Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5579
2026-08-05
Civiel recht
12161041 \ LC EXPL 26-612
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Zakelijke overeenkomst, schijn van volmachtverlening
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2010:BK7671 Hoge Raad 19-02-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.653 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12161041 \ LC EXPL 26-612
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
voorheen handelende onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H. den Besten, advocaat te Almere.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiseres] ;- de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;- de conclusie van repliek van [eiseres] ;- de conclusie van dupliek van [gedaagde] .
1.2
De kantonrechter heeft bepaald dat er vandaag uitspraak wordt gedaan.
2De zaak in het kort
In de periode oktober 2025 is er bij [eiseres] gebruik gemaakt van diensten en faciliteiten op naam van [gedaagde] . [eiseres] wil dat [gedaagde] hiervoor een bedrag van € 1.085,60 betaalt. Volgens [gedaagde] heeft een derde misbruik gemaakt van haar gegevens. De kantonrechter beslist dat [gedaagde] het bedrag moet betalen, vermeerderd met rente en kosten.
3De beoordeling
[gedaagde] moet de hoofdsom betalen
3.1
[eiseres] heeft stukken overgelegd waaruit volgt dat de heer [A] namens [gedaagde] een account bij haar heeft afgesloten voor het boeken van hotelkamers. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [A] niet bevoegd was om namens [gedaagde] een overeenkomst met [eiseres] aan te gaan. [eiseres] meent dat zij er in gerechtvaardigd vertrouwen vanuit heeft mogen gaan dat er een overeenkomst met [gedaagde] tot stand is gekomen.
3.2
Er zijn gevallen waarin een partij gebonden kan worden door een ‘niet-bevoegde-vertegenwoordiger’. Dat is het geval als de wederpartij – in dit geval: [eiseres] – is afgegaan op een schijn van volmachtverlening en daar ook op af mócht gaan. Dat is hier zo.
3.3
Van zo’n schijn van volmachtverlening is ten eerste sprake als [eiseres] op grond van verklaringen of gedragingen van [gedaagde] zou hebben aangenomen (en mocht aannemen) dat aan [A] een volmacht was verleend. Dit volgt uit artikel 3:61 lid 2 BW. Dat is in dit geval niet zo. [eiseres] heeft niet gesteld dat er gedragingen of verklaringen van [gedaagde] zijn geweest die zo’n schijn hebben kunnen wekken.
3.4
Ten tweede kan er onder omstandigheden ook een schijn van volmachtverlening worden gewekt door feiten en omstandigheden die voor risico van [gedaagde] komen (volgens Hoge Raad 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671 (ING Bank / Bera Holding). [eiseres] heeft uiteengezet dat bij het aanvraagformulier van [A] een uittreksel van de Kamer van Koophandel was gevoegd. Hierin staat, zo erkent [gedaagde] ook, dat [A] toen stond ingeschreven als [functie] en zelfstandig bevoegd was. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat zij door [A] is opgelicht en dat de vordering gelet op de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid moet worden afgewezen. Dit verweer wordt gepasseerd. Nog daargelaten dat dit verweer eerst bij dupliek – en dus te laat – is aangevoerd, weegt in het onderhavige geval zwaar dat de door [gedaagde] gestelde identiteitsfraude aan haar kan worden toegerekend nu zij haar gegevens, zoals zij heeft verklaard, zelf aan een derde heeft verstrekt waarna [A] zichzelf heeft kunnen laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel. Dit komt voor risico van [gedaagde] . Op grond van het voorgaande mocht [eiseres] aannemen dat aan [A] een toereikende volmacht was verleend om de overeenkomst te sluiten.
3.5
De conclusie is dat sprake is geweest van schijn van volmachtverlening en dat [gedaagde] daarom geen beroep kan doen op het ontbreken van een volmacht. [gedaagde] is dus gebonden aan de overeenkomst met [eiseres] .
3.6
[eiseres] heeft verder voldoende uiteengezet welke reserveringen er zijn gemaakt en van welke diensten en faciliteiten gebruik is gemaakt. De hoofdsom is daarmee voldoende onderbouwd.
3.7
De conclusie is dat de hoofdsom van € 1.085,60 wordt toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten betalen
3.8
De gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom wordt toegewezen. De verschuldigdheid daarvan volgt uit de wet en wordt ook niet betwist. Concreet betekent dit dat wordt toegewezen een bedrag van € 40,89 aan verschenen rente voor de periode tot 16 maart 2026 en de verdere rente vanaf genoemde datum.
3.9
De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 162,84 moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.10
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,52
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.021,02
Uitvoerbaar bij voorraad
3.11
De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv).
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.289,33 met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 1.085,60 vanaf 16 maart 2026 tot de voldoening;
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.021,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
13702
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12161041 \ LC EXPL 26-612
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
voorheen handelende onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H. den Besten, advocaat te Almere.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiseres] ;- de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;- de conclusie van repliek van [eiseres] ;- de conclusie van dupliek van [gedaagde] .
1.2
De kantonrechter heeft bepaald dat er vandaag uitspraak wordt gedaan.
2De zaak in het kort
In de periode oktober 2025 is er bij [eiseres] gebruik gemaakt van diensten en faciliteiten op naam van [gedaagde] . [eiseres] wil dat [gedaagde] hiervoor een bedrag van € 1.085,60 betaalt. Volgens [gedaagde] heeft een derde misbruik gemaakt van haar gegevens. De kantonrechter beslist dat [gedaagde] het bedrag moet betalen, vermeerderd met rente en kosten.
3De beoordeling
[gedaagde] moet de hoofdsom betalen
3.1
[eiseres] heeft stukken overgelegd waaruit volgt dat de heer [A] namens [gedaagde] een account bij haar heeft afgesloten voor het boeken van hotelkamers. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [A] niet bevoegd was om namens [gedaagde] een overeenkomst met [eiseres] aan te gaan. [eiseres] meent dat zij er in gerechtvaardigd vertrouwen vanuit heeft mogen gaan dat er een overeenkomst met [gedaagde] tot stand is gekomen.
3.2
Er zijn gevallen waarin een partij gebonden kan worden door een ‘niet-bevoegde-vertegenwoordiger’. Dat is het geval als de wederpartij – in dit geval: [eiseres] – is afgegaan op een schijn van volmachtverlening en daar ook op af mócht gaan. Dat is hier zo.
3.3
Van zo’n schijn van volmachtverlening is ten eerste sprake als [eiseres] op grond van verklaringen of gedragingen van [gedaagde] zou hebben aangenomen (en mocht aannemen) dat aan [A] een volmacht was verleend. Dit volgt uit artikel 3:61 lid 2 BW. Dat is in dit geval niet zo. [eiseres] heeft niet gesteld dat er gedragingen of verklaringen van [gedaagde] zijn geweest die zo’n schijn hebben kunnen wekken.
3.4
Ten tweede kan er onder omstandigheden ook een schijn van volmachtverlening worden gewekt door feiten en omstandigheden die voor risico van [gedaagde] komen (volgens Hoge Raad 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671 (ING Bank / Bera Holding). [eiseres] heeft uiteengezet dat bij het aanvraagformulier van [A] een uittreksel van de Kamer van Koophandel was gevoegd. Hierin staat, zo erkent [gedaagde] ook, dat [A] toen stond ingeschreven als [functie] en zelfstandig bevoegd was. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat zij door [A] is opgelicht en dat de vordering gelet op de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid moet worden afgewezen. Dit verweer wordt gepasseerd. Nog daargelaten dat dit verweer eerst bij dupliek – en dus te laat – is aangevoerd, weegt in het onderhavige geval zwaar dat de door [gedaagde] gestelde identiteitsfraude aan haar kan worden toegerekend nu zij haar gegevens, zoals zij heeft verklaard, zelf aan een derde heeft verstrekt waarna [A] zichzelf heeft kunnen laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel. Dit komt voor risico van [gedaagde] . Op grond van het voorgaande mocht [eiseres] aannemen dat aan [A] een toereikende volmacht was verleend om de overeenkomst te sluiten.
3.5
De conclusie is dat sprake is geweest van schijn van volmachtverlening en dat [gedaagde] daarom geen beroep kan doen op het ontbreken van een volmacht. [gedaagde] is dus gebonden aan de overeenkomst met [eiseres] .
3.6
[eiseres] heeft verder voldoende uiteengezet welke reserveringen er zijn gemaakt en van welke diensten en faciliteiten gebruik is gemaakt. De hoofdsom is daarmee voldoende onderbouwd.
3.7
De conclusie is dat de hoofdsom van € 1.085,60 wordt toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten betalen
3.8
De gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom wordt toegewezen. De verschuldigdheid daarvan volgt uit de wet en wordt ook niet betwist. Concreet betekent dit dat wordt toegewezen een bedrag van € 40,89 aan verschenen rente voor de periode tot 16 maart 2026 en de verdere rente vanaf genoemde datum.
3.9
De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 162,84 moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.10
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,52
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.021,02
Uitvoerbaar bij voorraad
3.11
De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv).
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.289,33 met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 1.085,60 vanaf 16 maart 2026 tot de voldoening;
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.021,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
13702