Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5583

2026-08-05 Civiel recht C/16/612870 / KG ZA 26-343
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/612870 / KG ZA 26-343
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

incassokortgeding; advocaat vordert betaling van zijn factuur; de hoge drempel voor toewijzing van geldvorderingen in kort geding is niet gehaald

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.768 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: C/16/612870 / KG ZA 26-343




Vonnis in kort geding van 5 augustus 2026




in de zaak van





[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. J. Stikkelbroeck te Amsterdam,



tegen





1 [gedaagde sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. J.C.T. Papeveld te Veldhoven.






1De procedure


1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 2 juli 2026 met producties 1 tot en met 10,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 31,
- de door [gedaagden] op 21 juli 2026 ingediende productie 32.



1.2
Op 22 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens [eiseres] zijn verschenen de heer [A] (statutair bestuurder, hierna: [A] ) en mr. Stikkelbroeck. Namens [gedaagden] zijn verschenen [gedaagde sub 1] (voor zich zelf en als middellijk statutair bestuurder van [gedaagde sub 2] ) en mr. Papeveld. Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen zijn aan het dossier toegevoegd. Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.





2Waar de zaak over gaat


2.1
Het gaat om een incassokortgeding. [A] heeft zijn advocatenpraktijk ondergebracht in [eiseres] , waarvan hij ook de enige statutair bestuurder en de enige aandeelhouder is. [eiseres] stelt dat [A] in opdracht van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] werkzaamheden heeft verricht en dat haar laatste declaratie, van € 32.072,11 inclusief btw, nog niet is betaald. In deze procedure vordert [eiseres] dat bedrag, met rente en kosten. De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen af omdat de hoge drempel voor toewijzing van een geldsom in kort geding niet is gehaald.





3De achtergrond van het geschil


3.1

[A] werkte aanvankelijk als advocaat bij [bedrijf 1] en sinds 1 september 2023 bij [eiseres] . [eiseres] heeft op 27 december 2024 voor € 32.072,11 een factuur opgemaakt. Deze is gericht aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] gezamenlijk. Uit die factuur en de bijbehorende specificatie volgt dat het bedrag ziet op werkzaamheden die van [A] tussen 19 maart 2023 en 21 februari 2024 heeft verricht in verband met het hoger beroep hij dat namens [gedaagde sub 2] had ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 februari 2023. In dat vonnis waren de vorderingen van [gedaagde sub 2] tegen ICT dienstverlener [bedrijf 2] (en drie gelieerde vennootschappen, hierna: [bedrijf 2] ) afgewezen.



3.2
Het gerechtshof Amsterdam heeft die uitspraak bij arrest van 10 maart 2026 bekrachtigd. Dat arrest is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan. [A] heeft de memorie van grieven ingediend voor de rolzitting van 9 januari 2024, zonder akkoord van [gedaagde sub 1] op deze zestiende versie . [A] heeft vervolgens op 20 februari 2024 een aangepaste memorie van grieven opgesteld. Uit het arrest blijkt dat die aangepaste memorie van grieven niet is toegelaten, kort gezegd vanwege de twee-conclusieregel in hoger beroep.





4De beoordeling



De maatstaf voor toewijzing van een geldsom in kort geding




4.1
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen. Deze drie aspecten (de aannemelijkheid van de vordering, de spoedeisendheid en het restitutierisico) zijn communicerende vaten, die in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld.



Het bestaan en de opeisbaarheid de vordering zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt





4.2

[gedaagden] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat zij nooit met [eiseres] heeft gecontracteerd. Zij betoogt dat er één opdrachtbevestiging is, van [bedrijf 1] , die door [gedaagde sub 1] is getekend, namelijk van september 2021. Die opdrachtbevestiging is bovendien niet aan [gedaagde sub 2] zelf gericht, maar alleen aan [gedaagde sub 1] en twee aan [gedaagde sub 2] gelieerde vennootschappen. Ten slotte heeft de opdrachtbevestiging geen betrekking op de procedure tegen [bedrijf 2] maar op een andere mogelijke procedure tegen [bedrijf 3] U.A. [eiseres] heeft aangevoerd dat uit een e-mail van [gedaagde sub 1] aan [A] van 27 juli 2023 blijkt dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in privé met [eiseres] hebben gecontracteerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die e-mail niet zo duidelijk. [gedaagde sub 1] vraagt [A] weliswaar (met het oog op zijn overstap naar [eiseres] ) om haar belangen te blijven behartigen, zowel die van haarzelf privé als die van haar bedrijven, waaronder [gedaagde sub 2] , maar een opdracht is niet gespecificeerd en het is niet zo dat bij iedere opdracht ten behoeve van een van de genoemde (rechts)personen dan al de genoemden als opdrachtgever kunnen worden aangemerkt. De werkzaamheden die in rekening zijn gebracht hadden betrekking op een hoger beroep dat alleen door [gedaagde sub 2] is ingesteld en daarom spreekt [eiseres] die naar eigen zeggen in deze procedure aan. In de getekende opdrachtbevestiging van [bedrijf 1] heeft [A] echter die BV nu juist bewust niet als opdrachtgever benoemd, omdat [gedaagde sub 2] destijds in surseance van betaling verkeerde. Die surseance is weliswaar later opgeheven, maar toen is niet benoemd dat [gedaagde sub 2] alsnog opdrachtgever werd. Zelfs als ervan uit mag worden gegaan dat [gedaagde sub 2] opdrachtgever werd, omdat de werkzaamheden immers ten behoeve van deze BV zijn verricht, dan is onduidelijk waarom [gedaagde sub 1] (ook nog) in privé zou kunnen worden aangesproken. De gedragsregels voor advocaten schrijven voor dat zij duidelijk schriftelijk vastleggen wie precies opdrachtgever is en wie opdrachtgever. Dat is precies om dit soort onduidelijkheden te voorkomen.



4.3

[gedaagden] heeft aangevoerd dat als er wél een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, zij die overeenkomst met succes heeft ontbonden vanwege de onder 3.2 genoemde gang van zaken bij het hoger beroep, die zij kwalificeert als een beroepsfout van [A] . Die ontbinding brengt volgens [gedaagden] mee dat zij is bevrijd van haar verplichting om de factuur te betalen. [gedaagden] heeft onvoldoende aangevoerd om te kunnen spreken van een beroepsfout die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, maar de onder 3.2 genoemde gang van zaken met betrekking tot de memorie van grieven roept wel vragen op die in deze procedure nog niet beantwoord zijn.



4.4

[gedaagden] heeft ook aangevoerd dat de factuur nog niet opeisbaar is omdat [A] in het najaar van 2023 herhaaldelijk telefonisch heeft toegezegd dat [gedaagden] niet voor zijn werkzaamheden hoeft te betalen zolang er geen middelen zijn. Zij zou pas hoeven te betalen wanner de woning van [gedaagde sub 1] is verkocht of in het geval van een gunstige afloop van deze zaak of een andere zaak. [gedaagden] heeft geluidsopnames en transcripties van die toezeggingen in het geding gebracht. [eiseres] heeft daar tegenin gebracht dat dat ging over de periode dat hij nog voor [bedrijf 1] werkte, maar de voorzieningenrechter ziet geen aanwijzingen dat die afspraak is gewijzigd toen [A] overging naar [eiseres] . Integendeel, in reactie op de e-mail van [gedaagde sub 1] van 27 juli 2023 heeft [A] juist geantwoord dat onder dezelfde voorwaarden wordt doorgegaan.



4.5
Ten slotte heeft [gedaagden] aangevoerd dat met de factuur zelf ook veel mis is. Deze bevat niet alleen rekenkundige fouten (de optelling klopt niet en de btw is over een te laag bedrag berekend) maar er zijn volgens haar ook ten onrechte dan wel niet uitgevoerde werkzaamheden opgevoerd. Daarnaast is het gefactureerde bedrag exclusief btw 26.072,10, terwijl [eiseres] op 20 juli 2024 schriftelijk heeft toegezegd niet meer in rekening te zullen brengen dan € 17.500,00, te vermeerderen met secretariaatskosten en btw. [eiseres] heeft aangevoerd dat dit slechts voorwaardelijk is toegezegd, maar dat is uit het betreffende bericht niet af te leiden en daar zijn ook geen andere aanwijzingen voor. Het roept ook vragen op dat kennelijk al werkzaamheden in rekening zijn gebracht door [eiseres] op momenten dat [A] nog zijn diensten via [bedrijf 1] verleende.



4.6
Kortom, de vordering van [eiseres] is geen bikkelharde vordering maar heeft haken en ogen en met name de opeisbaarheid van de vordering is op dit moment onvoldoende aannemelijk.



Geen feiten en omstandigheden waardoor een onmiddellijke voorziening geboden is





4.7

[eiseres] heeft aangevoerd dat aan de spoedeisendheid geen al te zware eisen moeten worden gesteld omdat het gaat om een onbetwiste geldvordering. Daarvan kan gelet op het voorgaande niet worden gesproken. Over het spoedeisend belang zelf heeft [eiseres] alleen aangevoerd dat de factuur inmiddels anderhalf jaar openstaat en dat de jaarrekening van [gedaagde sub 2] over 2023 nog altijd niet gedeponeerd is. Dat is onvoldoende. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn die maken dat [gedaagden] onmiddellijk moet worden veroordeeld tot betaling van de gestelde geldvordering.



Conclusie





4.8
De slotsom is dat de drempel voor toewijzing van een geldsom in kort geding niet is gehaald. Dat geldt ook als vast zou staan dat [eiseres] [gedaagden] moeiteloos kan terugbetalen als haar geldvordering in dit kort geding wordt toegewezen maar in een latere procedure toch anders wordt beslist. De vorderingen worden dan ook afgewezen.




[eiseres] krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen





4.9

[eiseres] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:









- griffierecht


€


3.083,00







- salaris advocaat


€


1.766,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


5.038,00











4.10
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1
wijst de vorderingen van [eiseres] af,



5.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 5.038,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026 door mr. M. Erich.





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!








JO/4972




Hoge Raad 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0263, onder 3.5.1.


Artikel 6:271 BW, waarbij [gedaagden] wel op grond van artikel 6:272 BW gehouden kan zijn om de waarde van de ontvangen prestatie te vergoeden.