verweer gevoerd en heeft zelf ook (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Bij (tussen)beschikking van 3 september 2024 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat betaling van de man aan de vrouw van € 300.000,00 moet worden aangemerkt als een voorschot op het bedrag dat de vrouw uiteindelijk in het kader van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden zal ontvangen. Daarnaast heeft het Hof iedere beslissing aangehouden in afwachting van de procedure bij de rechtbank over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
3.8
Na bewijslevering en getuigenverhoren heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 14 april 2025 de man veroordeeld om € 1.000.000,00 aan de vrouw te betalen.
3.9
De man heeft ook tegen die beschikking hoger beroep ingesteld. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft beide zaken gelijktijdig beoordeeld in de beschikking van 23 april 2026. Zij heeft de beslissing van de rechtbank van 14 april 2025 vernietigd, voor zover de man daarin is veroordeeld om € 1.000.000,00 aan de vrouw te betalen. Verder verklaart het Hof voor recht dat de man een eventueel op grond van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw te betalen bedrag mag verrekenen met het reeds betaalde bedrag van € 300.000,00. Als de man op grond van het verrekenbeding een lager bedrag dan € 300.000,00 moet betalen aan de vrouw, moet zij het verschil terugbetalen, en als de man niets aan de vrouw verschuldigd blijkt, moet de vrouw de volledige € 300.000,00 aan hem terugbetalen. Het Hof overweegt daarbij onder meer:
“5.10 Partijen zullen alsnog het tussen hen in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding moeten uitvoeren. In dat kader zal eerst duidelijk moeten worden wat het vermogen van ieder van partijen op de peildatum was. Vervolgens zal moeten worden gekeken welke vermogensbestanddelen van die vermogens onder het verrekenbeding vallen en welke waarde die op de peildatum hadden. Eerst dan kan worden vastgesteld of aan de vrouw een bedrag toekomt en hoeveel. En als daar een bedrag uitkomt, is dit op grond van de huwelijkse voorwaarden gemaximeerd op een miljoen euro. Het hof adviseert partijen om het verrekenbeding met behulp van een notaris uit te voeren.”
“7.2 verklaart voor recht dat de man een eventueel op grond van het verrekenbeding aan de vrouw te betalen bedrag mag verrekenen met het bedrag van € 300,000 dat al aan de vrouw is voldaan, of zo de man op grond van het verrekenbeding een lager bedrag dan € 300.000 aan de vrouw moet voldoen, dat de vrouw het verschil aan de man moet terugbetalen en voor het geval de man op grond van het verrekenbeding geen bedrag aan de vrouw hoeft te voldoen, dat de vrouw de € 300.000 aan de man moet terugbetalen:”
3.10
Die verrekening heeft tot op heden niet plaatsgevonden.
3.11
Vervolgens is de man op 25 juni 2026 een nieuwe bodemprocedure gestart bij Rechtbank Midden-Nederland, waarin hij terugbetaling van € 300.000,00 vordert op grond van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking (hierna: de hoofdzaak). Diezelfde dag heeft de man een verzoek gedaan aan de rechtbank om conservatoir beslag te leggen op de bankrekening en de woning van de vrouw, ter zekerheid van zijn vordering. De rechtbank heeft hiervoor verlof verleend met begroting van de vordering op € 390.000,00.
De vordering van de man is niet summierlijk ondeugdelijk
3.12
In deze kortgedingprocedure vordert de vrouw opheffing van de gelegde beslagen, althans opheffing van het beslag op haar bankrekening. De vrouw moet aannemelijk maken dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vordering van de man in de hoofdzaak. De vrouw is van mening dat het Hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend en verwacht dat de beslissing van het Hof in cassatie geen stand zal houden. Zo is het Hof volgens de vrouw onder andere voorbijgegaan aan haar stelling dat de betaling van € 300.000,00 onderdeel vormde van de tussen partijen gemaakte financiële afspraken en ertoe strekte haar eigen vermogen op te bouwen, in plaats van dat dit moet worden gezien als een voorschot. De vordering van de man tot terugbetaling van € 300.000,00 is reeds twee keer afgewezen. Omdat de man in de hoofdzaak opnieuw betaling van € 300.000,00 vordert, terwijl de beslissing van het Hof nog niet onherroepelijk is, verwacht de vrouw dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het Hof heeft slechts geoordeeld dat de betaling van € 300.000,00 kan worden gezien als eventueel voorschot op de eindafrekening. Dat is een voorwaardelijke vordering. Zolang de eindafrekening niet is gemaakt, komt de man geen vorderingsrecht toe. De vordering van de man berust volgens de vrouw daarnaast op de premisse dat de man op grond van het finaal verrekenbeding niets aan de vrouw verschuldigd is, terwijl de vrouw meent dat de man zeer vermogend is en een onjuiste voorstelling geeft van zijn vermogen.
3.13
De man betwist de stellingen van de vrouw onder verwijzing naar de beschikking van het Hof van 23 april 2025. Hieruit blijkt volgens hem juist dat de € 300.000,00 is aangemerkt als een latente vordering, die definitief kan worden vastgesteld als de eindafrekening is gemaakt. De beslissing van het Hof is echter slechts een verklaring voor recht, wat betekent dat de man zich genoodzaakt zag de hoofdzaak te starten om het voorgeschoten bedrag terug te krijgen. Dat de vrouw in cassatie is gegaan tegen de uitspraak van het Hof, maakt dit niet anders. Het is volgens hem daarnaast niet de man, maar juist de vrouw die een onjuiste voorstelling geeft van haar vermogen.
3.14
De voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit moment, gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen en verschillende uitkomsten in eerdere procedures, niet zonder meer kan worden aangenomen dat de vordering van de man summierlijk ondeugdelijk is. Uit het oordeel van het Hof blijkt dat er een mogelijke vordering tot betaling van € 300.000,00 aan de man is, waarvan onduidelijk is of en wanneer dit daadwerkelijk kan worden gevorderd zolang de eindafrekening niet is gemaakt. Het Hof heeft gesuggereerd een notaris in te schakelen voor de verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden. Het was daarnaast mogelijk geweest een verzoek tot vermogensverdeling te doen aan de rechtbank. Hoewel het voor de hand had gelegen dat de man dit in de bodemprocedure zou vorderen, heeft hij ervoor gekozen om in de hoofdzaak direct betaling van € 300.000,00 te vorderen. De voorzieningenrechter acht het onwaarschijnlijk dat deze vordering het gewenste resultaat zal opleveren zolang niet duidelijk is wat partijen elkaar op grond van de eindafrekening verschuldigd zijn. Dat zal wellicht in de bodemprocedure kunnen worden vastgesteld. Niet op voorhand kan met voldoende zekerheid worden aangenomen dat de rechter in de hoofdzaak zal oordelen dat de man geen vorderingsrecht toekomt. Partijen hebben elkaars stellingen grotendeels gemotiveerd betwist, waarbij ze ook standpunten innemen die een nadere toelichting behoeven. De man heeft per peildatum een vermogensopstelling overgelegd, waaruit een negatief vermogen zou blijken, terwijl de vrouw de juistheid van de daarin opgenomen vermogensbestanddelen betwist. Deze kortgedingprocedure leent zich niet voor een dergelijk onderzoek. De gegrondheid van de vordering van de man moet verder in de hoofdzaak worden beoordeeld. In deze kortgedingprocedure kan niet vooruitgelopen worden op de beoordeling in de hoofdzaak. De conclusie is dat niet summierlijk is gebleken dat de vordering ondeugdelijk is.
Het beslag wordt toch deels opgeheven vanwege zwaarwegend belang van de vrouw
3.15
Om te beslissen over de vordering van de vrouw, zal de voorzieningenrechter ook nog een afweging moeten maken tussen het belang van de vrouw bij opheffing van het beslag en het belang van de man bij de handhaving daarvan.
3.16
De vrouw stelt dat vrijwel al haar financiële middelen door het beslag zijn bevroren, waardoor zij ernstig wordt belemmerd in het betalen van haar vaste lasten, het voorzien in haar levensonderhoud en het bekostigen van rechtsbijstand. Zij ontvangt geen partneralimentatie omdat zij geacht wordt over voldoende middelen te beschikken, maar juist over deze middelen kan zij door het beslag niet meer beschikken. Bovendien is recentelijk haar loon stopgezet en ontvangt zij slechts nog een WIA-uitkering, waardoor haar inkomsten momenteel onvoldoende zijn om haar vaste lasten te dekken. De vrouw voert aan dat de man juist vermogend is en daarom geen belang heeft bij het beslag. Dat is echter niet het relevante toetsingskader. Het belang van de vrouw dient te worden afgewogen tegen het risico dat de man loopt dat de vrouw bij opheffing van het beslag geen verhaal biedt voor zijn eventuele vordering. De man ziet juist daar een risico, nu de vrouw aangeeft nauwelijks inkomsten te hebben en zij de betaling van € 300.000,00 inmiddels voor andere zaken zou hebben aangewend. Tegelijkertijd is de man van mening dat de door de vrouw overgelegde stukken met betrekking tot haar inkomsten onvolledig zijn en meent hij dat zij over voldoende financiële middelen beschikt om in haar levensonderhoud te voorzien.
3.17
De voorzieningenrechter erkent het risico dat de man loopt bij opheffing van het beslag, maar weegt tegelijk het belang van de vrouw om vrij over haar vermogen te beschikken en daarmee in haar vaste lasten en levensonderhoud te voorzien, zwaar. Partijen hebben elkaars standpunten grotendeels gemotiveerd betwist en enkele stellingen behoeven nadere toelichting. Zo stelt de vrouw dat zij niet in haar levensonderhoud kan voorzien, terwijl de man dit betwist. Deze kortgedingprocedure leent zich echter niet voor nader onderzoek, zoals ook overwogen in 3.14. De voorzieningenrechter acht de stellingen van de vrouw voldoende aannemelijk en neemt daarom voor het oordeel over het beslag deze voorlopig als juist aan. Dit betekent dat het beslag wordt opgeheven, zolang aan de man minimaal zekerheid van verhaal wordt geboden voor de begrote vordering van € 390.000,00. Beslaglegging op een hoger bedrag dan de begrote vordering acht de voorzieningenrechter niet proportioneel.
3.18
Er moet worden vastgesteld in hoeverre het beslag op de woning voldoende verhaal biedt, zodat kan worden bepaald tot welk bedrag het beslag op de bankrekening kan blijven bestaan. Uit het overgelegde taxatierapport blijkt dat de marktwaarde van de woning € 900.000,00 is. Volgens de vrouw geldt dit als uitgangspunt bij het waarderen van de woning. De man stelt dat de executiewaarde, die doorgaans ongeveer 10% lager is, het uitgangspunt moet zijn. De voorzieningenrechter gaat uit van de marktwaarde, omdat een woning in vergelijkbare gevallen meestal onderhands wordt verkocht tegen de marktwaarde. De openstaande hypotheekschuld is € 598.062,62, zodat er een overwaarde overblijft van € 301.937,38. Als dat bedrag in mindering wordt gebracht op de begrote vordering van € 390.000,00, blijft er € 88.062,62 over. Dat is het bedrag op de bankrekening waarop het beslag gehandhaafd blijft. Het beslag onder de Rabobank heeft de bankrekening van de vrouw onder nummer [rekeningnummer] .. voor een bedrag van € 14.879,52 getroffen en de bankrekening onder nummer [rekeningnummer] .. voor een bedrag van € 251.805.
3.19
Gelet op het voorgaande wordt de vordering van de vrouw tot opheffing van het beslag gedeeltelijk toegewezen: het beslag op de woning blijft in stand, terwijl het beslag op de bankrekening wordt opgeheven voor het meerdere boven een bedrag van € 88.062,62. Op deze wijze kan de vrouw beschikken over een deel van haar vermogen en heeft de man voldoende zekerheid van verhaal voor zijn begrote vordering.
De vordering tot een verbod op hernieuwde beslaglegging wordt afgewezen
3.20
De vrouw vordert ook een verbod tot hernieuwde beslaglegging, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per (poging tot) overtreding van dit verbod. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gevorderde te ver strekt. Er bestaat onvoldoende grond om de man te verbieden in de toekomst, wanneer de omstandigheden wellicht gewijzigd zijn, gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid tot het leggen van conservatoir beslag. Wel rust op de man op grond van artikel 21 Rv de verplichting om bij een eventueel hernieuwd verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van de vrouw melding te maken van de inhoud van dit vonnis, alsmede van het eerdere beslagrekest, een en ander conform het bepaalde in de Beslagsyllabus
De vordering tot betaling van een voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen
3.21
De vrouw vordert tot slot een bedrag van € 5.000,00, althans een ander door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, als voorschot op schadevergoeding als gevolg van onrechtmatig gelegd beslag. Ze meent dat de man het conservatoir beslag gebruikt als instrument om haar financieel te ontwrichten en haar toegang tot de rechter te blokkeren, zodat er sprake is van misbruik van recht daarmee onrechtmatig wordt gehandeld jegens de vrouw. Zij lijdt onder andere schade doordat zij haar lopende financiële verplichtingen niet kan nakomen en kosten voor rechtsbijstand moet maken. De man betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld en dat er sprake is van schade.
3.22
Voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding is vereist dat, gegeven de beschikbare gegevens, duidelijk is dat de vrouw door het onrechtmatig handelen van de man schade lijdt tot tenminste het als voorschot toe te wijzen bedrag. Mede gelet op de betwisting van de man kan in deze procedure niet worden vastgesteld en kan ook niet met de vereiste, hoge, mate van waarschijnlijkheid worden ingeschat tot welk bedrag de vrouw tenminste schade zou hebben geleden. Bij een eventuele afwijzing van de vordering van de man in de hoofdzaak, zal hij kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. De voorzieningenrechter ziet geen reden om daarop vooruit te lopen in deze kortgedingprocedure.
Proceskosten
3.23
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1
wijst de vordering van de vrouw tot opheffing van het conservatoir derdenbeslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A. toe voor het meerdere boven een bedrag van € 88.062,62,
4.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026
5998
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/614286 / KL ZA 26-198
Vonnis in kort geding van 7 augustus 2026
in de zaak van
[de vrouw]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.M.H.H. Tuinstra en mr. M.L.H. Monfrance,
tegen
[de man]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R. van Coolwijk, mr. C.D.L. Janssen en mr. T.A.A.J.M. Weierink.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juli 2026 met producties 1 tot en met 17,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10,
- de akte aanvullende producties 18 en 19 van de vrouw,- de mondelinge behandeling van 23 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van de vrouw.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling was de vrouw aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. Monfrance. Ook de man was aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Janssen en mr. Weierink.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van deze zaak
2.1
De man meent een vordering te hebben op de vrouw en heeft daarom conservatoir beslag laten leggen op haar woning en haar bankrekeningen. In deze kortgedingprocedure vordert de vrouw (onder andere) opheffing van die beslagen. Hoewel niet summierlijk is gebleken dat de vordering van de man ondeugdelijk is, acht de voorzieningenrechter gedeeltelijke opheffing van het beslag op de bankrekeningen geboden, vanwege het zwaarwegende belang van de vrouw om in haar vaste lasten en levensonderhoud te kunnen voorzien in combinatie met de proportionaliteit van het gelegde beslag. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw daarom deels toe: het beslag op de woning blijft in stand, terwijl het beslag op de bankrekeningen gedeeltelijk wordt opgeheven. De andere vorderingen van de vrouw worden afgewezen. De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen wat er voorafging aan deze procedure en hoe hij tot deze beslissing is gekomen.
3De beoordeling
Het toetsingskader in een kortgedingprocedure tot opheffing van beslag
3.1
Artikel 705 Rv biedt een beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden, de mogelijkheid in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. Een spoedeisend belang daarbij wordt door de genoemde wetsbepaling niet vereist. In zoverre is zij een lex specialis ten opzichte van artikel 254 Rv. Er wordt dan ook voorbij gegaan aan het verweer van de man aangaande het spoedeisend belang.
3.2
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv moet een beslag worden opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt, of, wanneer het beslag is gelegd voor een geldvordering, als voor die vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is.
3.3
Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Dit komt erop neer dat ook wanneer twijfel mocht bestaan maar anderzijds het bestaan van de vordering niet bij voorbaat onwaarschijnlijk voor komt, het beslag in beginsel gehandhaafd moet worden. Bij de beoordeling van een opheffingsvordering moeten ook de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen, waarbij beoordeeld moet worden of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
De achtergrond van deze zaak
3.4
Op [datum] 2018 zijn partijen op huwelijkse voorwaarden getrouwd. In deze huwelijkse voorwaarden is onder andere opgenomen dat de echtgenoten bij echtscheiding de waarde delen van alle goederen en schulden die zij hebben, op enkele bestanddelen na. De vordering van de vrouw is daarbij gemaximeerd op € 1.000.000,00.
3.5
Tijdens het huwelijk heeft de man een bedrag van € 300.000,00 aan de vrouw overgemaakt.
3.6
Op [datum] 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In diezelfde beschikking heeft de rechtbank een verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw om de hiervoor genoemde € 300.000,00 terug te betalen afgewezen. Aan de vrouw is opgedragen bewijs te leveren voor haar stelling dat zij recht heeft op € 1.000.000,00 van de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
3.7
De man heeft tegen de beschikking van [datum] 2023 tussentijds hoger beroep ingesteld. De vrouw heeft verweer gevoerd en heeft zelf ook (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Bij (tussen)beschikking van 3 september 2024 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat betaling van de man aan de vrouw van € 300.000,00 moet worden aangemerkt als een voorschot op het bedrag dat de vrouw uiteindelijk in het kader van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden zal ontvangen. Daarnaast heeft het Hof iedere beslissing aangehouden in afwachting van de procedure bij de rechtbank over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
3.8
Na bewijslevering en getuigenverhoren heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 14 april 2025 de man veroordeeld om € 1.000.000,00 aan de vrouw te betalen.
3.9
De man heeft ook tegen die beschikking hoger beroep ingesteld. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft beide zaken gelijktijdig beoordeeld in de beschikking van 23 april 2026. Zij heeft de beslissing van de rechtbank van 14 april 2025 vernietigd, voor zover de man daarin is veroordeeld om € 1.000.000,00 aan de vrouw te betalen. Verder verklaart het Hof voor recht dat de man een eventueel op grond van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw te betalen bedrag mag verrekenen met het reeds betaalde bedrag van € 300.000,00. Als de man op grond van het verrekenbeding een lager bedrag dan € 300.000,00 moet betalen aan de vrouw, moet zij het verschil terugbetalen, en als de man niets aan de vrouw verschuldigd blijkt, moet de vrouw de volledige € 300.000,00 aan hem terugbetalen. Het Hof overweegt daarbij onder meer:
“5.10 Partijen zullen alsnog het tussen hen in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding moeten uitvoeren. In dat kader zal eerst duidelijk moeten worden wat het vermogen van ieder van partijen op de peildatum was. Vervolgens zal moeten worden gekeken welke vermogensbestanddelen van die vermogens onder het verrekenbeding vallen en welke waarde die op de peildatum hadden. Eerst dan kan worden vastgesteld of aan de vrouw een bedrag toekomt en hoeveel. En als daar een bedrag uitkomt, is dit op grond van de huwelijkse voorwaarden gemaximeerd op een miljoen euro. Het hof adviseert partijen om het verrekenbeding met behulp van een notaris uit te voeren.”
“7.2 verklaart voor recht dat de man een eventueel op grond van het verrekenbeding aan de vrouw te betalen bedrag mag verrekenen met het bedrag van € 300,000 dat al aan de vrouw is voldaan, of zo de man op grond van het verrekenbeding een lager bedrag dan € 300.000 aan de vrouw moet voldoen, dat de vrouw het verschil aan de man moet terugbetalen en voor het geval de man op grond van het verrekenbeding geen bedrag aan de vrouw hoeft te voldoen, dat de vrouw de € 300.000 aan de man moet terugbetalen:”
3.10
Die verrekening heeft tot op heden niet plaatsgevonden.
3.11
Vervolgens is de man op 25 juni 2026 een nieuwe bodemprocedure gestart bij Rechtbank Midden-Nederland, waarin hij terugbetaling van € 300.000,00 vordert op grond van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking (hierna: de hoofdzaak). Diezelfde dag heeft de man een verzoek gedaan aan de rechtbank om conservatoir beslag te leggen op de bankrekening en de woning van de vrouw, ter zekerheid van zijn vordering. De rechtbank heeft hiervoor verlof verleend met begroting van de vordering op € 390.000,00.
De vordering van de man is niet summierlijk ondeugdelijk
3.12
In deze kortgedingprocedure vordert de vrouw opheffing van de gelegde beslagen, althans opheffing van het beslag op haar bankrekening. De vrouw moet aannemelijk maken dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vordering van de man in de hoofdzaak. De vrouw is van mening dat het Hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend en verwacht dat de beslissing van het Hof in cassatie geen stand zal houden. Zo is het Hof volgens de vrouw onder andere voorbijgegaan aan haar stelling dat de betaling van € 300.000,00 onderdeel vormde van de tussen partijen gemaakte financiële afspraken en ertoe strekte haar eigen vermogen op te bouwen, in plaats van dat dit moet worden gezien als een voorschot. De vordering van de man tot terugbetaling van € 300.000,00 is reeds twee keer afgewezen. Omdat de man in de hoofdzaak opnieuw betaling van € 300.000,00 vordert, terwijl de beslissing van het Hof nog niet onherroepelijk is, verwacht de vrouw dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het Hof heeft slechts geoordeeld dat de betaling van € 300.000,00 kan worden gezien als eventueel voorschot op de eindafrekening. Dat is een voorwaardelijke vordering. Zolang de eindafrekening niet is gemaakt, komt de man geen vorderingsrecht toe. De vordering van de man berust volgens de vrouw daarnaast op de premisse dat de man op grond van het finaal verrekenbeding niets aan de vrouw verschuldigd is, terwijl de vrouw meent dat de man zeer vermogend is en een onjuiste voorstelling geeft van zijn vermogen.
3.13
De man betwist de stellingen van de vrouw onder verwijzing naar de beschikking van het Hof van 23 april 2025. Hieruit blijkt volgens hem juist dat de € 300.000,00 is aangemerkt als een latente vordering, die definitief kan worden vastgesteld als de eindafrekening is gemaakt. De beslissing van het Hof is echter slechts een verklaring voor recht, wat betekent dat de man zich genoodzaakt zag de hoofdzaak te starten om het voorgeschoten bedrag terug te krijgen. Dat de vrouw in cassatie is gegaan tegen de uitspraak van het Hof, maakt dit niet anders. Het is volgens hem daarnaast niet de man, maar juist de vrouw die een onjuiste voorstelling geeft van haar vermogen.
3.14
De voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit moment, gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen en verschillende uitkomsten in eerdere procedures, niet zonder meer kan worden aangenomen dat de vordering van de man summierlijk ondeugdelijk is. Uit het oordeel van het Hof blijkt dat er een mogelijke vordering tot betaling van € 300.000,00 aan de man is, waarvan onduidelijk is of en wanneer dit daadwerkelijk kan worden gevorderd zolang de eindafrekening niet is gemaakt. Het Hof heeft gesuggereerd een notaris in te schakelen voor de verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden. Het was daarnaast mogelijk geweest een verzoek tot vermogensverdeling te doen aan de rechtbank. Hoewel het voor de hand had gelegen dat de man dit in de bodemprocedure zou vorderen, heeft hij ervoor gekozen om in de hoofdzaak direct betaling van € 300.000,00 te vorderen. De voorzieningenrechter acht het onwaarschijnlijk dat deze vordering het gewenste resultaat zal opleveren zolang niet duidelijk is wat partijen elkaar op grond van de eindafrekening verschuldigd zijn. Dat zal wellicht in de bodemprocedure kunnen worden vastgesteld. Niet op voorhand kan met voldoende zekerheid worden aangenomen dat de rechter in de hoofdzaak zal oordelen dat de man geen vorderingsrecht toekomt. Partijen hebben elkaars stellingen grotendeels gemotiveerd betwist, waarbij ze ook standpunten innemen die een nadere toelichting behoeven. De man heeft per peildatum een vermogensopstelling overgelegd, waaruit een negatief vermogen zou blijken, terwijl de vrouw de juistheid van de daarin opgenomen vermogensbestanddelen betwist. Deze kortgedingprocedure leent zich niet voor een dergelijk onderzoek. De gegrondheid van de vordering van de man moet verder in de hoofdzaak worden beoordeeld. In deze kortgedingprocedure kan niet vooruitgelopen worden op de beoordeling in de hoofdzaak. De conclusie is dat niet summierlijk is gebleken dat de vordering ondeugdelijk is.
Het beslag wordt toch deels opgeheven vanwege zwaarwegend belang van de vrouw
3.15
Om te beslissen over de vordering van de vrouw, zal de voorzieningenrechter ook nog een afweging moeten maken tussen het belang van de vrouw bij opheffing van het beslag en het belang van de man bij de handhaving daarvan.
3.16
De vrouw stelt dat vrijwel al haar financiële middelen door het beslag zijn bevroren, waardoor zij ernstig wordt belemmerd in het betalen van haar vaste lasten, het voorzien in haar levensonderhoud en het bekostigen van rechtsbijstand. Zij ontvangt geen partneralimentatie omdat zij geacht wordt over voldoende middelen te beschikken, maar juist over deze middelen kan zij door het beslag niet meer beschikken. Bovendien is recentelijk haar loon stopgezet en ontvangt zij slechts nog een WIA-uitkering, waardoor haar inkomsten momenteel onvoldoende zijn om haar vaste lasten te dekken. De vrouw voert aan dat de man juist vermogend is en daarom geen belang heeft bij het beslag. Dat is echter niet het relevante toetsingskader. Het belang van de vrouw dient te worden afgewogen tegen het risico dat de man loopt dat de vrouw bij opheffing van het beslag geen verhaal biedt voor zijn eventuele vordering. De man ziet juist daar een risico, nu de vrouw aangeeft nauwelijks inkomsten te hebben en zij de betaling van € 300.000,00 inmiddels voor andere zaken zou hebben aangewend. Tegelijkertijd is de man van mening dat de door de vrouw overgelegde stukken met betrekking tot haar inkomsten onvolledig zijn en meent hij dat zij over voldoende financiële middelen beschikt om in haar levensonderhoud te voorzien.
3.17
De voorzieningenrechter erkent het risico dat de man loopt bij opheffing van het beslag, maar weegt tegelijk het belang van de vrouw om vrij over haar vermogen te beschikken en daarmee in haar vaste lasten en levensonderhoud te voorzien, zwaar. Partijen hebben elkaars standpunten grotendeels gemotiveerd betwist en enkele stellingen behoeven nadere toelichting. Zo stelt de vrouw dat zij niet in haar levensonderhoud kan voorzien, terwijl de man dit betwist. Deze kortgedingprocedure leent zich echter niet voor nader onderzoek, zoals ook overwogen in 3.14. De voorzieningenrechter acht de stellingen van de vrouw voldoende aannemelijk en neemt daarom voor het oordeel over het beslag deze voorlopig als juist aan. Dit betekent dat het beslag wordt opgeheven, zolang aan de man minimaal zekerheid van verhaal wordt geboden voor de begrote vordering van € 390.000,00. Beslaglegging op een hoger bedrag dan de begrote vordering acht de voorzieningenrechter niet proportioneel.
3.18
Er moet worden vastgesteld in hoeverre het beslag op de woning voldoende verhaal biedt, zodat kan worden bepaald tot welk bedrag het beslag op de bankrekening kan blijven bestaan. Uit het overgelegde taxatierapport blijkt dat de marktwaarde van de woning € 900.000,00 is. Volgens de vrouw geldt dit als uitgangspunt bij het waarderen van de woning. De man stelt dat de executiewaarde, die doorgaans ongeveer 10% lager is, het uitgangspunt moet zijn. De voorzieningenrechter gaat uit van de marktwaarde, omdat een woning in vergelijkbare gevallen meestal onderhands wordt verkocht tegen de marktwaarde. De openstaande hypotheekschuld is € 598.062,62, zodat er een overwaarde overblijft van € 301.937,38. Als dat bedrag in mindering wordt gebracht op de begrote vordering van € 390.000,00, blijft er € 88.062,62 over. Dat is het bedrag op de bankrekening waarop het beslag gehandhaafd blijft. Het beslag onder de Rabobank heeft de bankrekening van de vrouw onder nummer [rekeningnummer] .. voor een bedrag van € 14.879,52 getroffen en de bankrekening onder nummer [rekeningnummer] .. voor een bedrag van € 251.805.
3.19
Gelet op het voorgaande wordt de vordering van de vrouw tot opheffing van het beslag gedeeltelijk toegewezen: het beslag op de woning blijft in stand, terwijl het beslag op de bankrekening wordt opgeheven voor het meerdere boven een bedrag van € 88.062,62. Op deze wijze kan de vrouw beschikken over een deel van haar vermogen en heeft de man voldoende zekerheid van verhaal voor zijn begrote vordering.
De vordering tot een verbod op hernieuwde beslaglegging wordt afgewezen
3.20
De vrouw vordert ook een verbod tot hernieuwde beslaglegging, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per (poging tot) overtreding van dit verbod. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gevorderde te ver strekt. Er bestaat onvoldoende grond om de man te verbieden in de toekomst, wanneer de omstandigheden wellicht gewijzigd zijn, gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid tot het leggen van conservatoir beslag. Wel rust op de man op grond van artikel 21 Rv de verplichting om bij een eventueel hernieuwd verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van de vrouw melding te maken van de inhoud van dit vonnis, alsmede van het eerdere beslagrekest, een en ander conform het bepaalde in de Beslagsyllabus
De vordering tot betaling van een voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen
3.21
De vrouw vordert tot slot een bedrag van € 5.000,00, althans een ander door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, als voorschot op schadevergoeding als gevolg van onrechtmatig gelegd beslag. Ze meent dat de man het conservatoir beslag gebruikt als instrument om haar financieel te ontwrichten en haar toegang tot de rechter te blokkeren, zodat er sprake is van misbruik van recht daarmee onrechtmatig wordt gehandeld jegens de vrouw. Zij lijdt onder andere schade doordat zij haar lopende financiële verplichtingen niet kan nakomen en kosten voor rechtsbijstand moet maken. De man betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld en dat er sprake is van schade.
3.22
Voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding is vereist dat, gegeven de beschikbare gegevens, duidelijk is dat de vrouw door het onrechtmatig handelen van de man schade lijdt tot tenminste het als voorschot toe te wijzen bedrag. Mede gelet op de betwisting van de man kan in deze procedure niet worden vastgesteld en kan ook niet met de vereiste, hoge, mate van waarschijnlijkheid worden ingeschat tot welk bedrag de vrouw tenminste schade zou hebben geleden. Bij een eventuele afwijzing van de vordering van de man in de hoofdzaak, zal hij kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. De voorzieningenrechter ziet geen reden om daarop vooruit te lopen in deze kortgedingprocedure.
Proceskosten
3.23
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1
wijst de vordering van de vrouw tot opheffing van het conservatoir derdenbeslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A. toe voor het meerdere boven een bedrag van € 88.062,62,
4.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026
5998