Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5574

2026-08-05 Civiel recht 12004566 \ UC EXPL 25-9870
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12004566 \ UC EXPL 25-9870
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanneming van werk in de familiaire sfeer. Vordering tot vervangende schadevergoeding. Beroep van gedaagde op de klachtplicht slaagt. De vordering in reconventie tot betaling van nog openstaande facturen is verjaard.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.453 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: 12004566 \ UC EXPL 25-9870 BJvd/61169




Vonnis van 5 augustus 2026




in de zaak van





[eiseres]
,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. T. Hooyman,



tegen





[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E.F. van der Heijden, ARAG SE RECHTSBIJSTAND.






1De procedure


1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 26,- de conclusie van antwoord in conventie met producties 1 tot en met 14 en de eis in reconventie,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 27 tot en met 40,
- de pleitnota van [gedaagde] .



1.2
Op 22 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig mevrouw [eiseres] met haar gemachtigde mr. T. Hooyman en de heer [gedaagde] met zijn gemachtigde mr. E.F. van der Heijden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.



1.3
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.








2De kern van de zaak


2.1

[gedaagde] heeft werkzaamheden gedaan in de voormalige woning van [eiseres] . [eiseres] stelt dat een deel van de werkzaamheden niet goed is gedaan en dat een deel van de werkzaamheden niet is afgemaakt. Daarom vordert zij onder andere betaling van een vervangende schadevergoeding van € 13.875,00. [gedaagde] stelt dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar klachtplicht voor het deel van de werkzaamheden dat hij niet goed zou hebben gedaan en beroept zich voor het overige op opschorting. In reconventie vordert hij betaling van een aantal facturen die volgens hem nog open staan. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] een deel van de vordering van [eiseres] moet betalen. De vorderingen van [gedaagde] in reconventie worden afgewezen, omdat die zijn verjaard.





3De achtergrond van de zaak


3.1
Partijen zijn schoonzus ( [eiseres] ) en zwager ( [gedaagde] ) van elkaar. [gedaagde] heeft al jaren een aannemersbedrijf. [eiseres] deed voor dat bedrijf de administratie en hielp ook met andere zaken in zijn bedrijf. In 2022 en 2023 heeft [gedaagde] werkzaamheden gedaan in de woning van [eiseres] . Voor de werkzaamheden is geen offerte opgesteld en de afspraken zijn niet schriftelijk vastgelegd. Vaststaat dat partijen het eens zijn dat de overeenkomst tussen partijen in ieder geval inhield dat [gedaagde] de volgende werkzaamheden zou verrichten voor € 15.000,00 aan arbeidskosten exclusief de materiaalkosten:


het renoveren van de badkamer en keuken;


het stukadoren en sausen wanden en plafonds;


het leggen van laminaat inclusief plinten;


het maken van een inbouwkast.




Ook staat vast dat [eiseres] een bedrag van € 37.065,87 aan [gedaagde] heeft betaald en dat [gedaagde] sinds maart 2023 gestopt is met de werkzaamheden.






4De beoordeling



in conventie





Partijen hebben een gemengde overeenkomst gesloten




4.1
De kantonrechter stelt ten eerste vast dat [gedaagde] handelde in het kader van zijn bedrijf en [eiseres] als natuurlijk persoon. [gedaagde] had namelijk een eigen klusbedrijf en stuurde ook zijn facturen uit naam van zijn klusbedrijf. De tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst kwalificeert als een gemengde overeenkomst die zowel elementen van een consumentenkoop als van aanneming van werk heeft. [gedaagde] heeft namelijk roerende zaken geleverd zoals de keukenelementen, een ligbad en een douche. Dat valt onder een consumentenkoop. Tegelijkertijd heeft [gedaagde] de keuken- en badkamerelementen geïnstalleerd, een op maat gemaakte inbouwkast gebouwd en deurtjes op maat gemaakt tussen de keuken en de wasruimte. Dat valt onder aanneming van werk. Het gevolg hiervan is dat zowel de regels van consumentenkoop als aanneming van toepassing zijn en dat bij strijd tussen die regels de bepalingen van consumentenkoop voorgaan.



4.2

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om te oordelen dat hier (deels) sprake is van consumentenkoop, omdat [eiseres] en [gedaagde] de materialen samen zouden hebben besteld. Daar gaat de kantonrechter niet in mee. Nog daargelaten dat uit niets blijkt dat partijen de materialen gezamenlijk hebben besteld, vormt dit geen criterium voor de kwalificatie als consumentenkoop.



Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieverplichtingen





4.3
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar ( [gedaagde] ) en een consument ( [eiseres] ), anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Daarom moet [gedaagde] voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.



4.4
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] in ieder geval niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit artikel 6:230l aanhef en onder d, e en f. [gedaagde] heeft [eiseres] niet geïnformeerd over de termijn waarbinnen de werkzaamheden zouden worden afgerond, de voorwaarden voor de overeenkomst en de duur van de overeenkomst of de voorwaarden voor het opzeggen van de overeenkomst. Voor het overige stelt de kantonrechter vast dat is voldaan aan de informatieverplichtingen, omdat [eiseres] kennelijk op de hoogte was van de totaalprijs van de dienst, de kenmerken van de dienst, de gegevens van [gedaagde] en de wijze van betaling. Omdat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de informatieverplichtingen kan de kantonrechter een sanctie opleggen. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat het doel van een sanctie bescherming van de zwakke consument is. De kantonrechter oordeelt dat een sanctie in deze zaak zijn doel voorbijgaat, omdat deze overeenkomst is gesloten in het kader van familiaire verhoudingen. Bovendien had [eiseres] meer dan gebruikelijk voor een ‘gewone’ consument inzicht in het bedrijf van haar zwager waarmee zij de overeenkomst sloot. Zij verrichte namelijk administratieve werkzaamheden voor het bedrijf en maakte ook facturen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [eiseres] meer dan gebruikelijk inzicht had in de werkzaamheden, termijnen en prijzen van het bedrijf. Daarom zal er geen sanctie worden opgelegd.



De bevindingen van de deskundige





4.5

[eiseres] vordert betaling van € 13.875,00. Omdat [gedaagde] volgens [eiseres] de werkzaamheden in haar huis deels niet goed en deels niet uitgevoerd heeft, heeft [eiseres] op 12 augustus 2025 haar vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. De hoogte van de vervangende schadevergoeding is gebaseerd op een door [eiseres] overgelegd deskundigenrapport. Het deskundigenrapport beschrijft de volgende bevindingen:

a) er zat een scheur in de muur in de woonkamer die al zichtbaar was vóór het stuken en nu nog steeds zichtbaar is;
b) bij het schakelmateriaal in de woonkamer is het stukadoorswerk niet vlak uitgevoerd;
c) de binnendeurkozijnen, binnendeuren, het bovenpaneel, de schuifdeuren en zijpanelen van de inbouwkast en de paneelradiatoren zijn niet geschilderd;
d) langs de laminaatvloer in de woonkamer, de beide slaapkamers en de hal waren geen overzetplinten aangebracht. Dat heeft [eiseres] inmiddels laten doen door Klusbedrijf [naam], maar de plinten moeten nog wel geschilderd worden;

e) in de woonkamer heeft [gedaagde] een kunststof hoekkast geplaatst, maar die is aan een verwarmingsbuis gemonteerd. De afwerking is daarmee niet goed;
f) de geluidsboxen die in de woonkamer aan de muur zijn gemonteerd zitten niet stevig genoeg. De boxen en het stukwerk zijn losgekomen;
g) de legplanken in de slaapkamer zijn losgekomen;
h) op de laminaatvloer in de woonkamer zit een streep verf;
i) in de kleine slaapkamer heeft [gedaagde] een kast gemaakt met schuifdeuren, maar de laminaatvloer is niet doorgelegd. Daardoor sluiten de onderrails en de schuifdeuren niet aan op de laminaatvloer;
j) bij de halfhoge deurtjes tussen de keuken en de wasruimte sluiten de zijkanten niet aan tegen het kozijn en is het scharnier aan één kant scheef aangebracht;
k) de halfhoge deurtjes zijn niet geschilderd;
l) er is geen dorpel gemaakt bij de overgang van de laminaatvloer in de hal en de tegelvloer en het laminaat sluit niet aan op de kozijnstijl;
m) verschillende deurpanelen en lades in de keuken zijn niet zorgvuldig opgesteld en sluiten niet aan. Ook is de aansluiting van het aanrechtblad tegen de achterwand niet goed afgewerkt;
n) de wandtegels in de wasruimte zijn aan de wand met de cv-ketel slechts aangebracht tot 90cm hoog en achter de cv-ketel zijn de oude tegels nog aanwezig. Ook zijn de voegen niet goed afgewerkt;
o) ;
p) het schakelmateriaal in de grote slaapkamer is niet vlak tegen de muur aan gemonteerd;
q) in de hal knipperen de plafondspotjes als ze aan staan door een verkeerde dimmer;
r) in de badkamer is een lekkage rondom de drain van de douche omdat de aansluiting tussen de vloertegels en de drain onvoldoende waterdicht is uitgevoerd;
s) in de achterwand van de douche zitten in vier tegels lichte scheurvorming en is één wandtegel niet goed op maat uitgespaard;
t) het wandtegelwerk bij het ligbad sluit niet aan tegen de rand van het bad en loopt scheef.




De verweren van [gedaagde]





4.6

[gedaagde] betwist dat schilderwerk onderdeel is van de overeengekomen werkzaamheden. Voor het deel van de werkzaamheden waarvan [eiseres] stelt dat deze niet zijn uitgevoerd beroept [gedaagde] zich op opschorting. [gedaagde] heeft [eiseres] facturen gestuurd voor in totaal € 45.854,33. Daarvan is € 37.065,87 betaald, dus er staat volgens [gedaagde] nog € 8.788,46 open. [gedaagde] stelt in maart 2023 zijn werkzaamheden te hebben opgeschort, omdat [eiseres] zijn facturen niet betaalde. Over de werkzaamheden waarvan [eiseres] stelt dat [gedaagde] deze niet goed heeft uitgevoerd stelt [gedaagde] dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar klachtplicht.



Het is niet vast komen te staan dat schilderwerk onderdeel is van de overeenkomst





4.7

[eiseres] klaagt onder c), d) en k) over schilderwerk dat niet is gedaan. [gedaagde] heeft in zijn brieven naar [eiseres] en tijdens de zitting betwist dat schilderwerk is overeengekomen. Tegelijkertijd heeft [gedaagde] over deze punten zijn opschortingsrecht ingeroepen. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [gedaagde] primair het standpunt inneemt dat schilderwerk niet is overeengekomen en zich secundair beroept op opschorting.



4.8
De gevorderde vervangende schadevergoeding voor de onderdelen genoemd onder c), d) en k) zal worden afgewezen. De stelplicht voor wat partijen zijn overeengekomen ligt bij [eiseres] . [eiseres] heeft op geen enkele manier onderbouwd dat schilderwerk onderdeel zou zijn van de overeenkomst. Ook in het deskundigenrapport van [deskundige] waarin is opgenomen wat de afspraken tussen partijen waren staat schilderwerk niet genoemd. Dat schilderwerk onderdeel is van de overeenkomst kan dus niet worden vastgesteld.



Het juridisch kader bij opschorting





4.9
In de wet is bepaald dat iemand die nog geld krijgt van een ander, zijn eigen verplichting tegenover die persoon tijdelijk mag schorsen totdat hij betaald wordt. Dit kan alleen als de schuld die hij heeft te ontvangen en zijn eigen verplichting genoeg met elkaar te maken hebben. De Hoge Raad heeft bepaald dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan volgen dat een schuldenaar soms eerst aan de andere partij moet laten weten dat hij zijn verplichting opschort. Hij moet daarbij ook uitleggen waarom hij dat doet. Daarbij is van belang wat de andere partij op dat moment wist of had kunnen begrijpen en wat de schuldenaar redelijkerwijs mocht verwachten over die kennis van de andere partij. Het is voldoende dat de opschortende partij duidelijk maakt wat de reden van de opschorting is en wat zij verder, gelet op de wanprestatie en de overeenkomst, wenst.




[gedaagde] heeft de opschorting bij [eiseres] niet kenbaar gemaakt





4.10

[gedaagde] beroept zich op opschorting voor wat is genoemd in 4.5. onder o). Uit de stukken blijkt dat [gedaagde] zich niet eerder dan tijdens de lopende procedure tussen partijen heeft beroepen op opschorting. Daarnaar gevraagd heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij in 2023 te horen kreeg van zijn boekhouder dat er rekeningen niet betaald waren door [eiseres] en hij toen heeft besloten te stoppen met de werkzaamheden. Volgens [gedaagde] heeft hij dit met [eiseres] besproken toen hij haar later tegenkwam bij de Aldi. Wanneer dit precies was wist [gedaagde] niet meer.



4.11
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet eerder dan tijdens de lopende procedure op de hoogte was dat [gedaagde] zijn verplichting om na te komen heeft opgeschort. [gedaagde] is gestopt met werken en heeft niet meer gereageerd op de berichten van [eiseres] . Het was dus ook niet duidelijk voor [eiseres] dat [gedaagde] opschortte met als reden dat hij betaling van [eiseres] verlangde van één factuur uit 2022 en één factuur uit 2023. Hij heeft voor de facturen bovendien pas op 12 mei 2025 een eerste herinnering gestuurd. [eiseres] kon dus niet eerder weten dat dit de reden voor [gedaagde] om te stoppen met zijn werkzaamheden. Gelet op de redelijkheid en billijkheid had [gedaagde] [eiseres] op de hoogte moeten stellen dat hij zijn werkzaamheden opschortte en met welke reden. Omdat hij dat niet heeft gedaan, is een beroep op opschorting in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] ten aanzien van het genoemde in 4.4. onder o) vervangende schadevergoeding aan [eiseres] moet betalen. In het deskundigenrapport is geen aparte schadepost per genoemd gebrek opgenomen. De kantonrechter begroot het bedrag van de vervangende schadevergoeding die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen voor dit onderdeel daarom in goede justitie op € 200,00.



Het juridisch kader bij de klachtplicht





4.12
De wet bepaalt dat een schuldeiser niet meer mag klagen over een gebrek in een prestatie als hij dit niet op tijd aan de schuldenaar meldt. De klachtplicht ziet dus alleen op gebrekkig uitgevoerde prestaties en niet op in het geheel niet uitgevoerde prestaties. De schuldeiser moet het gebrek melden binnen een redelijke termijn nadat hij het heeft ontdekt, of had kunnen ontdekken. Het doel van deze regel is om de schuldenaar te beschermen tegen klachten die pas na lange tijd worden ingediend. Na verloop van tijd wordt het namelijk moeilijker om te controleren of de klacht terecht is.



4.13
Een beroep op de klachtplicht is een verweer van de schuldenaar. Dat betekent dat de schuldenaar moet uitleggen en bewijzen waarom de schuldeiser te laat heeft geklaagd. In deze zaak is dat [gedaagde] . De kantonrechter kijkt daarbij naar alle omstandigheden van het geval.




[eiseres] heeft niet voldaan aan haar klachtplicht





4.14
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet tijdig heeft geprotesteerd en dat zij dus geen beroep meer kan doen op de gebreken in de prestatie. [eiseres] stelt dat zij in 2023 veelvuldig telefonisch contact heeft gezocht met [gedaagde] en heeft een overzicht van haar belhistorie overgelegd ter onderbouwing hiervan. De kantonrechter kan uit deze belhistorie echter niet opmaken wat er tijdens deze gesprekken is besproken en of [eiseres] op dat moment heeft geklaagd bij [gedaagde] over gebrekkige werkzaamheden. [eiseres] heeft op 17 en 30 november 2023 nog wel per e-mail aan [gedaagde] gevraagd wanneer de werkzaamheden worden afgerond, maar daarin heeft zij niet benoemd dat zij ontevreden is over het tot dan toe geleverde werk. De kantonrechter stelt daarom vast dat [eiseres] voor het eerst bij [gedaagde] heeft geklaagd over gebreken op 7 april 2025, toen zij [gedaagde] een ingebrekestelling stuurde voor de gebreken. Dat is ruim twee jaar nadat [gedaagde] was gestopt met de werkzaamheden bij [eiseres] .



4.15

[eiseres] heeft te laat geklaagd, want datgene waarover zij klaagt (het werk dat niet goed zou zijn uitgevoerd) springt zodanig in het oog dat het meteen, of in ieder geval eerder nadat [gedaagde] was gestopt met werken aanleiding had moeten geven om bij hem te klagen. De kantonrechter begrijpt dat het gezien de persoonlijke, ingrijpende medische omstandigheden van [eiseres] langer duurde voordat zij in de gelegenheid was om haar klachten bij [gedaagde] kenbaar te maken, maar een termijn van twee jaar is ook in dit geval buitenproportioneel. Bovendien heeft [eiseres] wel meermaals aan [gedaagde] gevraagd wanneer hij het werk kwam afmaken. [gedaagde] is hierdoor benadeeld, omdat na zo’n lange tijd niet meer goed vast te stellen is of [gedaagde] de werkzaamheden gebrekkig heeft uitgevoerd of dat er misschien andere omstandigheden hebben voorgedaan waardoor er later een gebrek is ontstaan. Door [gedaagde] niet eerder dan twee jaar nadat de werkzaamheden door hem zijn uitgevoerd op de hoogte te stellen van haar klachten, heeft [eiseres] haar recht om schadevergoeding te vorderen verloren.



4.16
Hierboven is bepaald dat het beroep op de klachtplicht slaagt. Dat betekent dat [eiseres] geen recht heeft op vervangende schadevergoeding voor alle klachten die gaan over werk dat [gedaagde] niet goed zou hebben uitgevoerd. Dat betekent dat de gevorderde vervangende schadevergoeding voor de gebreken genoemd in 4.5. onder a), b), e) tot en met j), l), m), n), p), q), en t) wordt afgewezen.




[eiseres] heeft recht op vervangende schadevergoeding voor gebreken r) en s)





4.17
Wat hierboven is overwogen over de klachtplicht geldt niet voor de gebreken genoemd in 4.5. onder r) en s). Daarover oordeelt de kantonrechter als volgt. [eiseres] stelt dat zij begin 2025 een lekkage in de badkamer ontdekte. Uit een rapport dat is opgesteld door een deskundige van [bedrijf] blijkt dat er op 6 februari 2025 een deskundige is langs geweest in de woning van [eiseres] om te kijken of er sprake is van lekkage in de badkamer. Uit het rapport blijkt dat de kitnaden rondom de drain niet volledig dicht stonden, waardoor er vocht in de muur kon komen. [eiseres] wist dus vanaf dat moment dat er een gebrek was in de badkamer. Dat [eiseres] eerder dan dit moment wist of had moeten weten dat er in de badkamer sprake was van lekkage is niet gebleken. Datzelfde geldt voor de lichte scheurvorming in de douchetegels. Gelet hierop heeft [eiseres] met de ingebrekestelling op 7 april 2025 voldaan aan haar klachtplicht over de gebreken als genoemd in 4.5. onder r) en s). Dat betekent dat [eiseres] recht heeft op vervangende schadevergoeding ten aanzien van deze gebreken.



De hoogte van de vervangende schadevergoeding voor de gebreken in de badkamer





4.18
De herstelkosten voor de badkamer zijn begroot op € 5.800,00. Over het gebrek aan de badkamer zoals genoemd in 4.5. onder t) is geoordeeld dat niet is voldaan aan de klachtplicht. Voor de overige gebreken in de badkamer geldt dat hiervoor vervangende schadevergoeding moet worden betaald. [gedaagde] heeft over het geschatte schadebedrag gesteld dat deze kosten veel te hoog zijn ingeschat, waardoor aan de deskundigheid van het rapport kan worden getwijfeld. Maar, dat [gedaagde] de werkzaamheden mogelijk zelf voor een lager bedrag had kunnen uitvoeren, maakt niet dat de hoogte van de schade niet juist zou zijn berekend. Bovendien heeft [gedaagde] de stelling dat de kosten te hoog zijn ingeschat niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een offerte waaruit dit zou blijken. De kantonrechter gaat daarom uit van het schadebedrag uit het deskundigenrapport en begroot het bedrag aan vervangende schadevergoeding voor de gebreken als genoemd in 4.5. onder r) en s) in goede justitie op € 5.600,00.




[gedaagde] moet in totaal € 5.800,00 aan vervangende schadevergoeding aan [eiseres] betalen





4.19
Gelet op het bovenstaande zal in totaal een bedrag van € 5.800,00 (€ 200,00 + € 5.600,00) aan vervangende schadevergoeding worden toegewezen.




[gedaagde] moet de kosten voor het deskundigenrapport betalen





4.20

[eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de kosten voor het deskundigenrapport, namelijk € 1.815,00. Op grond de wet zijn dit redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Dit bedrag zal worden toegewezen.



4.21

[gedaagde] stelt dat het rapport onzorgvuldigheden bevat en dat het daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat hij deze kosten zou moeten voldoen. Maar de onzorgvuldigheden waar [gedaagde] op wijst, zoals een onjuiste (factuur)datum, een verkeerde spelling van de naam van [gedaagde] of verkeerde verwijzing naar een foto zijn geen grove inhoudelijke onjuistheden die raken aan de kern van het rapport, namelijk het vaststellen van de gebreken en de schade. Daarom gaat de kantonrechter niet mee in deze stelling van [gedaagde] .



4.22

[gedaagde] vordert een pro rata vermindering in de veroordeling van de kosten van het deskundigenrapport voor zover wordt geoordeeld dat hij de kosten van het deskundigenrapport moet vergoeden op grond van schadeplichtigheid, maar de schadevergoeding wordt verminderd wegens één van de door [gedaagde] aangevoerde gronden. Deze vordering wordt afgewezen. Hoewel is geoordeeld dat [eiseres] voor een aantal gestelde gebreken niet heeft voldaan aan haar klachtplicht, betekent dit niet dat het deskundigenrapport niet noodzakelijk is geweest voor het vaststellen van de schade. Hiermee is ook niet vast komen te staan dat [gedaagde] deze gebreken niet heeft veroorzaakt. Hij heeft dit ook niet betwist. [gedaagde] moet de kosten voor het volledige deskundigenrapport aan [eiseres] vergoeden.




[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten aan [eiseres] betalen





4.23

[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 913,75. De vordering moet worden beoordeeld op grond van de wet en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Omdat [eiseres] de buitengerechtelijke incassokosten heeft berekend op basis van haar vordering van € 13.875,00 is een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Een bedrag van € 755,15 wordt toegewezen.





[gedaagde] moet de proceskosten in conventie en de wettelijke rente daarover betalen





4.24

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:










- kosten van de dagvaarding


€


146,14







- griffierecht


€


732,00







- salaris gemachtigde


€


864,00


(2 punten × € 432,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.886,14











4.25
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



in reconventie





De vorderingen van [gedaagde] zijn verjaard





4.26

[gedaagde] vordert in reconventie betaling van € 8.788,46. Volgens [gedaagde] staan er nog drie (deels) onbetaalde facturen open:


Factuur 2022003 van 2 april 2022;


Factuur 2022004 van 4 maart 2023;


Factuur 2025003 van 1 maart 2025.





4.27
Bovenstaande facturen zijn verjaard. Dat betekent dat [gedaagde] betaling van deze facturen niet meer kan afdwingen in een gerechtelijke procedure. Op de facturen rust een verjaringstermijn van twee jaar, omdat er sprake is van een gemengde overeenkomst. Zoals eerder in dit vonnis al is overwogen, gaan bij strijd tussen de regels van consumentenkoop en die van aanneming van werk, de regels van het consumentenrecht voor. Dat betekent dat de verjaringstermijn van twee jaar die hoort bij een consumentenkoop, moet worden aangehouden.



4.28
Voor de facturen die [gedaagde] op 2 april 2022 en op 4 maart 2023 aan [eiseres] heeft verstuurd, heeft hij op 12 mei 2025 een herinnering gestuurd. Het is niet gebleken dat [gedaagde] eerder dan 12 mei 2025 een herinnering heeft gestuurd. Dat betekent dat [gedaagde] niet binnen de verjaringstermijn van twee jaar de vorderingen heeft gestuit en deze zijn verjaard.



4.29
De factuur die [gedaagde] op 1 maart 2025 aan [eiseres] heeft verstuurd gaat over materialen die [gedaagde] voor [eiseres] heeft aangeschaft in 2022. [gedaagde] heeft nagelaten om een factuur te sturen op het moment dat de vordering opeisbaar werd. De vordering werd opeisbaar vanaf het moment dat de materialen zijn aangeschaft, omdat partijen hadden afgesproken dat [eiseres] de materialen zou betalen. Vanaf dat moment is de verjaringstermijn dus gaan lopen. Aangezien de eerste factuur/herinnering door [gedaagde] op 1 maart 2025 is gestuurd, heeft hij ook voor deze factuur zijn vordering niet (op tijd) gestuit, waardoor deze is verjaard.





[gedaagde] moet de proceskosten in reconventie en de wettelijke rente daarover betalen





4.30

[gedaagde] is in reconventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:










- salaris gemachtigde


€


432,00


(2 punten × factor 0,5 × € 432,00)




Totaal


€


432,00











4.31
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



In conventie en reconventie





Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad





4.32
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.





5De beslissing


De kantonrechter




in conventie




5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,



5.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.815,00 aan expertisekosten,



5.3
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 755,15 aan buitengerechtelijke kosten,



5.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.886,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



5.5
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





5.6
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,



5.7
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



in conventie en in reconventie





5.8
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.9
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.10
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.4 en 5.7 tot en met 5.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,



5.11
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.




Artikel 7:5 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW).


Artikel 6:230l aanhef en onder a tot en met f BW.


Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.


HVJ EU 4 juni 2015, C-497/13.


De kosten voor de werkzaamheden die [naam] heeft uitgevoerd worden door [eiseres] niet gevorderd in deze procedure.


Artikel 6:52 BW.


Hoge Raad 17 februari 2006, LJN AU5663, NJ 2006/158 en Hoge Raad 4 januari 1991, LJN ZC0097, NJ 1991/723.


Hoge Raad 24 oktober 2003, LJN AF9413 Ankara c.s./ Öz-Et Tarim.


Artikel 6:89 BW.


Hoge Raad 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, r.o. 5.6.2.


Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, r.o. 4.2.5 en 4.2.6.


Artikel 6:96 lid 2 sub b BW.


Artikel 6:96 BW.