Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5573
2026-08-05
Civiel recht
12039523 \ UC EXPL 26-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Koopovereenkomst eiken parketvloer; ontbinding; eiser in conventie heeft elders dezelfde vloer gekocht; vordering verschil in prijs en opslagkosten deels toegewezen; vordering in reconventie afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.951 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12039523 \ UC EXPL 26-25
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 december 2025, met producties, - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 4 maart 2026, met producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 2 juni 2026,
- de aanvullende producties van [gedaagde] van 25 juni 2026.
1.2
De mondelinge behandeling vond plaats op 9 juli 2026. Daarbij was [eiser] aanwezig met zijn partner en met gemachtigde mr. R.A. Le Loux. Namens [gedaagde] waren [A] (mede-eigenaar van [gedaagde] ) en [B] (medewerker bij [gedaagde] ) aanwezig met gemachtigde mr. N.R. Bodamer. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] heeft bij [gedaagde] een eiken parketvloer (hierna ook ‘de vloer’) besteld. [gedaagde] zou de vloer in de nieuwe woning van [eiser] leggen. Omdat [gedaagde] de vloer niet (op tijd) kon leveren is de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] ontbonden. [eiser] heeft de vloer voor een hogere prijs ergens anders moeten kopen en opslagkosten moeten maken omdat de vloer niet volgens de planning gelegd kon worden. Het verschil in prijs en de opslagkosten vordert hij van [gedaagde] . In reconventie vordert [gedaagde] annulerings- en opzeggingskosten van [eiser] . De vorderingen van [eiser] worden deels toegewezen en de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.
3De achtergrond van de zaak
3.1
[eiser] heeft eind 2024 bij [gedaagde] een overeenkomst gesloten voor de levering en montage van een eiken parketvloer in zijn nieuwe woning. Op advies van [gedaagde] heeft [eiser] gekozen voor een specifieke eiken vloer met noesten tot 1 cm en planken van 24 cm breed. De vloer moest op 27 juni 2025 in de nieuwe woning van [eiser] liggen in verband met de verhuizing die op 10 juli 2025 zou plaatsvinden. De totale overeengekomen prijs bedroeg € 28.125,41.
3.2
Op 4 januari is de opdracht per e-mail bevestigd en [gedaagde] heeft in diezelfde maand de vloer bij de leverancier gereserveerd. Op 28 maart 2025 is de vloer in de nieuwe woning van [eiser] definitief ingemeten en op 1 mei 2025 heeft [gedaagde] de definitieve opdrachtbevestiging naar [eiser] gestuurd per mail. De definitieve bestelling van de vloer is op 12 mei 2025 door [gedaagde] bij de leverancier gedaan en op 5 en 6 juni 2025 heeft [gedaagde] de oude vloer uit de nieuwe woning van [eiser] verwijderd. Daarna kreeg [gedaagde] van haar leverancier te horen dat de vloer niet geleverd kon worden. [gedaagde] heeft daarop contact opgenomen met andere leveranciers, maar die konden de vloer (uiteindelijk) ook niet op tijd voor de verhuizing van [eiser] leveren.
3.3
Op 10 juni 2025 heeft [A] telefonisch aan [eiser] laten weten dat de overeengekomen vloer niet geleverd kon worden binnen de afgesproken termijn. [A] heeft aangeboden om de vloer op een later moment te leveren of om een alternatieve vloer te leveren. [eiser] heeft dit geweigerd en de overeenkomst is medio juni 2025 ontbonden. De aanbetaling die [eiser] had betaald, verminderd met de kosten van verwijdering van de oude vloer, is aan [eiser] teruggestort.
3.4
Uiteindelijk heeft [eiser] de gewenste vloer besteld bij een ander bedrijf ( [bedrijf] ), dat de levering en installatie kon verzorgen. De kosten van deze vloer lagen € 10.657,38 hoger dan de oorspronkelijke prijs bij [gedaagde] . Doordat de vloer niet op tijd gelegd kon worden, moest [eiser] zijn inboedel tijdelijk in opslag plaatsen. De verhuizing was niet meer uit te stellen vanwege de verkoop van de oude woning op 14 juli 2025. Dit bracht verhuis- en opslagkosten van € 658,19 met zich mee.
3.5
De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] op 29 augustus 2025 aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden schade van € 11.315,57. [eiser] en [gedaagde] zijn er onderling niet uitgekomen.
4De beoordeling
4.1
De kantonrechter behandelt de vorderingen in conventie en reconventie vanwege de onderlinge samenhang, gezamenlijk.
De vorderingen van [eiser] worden deels toegewezen
4.2
Tussen partijen is geen discussie dat sprake was van een (gemengde) consumentenkoopovereenkomst. [eiser] stelt dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat [gedaagde] in verzuim is. Daarom vordert hij schadevergoeding van [gedaagde] . [gedaagde] betwist dit. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] wel tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Dit wordt hieronder toegelicht.
[gedaagde] heeft de afgesproken termijn niet gehaald
4.3
[eiser] en [gedaagde] zijn het erover eens dat is afgesproken dat de vloer op 27 juni 2025 in de nieuwe woning van [eiser] zou moeten liggen. Dat [gedaagde] deze termijn niet heeft gehaald is volgens [eiser] een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] heeft hier tegenin gebracht dat in haar algemene voorwaarden staat dat een tussen partijen overeengekomen levertijd een indicatie is en geen fatale termijn voor [gedaagde] vormt, tenzij nadrukkelijk iets anders overeen is gekomen.
4.4
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] en [gedaagde] wél een fatale termijn hadden afgesproken, in verband met de verhuizing van [eiser] die op 10 juli 2025 gepland stond en afhing van opeenvolgende werkzaamheden. Deze termijn was bekend bij [gedaagde] . Dat volgt bijvoorbeeld uit de omstandigheid dat [gedaagde] in januari 2025 de vloer al gereserveerd had bij haar leverancier en ook uit de e-mails tussen [eiser] en [gedaagde] . In zijn e-mail van 4 april 2025 geeft [eiser] aan dat de installatie van de keuken op 13 en 18 juni 2025 plaatsvindt en dat de eerdere planning van de vloer daarom een paar dagen doorgeschoven moest worden. [gedaagde] heeft daar op 9 april 2025 op geantwoord dat zij de planning heeft kunnen verzetten en de vloer van 19 tot en met 27 juni 2025 zal worden gelegd. Vanwege het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een indicatie. Dat [gedaagde] deze termijn niet heeft gehaald is dan ook een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van [gedaagde] .
4.5
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op artikel 17 lid 1 van haar algemene voorwaarden, waarin staat dat [gedaagde] het recht heeft om de nakoming van haar verplichtingen op te schorten als zij door overmacht tijdelijk niet kan nakomen. Dit argument slaagt niet, omdat [gedaagde] haar verplichtingen richting [eiser] niet heeft opgeschort, althans nooit kenbaar heeft gemaakt aan [eiser] dat zij dit zou willen doen, geen sprake is van overmacht (zie 4.10) en de overeenkomst is ontbonden.
4.6
Omdat sprake is van een tekortkoming in de nakoming en niet van een gebrek wordt het beroep van [gedaagde] op artikel 14 lid 1 van haar algemene voorwaarden, waarin staat dat [eiser] binnen veertien dagen nadat hij een gebrek (aan de vloer) heeft ontdekt bij [gedaagde] hierover moet klagen, niet besproken.
[gedaagde] was in verzuim
4.7
[gedaagde] was ook in verzuim. Zij kon de vloer niet binnen de afgesproken termijn leveren en leggen en heeft dit op 10 juni 2025 (telefonisch) en 19 juni 2025 (per mail) aan [eiser] gemeld. Hieruit mocht [eiser] afleiden dat [gedaagde] tekort zou schieten in de nakoming van haar verplichtingen. Anders dan [gedaagde] stelt was een ingebrekestelling van [eiser] aan [gedaagde] daarom niet nodig.
De overeenkomst is ontbonden en [gedaagde] moet een schadevergoeding betalen
4.8
[eiser] en [gedaagde] zijn het erover eens dat de overeenkomst daarna is ontbonden omdat [gedaagde] niet op tijd aan haar verplichtingen kon voldoen. In artikel 6:277 lid 1 BW staat dat als een overeenkomst helemaal of deels wordt ontbonden omdat één partij zich niet aan de overeenkomst heeft gehouden, die partij ( [gedaagde] ) dan de schade van de andere partij ( [eiser] ) moet betalen die daardoor ontstaat. Dit komt omdat de overeenkomst niet verder wordt uitgevoerd, maar juist wordt ontbonden.
Dit brengt met zich mee dat [gedaagde] een schadevergoeding aan [eiser] moet betalen.
4.9
[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat zij en [eiser] een vaststellingsovereenkomst/minnelijke regeling hebben gesloten die met zich meebrengt dat [eiser] geen aanspraak (meer) kan maken op een schadevergoeding, maar dit argument slaagt niet. [eiser] betwist dat tussen partijen finale kwijting is afgesproken en dat dit zou zijn afgesproken volgt ook niet uit de stukken. Uit de reactie van [eiser] op het bericht van 19 juni 2025 waarin [gedaagde] aangeeft dat zij de vloer niet binnen de afgesproken termijn kan leveren, volgt niet dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht(en) om schadevergoeding te vorderen. [eiser] geeft in reactie alleen aan dat de aanbetaling minus de verwijderkosten van de oude vloer overgemaakt kunnen worden op het bankrekeningnummer van hem en zijn partner.
4.10
Verder doet [gedaagde] een beroep op artikel 17 lid 3 en 4 van haar algemene voorwaarden, waarin kortgezegd staat dat als er sprake is van overmacht en nakoming blijvend onmogelijk is of wordt, beide partijen de overeenkomst met onmiddellijke ingang mogen beëindigen voor dat deel van de verplichtingen dat nog niet is nagekomen. In artikel 17 lid 4 staat vervolgens dat partijen geen recht op vergoeding van de als gevolg van de opschorting of de beëindiging in de zin van dit artikel geleden of te lijden schade. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op artikel 17 lid 3 en 4 niet slaagt. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat er brand was in een houtzagerij van een leverancier en daarom sprake was van overmacht, maar uit de stukken en wat op de mondelinge behandeling is besproken volgt dat die brand heeft gewoed nádat al duidelijk was geworden dat [gedaagde] de vloer niet binnen de afgesproken termijn kon leggen bij [eiser] en zij opzoek was naar een andere leverancier.
4.11
[gedaagde] heeft in reconventie gesteld dat zij vanwege de opzegging dan wel annulering van de overeenkomst recht heeft op een annulerings- én een opzeggingsvergoeding. Omdat vanwege een tekortkoming van [gedaagde] de overeenkomst ontbonden is (en dus niet is opgezegd of geannuleerd), kan [gedaagde] geen aanspraak maken op de annuleringskosten op basis van haar algemene voorwaarden of op opzeggingskosten op basis van artikel 7:764 lid 2 BW. De vordering in reconventie van [gedaagde] wordt daarom afgewezen.
De hoogte van de schade
4.12
Omdat de overeenkomst is ontbonden in plaats van nagekomen heeft [eiser] in principe recht op een schadevergoeding. Maar, [eiser] had ook de plicht om schadebeperkend op te treden. Dit heeft hij niet (voldoende) gedaan en daarom wijst de kantonrechter slechts een deel van de vordering van [eiser] toe.
4.13
Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij zelf leveranciers heeft gebeld om te kijken of de vloer daar wel leverbaar was. Een paar leveranciers zeiden dat zij de vloer wel konden leveren, maar dat zij dat pas in september 2025 konden doen. Uiteindelijk is [eiser] bij [bedrijf] uitgekomen. Die gaf volgens [eiser] aan de vloer eerder dan september te kunnen leveren, maar dat daar wel een prijskaartje aan hing. [eiser] stelt dat de € 10.657,38 die hij meer heeft moeten betalen voor de vloer en de € 658,19 aan opslagkosten voor zijn inboedel schade is die [gedaagde] helemaal aan hem moet vergoeden. De kantonrechter gaat daar niet in mee.
4.14
De kosten die [eiser] vordert had hij (voor een deel) kunnen besparen. [eiser] heeft niet aan [gedaagde] laten weten dat hij een andere leverancier had gevonden en van plan was om de extra kosten later op [gedaagde] te verhalen, hoewel hij dit wel had kunnen doen. [eiser] is echter akkoord gegaan met het aanbod van [bedrijf] en heeft (pas) achteraf, nadat de vloer was gelegd, aan [gedaagde] laten weten dat hij een schadevergoeding wil. [eiser] had dáárvoor aan [gedaagde] kunnen laten weten dat de vloer bij andere leveranciers dan waar zij contact mee had wel nog beschikbaar was en haar de kans kunnen geven om contact op te nemen met die leveranciers, zodat zij de vloer nog kon leggen voor de afgesproken prijs. Dan wel had [eiser] genoegen moeten nemen met een wat latere levertijd voor een lagere prijs. De oorspronkelijke planning rondom de verhuizing was immers al niet meer haalbaar. Zijn inboedel had [eiser] in dat geval al in de nieuwe woning kunnen zetten, voordat de vloer erin werd gelegd. Misschien had de verhuizing dan wat (extra) vertraging en ongemak opgelopen, maar dat is met de huidige gang van zaken ook het geval geweest. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat hij op 10 juli begon met verhuizen, [bedrijf] diezelfde dag begon met het leggen van de vloer, dat de vloer rond 14 juli 2025 in de nieuwe woning lag en dat zijn spullen tot half augustus 2025 in de opslag stonden vanwege een tekort aan personeel om de spullen uit te leveren.
4.15
De kantonrechter begroot vanwege het bovenstaande de schade van [eiser] op twee keer de opslag- en verhuiskosten ( 2 x € 658,19 = € 1.316,38) als redelijke vergoeding voor het geheel van de problemen met de planning doordat [gedaagde] de vloer niet op tijd kon leveren. De kantonrechter schat in dat dit de extra kosten zijn die [eiser] had gehad als hij de vloer op een later moment had laten leveren, zodat de schade van [eiser] ter hoogte van dit bedrag voor vergoeding in aanmerking komt. [gedaagde] moet dit bedrag aan [eiser] betalen. De wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf 29 augustus 2025.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.16
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [eiser] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en [eiser] heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de kantonrechter de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen, waarbij de hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld op basis van de hoogte van de toegewezen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 197,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De proceskosten
4.17
Omdat beide partijen in conventie gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.18
[gedaagde] is in reconventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
432,00
(2 punten × factor 0,5 × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
576,00
4.19
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.20
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een beslissing neemt.
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.316,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 197,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 en 5.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.7
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.7 en 5.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Scharrenborg en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
61312
Artikel 7:5 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’).
Artikel 7.1. van de algemene voorwaarden.
Artikel 6:83 sub c BW.
Artikel 6:277 lid 1 BW.
Artikel 6:101 lid 1 BW.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12039523 \ UC EXPL 26-25
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 december 2025, met producties, - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 4 maart 2026, met producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 2 juni 2026,
- de aanvullende producties van [gedaagde] van 25 juni 2026.
1.2
De mondelinge behandeling vond plaats op 9 juli 2026. Daarbij was [eiser] aanwezig met zijn partner en met gemachtigde mr. R.A. Le Loux. Namens [gedaagde] waren [A] (mede-eigenaar van [gedaagde] ) en [B] (medewerker bij [gedaagde] ) aanwezig met gemachtigde mr. N.R. Bodamer. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] heeft bij [gedaagde] een eiken parketvloer (hierna ook ‘de vloer’) besteld. [gedaagde] zou de vloer in de nieuwe woning van [eiser] leggen. Omdat [gedaagde] de vloer niet (op tijd) kon leveren is de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] ontbonden. [eiser] heeft de vloer voor een hogere prijs ergens anders moeten kopen en opslagkosten moeten maken omdat de vloer niet volgens de planning gelegd kon worden. Het verschil in prijs en de opslagkosten vordert hij van [gedaagde] . In reconventie vordert [gedaagde] annulerings- en opzeggingskosten van [eiser] . De vorderingen van [eiser] worden deels toegewezen en de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.
3De achtergrond van de zaak
3.1
[eiser] heeft eind 2024 bij [gedaagde] een overeenkomst gesloten voor de levering en montage van een eiken parketvloer in zijn nieuwe woning. Op advies van [gedaagde] heeft [eiser] gekozen voor een specifieke eiken vloer met noesten tot 1 cm en planken van 24 cm breed. De vloer moest op 27 juni 2025 in de nieuwe woning van [eiser] liggen in verband met de verhuizing die op 10 juli 2025 zou plaatsvinden. De totale overeengekomen prijs bedroeg € 28.125,41.
3.2
Op 4 januari is de opdracht per e-mail bevestigd en [gedaagde] heeft in diezelfde maand de vloer bij de leverancier gereserveerd. Op 28 maart 2025 is de vloer in de nieuwe woning van [eiser] definitief ingemeten en op 1 mei 2025 heeft [gedaagde] de definitieve opdrachtbevestiging naar [eiser] gestuurd per mail. De definitieve bestelling van de vloer is op 12 mei 2025 door [gedaagde] bij de leverancier gedaan en op 5 en 6 juni 2025 heeft [gedaagde] de oude vloer uit de nieuwe woning van [eiser] verwijderd. Daarna kreeg [gedaagde] van haar leverancier te horen dat de vloer niet geleverd kon worden. [gedaagde] heeft daarop contact opgenomen met andere leveranciers, maar die konden de vloer (uiteindelijk) ook niet op tijd voor de verhuizing van [eiser] leveren.
3.3
Op 10 juni 2025 heeft [A] telefonisch aan [eiser] laten weten dat de overeengekomen vloer niet geleverd kon worden binnen de afgesproken termijn. [A] heeft aangeboden om de vloer op een later moment te leveren of om een alternatieve vloer te leveren. [eiser] heeft dit geweigerd en de overeenkomst is medio juni 2025 ontbonden. De aanbetaling die [eiser] had betaald, verminderd met de kosten van verwijdering van de oude vloer, is aan [eiser] teruggestort.
3.4
Uiteindelijk heeft [eiser] de gewenste vloer besteld bij een ander bedrijf ( [bedrijf] ), dat de levering en installatie kon verzorgen. De kosten van deze vloer lagen € 10.657,38 hoger dan de oorspronkelijke prijs bij [gedaagde] . Doordat de vloer niet op tijd gelegd kon worden, moest [eiser] zijn inboedel tijdelijk in opslag plaatsen. De verhuizing was niet meer uit te stellen vanwege de verkoop van de oude woning op 14 juli 2025. Dit bracht verhuis- en opslagkosten van € 658,19 met zich mee.
3.5
De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] op 29 augustus 2025 aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden schade van € 11.315,57. [eiser] en [gedaagde] zijn er onderling niet uitgekomen.
4De beoordeling
4.1
De kantonrechter behandelt de vorderingen in conventie en reconventie vanwege de onderlinge samenhang, gezamenlijk.
De vorderingen van [eiser] worden deels toegewezen
4.2
Tussen partijen is geen discussie dat sprake was van een (gemengde) consumentenkoopovereenkomst. [eiser] stelt dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat [gedaagde] in verzuim is. Daarom vordert hij schadevergoeding van [gedaagde] . [gedaagde] betwist dit. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] wel tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Dit wordt hieronder toegelicht.
[gedaagde] heeft de afgesproken termijn niet gehaald
4.3
[eiser] en [gedaagde] zijn het erover eens dat is afgesproken dat de vloer op 27 juni 2025 in de nieuwe woning van [eiser] zou moeten liggen. Dat [gedaagde] deze termijn niet heeft gehaald is volgens [eiser] een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] heeft hier tegenin gebracht dat in haar algemene voorwaarden staat dat een tussen partijen overeengekomen levertijd een indicatie is en geen fatale termijn voor [gedaagde] vormt, tenzij nadrukkelijk iets anders overeen is gekomen.
4.4
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] en [gedaagde] wél een fatale termijn hadden afgesproken, in verband met de verhuizing van [eiser] die op 10 juli 2025 gepland stond en afhing van opeenvolgende werkzaamheden. Deze termijn was bekend bij [gedaagde] . Dat volgt bijvoorbeeld uit de omstandigheid dat [gedaagde] in januari 2025 de vloer al gereserveerd had bij haar leverancier en ook uit de e-mails tussen [eiser] en [gedaagde] . In zijn e-mail van 4 april 2025 geeft [eiser] aan dat de installatie van de keuken op 13 en 18 juni 2025 plaatsvindt en dat de eerdere planning van de vloer daarom een paar dagen doorgeschoven moest worden. [gedaagde] heeft daar op 9 april 2025 op geantwoord dat zij de planning heeft kunnen verzetten en de vloer van 19 tot en met 27 juni 2025 zal worden gelegd. Vanwege het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een indicatie. Dat [gedaagde] deze termijn niet heeft gehaald is dan ook een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van [gedaagde] .
4.5
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op artikel 17 lid 1 van haar algemene voorwaarden, waarin staat dat [gedaagde] het recht heeft om de nakoming van haar verplichtingen op te schorten als zij door overmacht tijdelijk niet kan nakomen. Dit argument slaagt niet, omdat [gedaagde] haar verplichtingen richting [eiser] niet heeft opgeschort, althans nooit kenbaar heeft gemaakt aan [eiser] dat zij dit zou willen doen, geen sprake is van overmacht (zie 4.10) en de overeenkomst is ontbonden.
4.6
Omdat sprake is van een tekortkoming in de nakoming en niet van een gebrek wordt het beroep van [gedaagde] op artikel 14 lid 1 van haar algemene voorwaarden, waarin staat dat [eiser] binnen veertien dagen nadat hij een gebrek (aan de vloer) heeft ontdekt bij [gedaagde] hierover moet klagen, niet besproken.
[gedaagde] was in verzuim
4.7
[gedaagde] was ook in verzuim. Zij kon de vloer niet binnen de afgesproken termijn leveren en leggen en heeft dit op 10 juni 2025 (telefonisch) en 19 juni 2025 (per mail) aan [eiser] gemeld. Hieruit mocht [eiser] afleiden dat [gedaagde] tekort zou schieten in de nakoming van haar verplichtingen. Anders dan [gedaagde] stelt was een ingebrekestelling van [eiser] aan [gedaagde] daarom niet nodig.
De overeenkomst is ontbonden en [gedaagde] moet een schadevergoeding betalen
4.8
[eiser] en [gedaagde] zijn het erover eens dat de overeenkomst daarna is ontbonden omdat [gedaagde] niet op tijd aan haar verplichtingen kon voldoen. In artikel 6:277 lid 1 BW staat dat als een overeenkomst helemaal of deels wordt ontbonden omdat één partij zich niet aan de overeenkomst heeft gehouden, die partij ( [gedaagde] ) dan de schade van de andere partij ( [eiser] ) moet betalen die daardoor ontstaat. Dit komt omdat de overeenkomst niet verder wordt uitgevoerd, maar juist wordt ontbonden.
Dit brengt met zich mee dat [gedaagde] een schadevergoeding aan [eiser] moet betalen.
4.9
[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat zij en [eiser] een vaststellingsovereenkomst/minnelijke regeling hebben gesloten die met zich meebrengt dat [eiser] geen aanspraak (meer) kan maken op een schadevergoeding, maar dit argument slaagt niet. [eiser] betwist dat tussen partijen finale kwijting is afgesproken en dat dit zou zijn afgesproken volgt ook niet uit de stukken. Uit de reactie van [eiser] op het bericht van 19 juni 2025 waarin [gedaagde] aangeeft dat zij de vloer niet binnen de afgesproken termijn kan leveren, volgt niet dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht(en) om schadevergoeding te vorderen. [eiser] geeft in reactie alleen aan dat de aanbetaling minus de verwijderkosten van de oude vloer overgemaakt kunnen worden op het bankrekeningnummer van hem en zijn partner.
4.10
Verder doet [gedaagde] een beroep op artikel 17 lid 3 en 4 van haar algemene voorwaarden, waarin kortgezegd staat dat als er sprake is van overmacht en nakoming blijvend onmogelijk is of wordt, beide partijen de overeenkomst met onmiddellijke ingang mogen beëindigen voor dat deel van de verplichtingen dat nog niet is nagekomen. In artikel 17 lid 4 staat vervolgens dat partijen geen recht op vergoeding van de als gevolg van de opschorting of de beëindiging in de zin van dit artikel geleden of te lijden schade. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op artikel 17 lid 3 en 4 niet slaagt. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat er brand was in een houtzagerij van een leverancier en daarom sprake was van overmacht, maar uit de stukken en wat op de mondelinge behandeling is besproken volgt dat die brand heeft gewoed nádat al duidelijk was geworden dat [gedaagde] de vloer niet binnen de afgesproken termijn kon leggen bij [eiser] en zij opzoek was naar een andere leverancier.
4.11
[gedaagde] heeft in reconventie gesteld dat zij vanwege de opzegging dan wel annulering van de overeenkomst recht heeft op een annulerings- én een opzeggingsvergoeding. Omdat vanwege een tekortkoming van [gedaagde] de overeenkomst ontbonden is (en dus niet is opgezegd of geannuleerd), kan [gedaagde] geen aanspraak maken op de annuleringskosten op basis van haar algemene voorwaarden of op opzeggingskosten op basis van artikel 7:764 lid 2 BW. De vordering in reconventie van [gedaagde] wordt daarom afgewezen.
De hoogte van de schade
4.12
Omdat de overeenkomst is ontbonden in plaats van nagekomen heeft [eiser] in principe recht op een schadevergoeding. Maar, [eiser] had ook de plicht om schadebeperkend op te treden. Dit heeft hij niet (voldoende) gedaan en daarom wijst de kantonrechter slechts een deel van de vordering van [eiser] toe.
4.13
Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij zelf leveranciers heeft gebeld om te kijken of de vloer daar wel leverbaar was. Een paar leveranciers zeiden dat zij de vloer wel konden leveren, maar dat zij dat pas in september 2025 konden doen. Uiteindelijk is [eiser] bij [bedrijf] uitgekomen. Die gaf volgens [eiser] aan de vloer eerder dan september te kunnen leveren, maar dat daar wel een prijskaartje aan hing. [eiser] stelt dat de € 10.657,38 die hij meer heeft moeten betalen voor de vloer en de € 658,19 aan opslagkosten voor zijn inboedel schade is die [gedaagde] helemaal aan hem moet vergoeden. De kantonrechter gaat daar niet in mee.
4.14
De kosten die [eiser] vordert had hij (voor een deel) kunnen besparen. [eiser] heeft niet aan [gedaagde] laten weten dat hij een andere leverancier had gevonden en van plan was om de extra kosten later op [gedaagde] te verhalen, hoewel hij dit wel had kunnen doen. [eiser] is echter akkoord gegaan met het aanbod van [bedrijf] en heeft (pas) achteraf, nadat de vloer was gelegd, aan [gedaagde] laten weten dat hij een schadevergoeding wil. [eiser] had dáárvoor aan [gedaagde] kunnen laten weten dat de vloer bij andere leveranciers dan waar zij contact mee had wel nog beschikbaar was en haar de kans kunnen geven om contact op te nemen met die leveranciers, zodat zij de vloer nog kon leggen voor de afgesproken prijs. Dan wel had [eiser] genoegen moeten nemen met een wat latere levertijd voor een lagere prijs. De oorspronkelijke planning rondom de verhuizing was immers al niet meer haalbaar. Zijn inboedel had [eiser] in dat geval al in de nieuwe woning kunnen zetten, voordat de vloer erin werd gelegd. Misschien had de verhuizing dan wat (extra) vertraging en ongemak opgelopen, maar dat is met de huidige gang van zaken ook het geval geweest. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat hij op 10 juli begon met verhuizen, [bedrijf] diezelfde dag begon met het leggen van de vloer, dat de vloer rond 14 juli 2025 in de nieuwe woning lag en dat zijn spullen tot half augustus 2025 in de opslag stonden vanwege een tekort aan personeel om de spullen uit te leveren.
4.15
De kantonrechter begroot vanwege het bovenstaande de schade van [eiser] op twee keer de opslag- en verhuiskosten ( 2 x € 658,19 = € 1.316,38) als redelijke vergoeding voor het geheel van de problemen met de planning doordat [gedaagde] de vloer niet op tijd kon leveren. De kantonrechter schat in dat dit de extra kosten zijn die [eiser] had gehad als hij de vloer op een later moment had laten leveren, zodat de schade van [eiser] ter hoogte van dit bedrag voor vergoeding in aanmerking komt. [gedaagde] moet dit bedrag aan [eiser] betalen. De wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf 29 augustus 2025.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.16
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [eiser] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en [eiser] heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de kantonrechter de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen, waarbij de hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld op basis van de hoogte van de toegewezen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 197,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De proceskosten
4.17
Omdat beide partijen in conventie gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.18
[gedaagde] is in reconventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
432,00
(2 punten × factor 0,5 × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
576,00
4.19
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.20
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een beslissing neemt.
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.316,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 197,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 en 5.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.7
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.7 en 5.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Scharrenborg en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
61312
Artikel 7:5 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’).
Artikel 7.1. van de algemene voorwaarden.
Artikel 6:83 sub c BW.
Artikel 6:277 lid 1 BW.
Artikel 6:101 lid 1 BW.