Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5571

2026-08-05 Civiel recht 12087602 \ MC EXPL 26-659
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12087602 \ MC EXPL 26-659
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Opdracht tot taxatie woning. Vast is komen te staan dat gedaagde opdrachtgever is geweest. Betwisting dat de digitale handtekening onder de opdrachtovereenkomst niet van gedaagde zou zijn is onvoldoende onderbouwd.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.238 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Almere



Zaaknummer: 12087602 \ MC EXPL 26-659




Vonnis van 5 augustus 2026




in de zaak van





[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: Reijck Credit Service.






1De procedure


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord met producties,- de conclusie van repliek met producties,- de conclusie van dupliek.




1.2
Ten slotte is bepaald dat er vonnis wordt gewezen.





2De kern van de zaak


2.1

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan [gedaagde] te voldoen € 825,13 (bestaande uit € 700,00 aan hoofdsom, € 20,13 aan rente tot 20 januari 2026 en € 105,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 20 januari 2026 tot de voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. [eiseres] stelt dat zij in opdracht van [gedaagde] ten behoeve van een hypotheekaanvraag haar woning aan het [adres] te [plaats 2] heeft laten taxeren. [gedaagde] heeft de factuur van [eiseres] onbetaald gelaten. [gedaagde] betwist dat er een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. De kantonrechter wijst de vordering van € 700,- en de proceskosten toe. De kantonrechter wijst de andere vorderingen af. Hieronder wordt uitgelegd waarom.




3De beoordeling




[gedaagde] heeft een volmacht gegeven aan [eiseres]




3.1
stelt dat er een volmacht is gegeven door [gedaagde] om een taxateur in te schakelen. Deze volmacht is gegeven voor een hypotheekaanvraag voor haar woning aan de [adres] in [plaats 2] . [eiseres] verwijst naar een electronisch ondertekende overeenkomst, waarin staat dat [gedaagde] de opdrachtgever is: “Digitaal getekend vanaf ip [.] op 24-0602025 (via [e-mailadres] ) ”.



3.2

[gedaagde] betwist dat er een directe overeenkomst is gesloten met [eiseres] . De overeenkomst zou zijn gesloten tussen [eiseres] en [onderneming] . [onderneming] is de partij waar [gedaagde] haar financieringsaanvraag heeft gedaan. Er zou tussen [gedaagde] en [eiseres] nooit zijn overeengekomen dat zij de kosten van de taxatie zou dragen of dat [eiseres] direct aan haar mocht factureren. [gedaagde] onderbouwt haar standpunt niet dat [onderneming] met [eiseres] de overeenkomst zou hebben gesloten. Het had op haar weg gelegen daarvan een bevestiging van [onderneming] te overleggen, maar dat heeft zij niet gedaan. Ook brengt zij geen andere stukken in om haar standpunt te onderbouwen.



3.3
Wel verzoekt [gedaagde] een bevel tot overlegging van stukken, waaruit, zo de kantonrechter begrijpt, zou moeten blijken wie de ondertekenaar van de opdrachtbevestiging is geweest. De kantonrechter leest hierin een beroep op artikelen 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv). Degene die inzage verlangt zal duidelijk moeten verzoeken dat hij inzage verlangt en moeten stellen dat is voldaan aan de eisen van artikel 194 Rv. Dat is hier niet gebeurd. De kantonrechter gaat daarom aan het verzoek voorbij.




[gedaagde] heeft de opdracht gegeven





3.4
Het verweer van [gedaagde] dat zij de opdracht niet heeft gegeven faalt. Het klopt dat [eiseres] de bewijslast zou dragen voor het bestaan van een rechtsgeldige overeenkomst en de authenticiteit van de elektronische handtekening. Maar bewijslevering komt alleen ter sprake bij een voldoende gemotiveerde betwisting. Daar is hier geen sprake van. Als [gedaagde] betwist dat de handtekening door haar was gezet, dan is het onvoldoende om alleen te zeggen dat zij de handtekening niet had gezet. Er is een digitale handtekening afgegeven via het e-mailadres dat [gedaagde] heeft gebruikt bij de hypotheekaanvraag en van waaruit [gedaagde] na het sluiten van de overeenkomst heeft gecommuniceerd. De handtekening is dus via haar eigen e-mailadres afgegeven en zij heeft daarvan direct bevestiging gehad. Dat de bevestiging is verstuurd blijkt uit de audit-trail, waarin staat wanneer, door welk e-mailadres en met welk IP-adres er is ondertekend. [gedaagde] had meer moeten aanvoeren, waaruit zou blijken dat anderen toegang hadden tot haar e-mailadres. Zij stelt alleen dat derden, waaronder medewerkers van [onderneming] , in het bezit kunnen zijn geweest van de inloggegevens of op een andere manier toegang hadden tot haar e-mailcorrespondentie. Waaruit dat zou moeten blijken geeft zij niet aan. Het verschil in de locatie van het IP-adres is geen voldoende betwisting. [gedaagde] geeft zelf aan dat de kantonrechter deze informatie moet passeren, omdat het geen betrouwbare bron is. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om dan met een meer betrouwbare stukken te komen.



3.5
De kantonrechter oordeelt dus dat [gedaagde] een bedrag van € 700,- voor de taxatie aan [eiseres] moet betalen. Er is namelijk een overeenkomst en deze overeenkomst is gesloten tussen [eiseres] en [gedaagde] . [gedaagde] heeft verder erkend dat de taxatie heeft plaatsgevonden en ze heeft niet betwist dat er een rapport is opgesteld en toegestuurd.



De kantonrechter beperkt de vordering niet





3.6

[gedaagde] heeft de kantonrechter verzocht om de vordering te beperken tot hetgeen daadwerkelijk en rechtsgeldig door [gedaagde] is aangevraagd en geautoriseerd. De kantonrechter leest hierin een betwisting van de hoogte van de vordering. Voor een betwisting van de hoogte van de vordering moet [gedaagde] uitleggen waarom de hoogte van de vordering niet zou kloppen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De kantonrechter ziet daarom geen reden om een lager bedrag toe te wijzen.




[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen





3.7

[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 8.4 van de algemene voorwaarden is daarover een beding opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of het genoemde artikel in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is voor consumenten zoals [gedaagde] . [eiseres] stelt geen beroep te doen op de algemene voorwaarden, maar aan die stelling gaat de kantonrechter voorbij. De algemene voorwaarden maken nu eenmaal onderdeel uit van de overeenkomst en dat betekent dat er ambtshalve getoetst moet worden.



3.8
Bij de beoordeling is relevant dat de omvang van de in rekening te brengen vergoeding is beperkt in artikel 6:96 lid 5 en lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: Besluit). Ook heeft de wetgever benadrukt – en dat is in een uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704) nog eens verduidelijkt – dat die vergoeding niet meteen bij het ontstaan van een betalingsachterstand is verschuldigd, maar dat éérst een aanmaningsbrief, de zogenoemde veertiendagenbrief, moet worden verstuurd, waarin een termijn van veertien dagen (gerekend vanaf de dag na ontvangst van de aanmaning door de consument) moet zijn vermeld, waarbinnen het verschuldigde bedrag nog zonder extra kosten kan worden betaald. Volgens de tekst van het beding zijn de incassokosten al verschuldigd zodra de consument in verzuim is, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas na het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd worden.



3.9
De kantonrechter is van oordeel dat het beding daardoor ten nadele van consumenten aanzienlijk afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het beding is dus onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan wordt de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.






[gedaagde] hoeft geen wettelijke rente te betalen





3.10

[eiseres] maakt ook aanspraak op vergoeding van rente. In artikel 8.2 van de algemene voorwaarden is daarover een beding opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of dit artikel onredelijk bezwarend is voor [gedaagde] als bedoeld in artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). De bedongen rente van 1% is hoger dan wat de wettelijke rente voor handelstransacties was op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Door die hogere rente wordt de consument benadeeld. Om die reden is het rentebeding onredelijk bezwarend en wordt het door de kantonrechter vernietigd. Als gevolg daarvan wijst de kantonrechter de gevorderde rentevergoeding af.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





3.11
Beide partijen vinden dat de andere partij de proceskosten moet betalen. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht € 350,00










- salaris gemachtigde





€


288,00


(2 punt × € 144,00)




- nakosten





€


72,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





€


710,00











De uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard





3.12

[eiseres] heeft gevorderd om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en dat wordt toegewezen. Dat betekent dat de veroordelingen direct moeten worden nagekomen en dat het vonnis haar werking behoudt als hoger beroep wordt ingesteld, totdat de rechter in hoger beroep uitspraak heeft gedaan.





4De beslissing


De kantonrechter



4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 700,- aan [eiseres] ,



4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 710,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.3
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.