Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5545
2026-07-16
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
11975486 UM VERZ 25-7122
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wahv, verlaging boete uit 2024, strijd met het evenredigheidsbeginsel. Deze kantonrechter sluit aan bij de uitsprakak van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707) waarin de verhoging van de boetebedragen uit 2024 onverbindend is verklaard.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 Rechtbank Midden-Nederland 30-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2023:9450 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-11-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.583 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 11975486 UM VERZ 25-7122
CJIB-nummer: [CJIB-nummer 1]
beslissing van de kantonrechter van 16 juli 2026 en proces-verbaal van de zitting van
2 juli 2026
inzake
[betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [straat] [nummeraanduiding 1] ,
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: Adviesbureau Skandara.
Procesverloop
Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 120,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 7 juli 2024 om 9:12 uur te [plaats] , [straat] [nummeraanduiding 2] met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 2 juli 2026 hun zienswijze nader toe te lichten. Namens betrokkene is gemachtigde verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.
Standpunten
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat het volgende aangevoerd:
- het sanctiebedrag is te hoog.
- er wordt om een proceskostenvergoeding verzocht.
Gemachtigde heeft ter zitting het beroepschrift nader toegelicht.
De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is.
Beoordeling
De kantonrechter stelt vast dat de gedraging is verricht en overweegt daartoe als volgt.
In zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht. Daarbij wordt overwogen dat de gedraging kan worden vastgesteld op basis van de verklaring van de verbalisant en de foto’s in het dossier.
De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het boetebedrag van € 120,- onevenredig hoog is. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. De algemene maatregel van bestuur die aan deze verhoging ten grondslag ligt, is door een andere kantonrechter van deze rechtbank getoetst in de uitspraak van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707). In deze uitspraak is geoordeeld dat de verhoging onverbindend is, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Deze kantonrechter sluit zich aan bij het oordeel uit de uitspraak van 30 juni 2026 en verwijst naar de overwegingen uit die uitspraak. Dat heeft tot gevolg dat de betrokkene slechts een boete had mogen krijgen ter hoogte van het bedrag dat voor deze overtreding gold vóór 1 maart 2024. Het beroep is gegrond en de kantonrechter zal de boete alsnog vaststellen op € 110,-.
De kantonrechter ziet aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van de betrokkene. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand in de fase van administratief beroep wordt geen vergoeding toegekend, omdat de onrechtmatigheid in het boetebedrag niet te wijten is aan de ambtenaar die de boete heeft opgelegd. Voor de rechtsbijstand in de fase van beroep bij de kantonrechter krijgt de betrokkene € 934 per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De hoogte van de vergoeding wordt op grond van artikel 13a, tweede lid onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met 0,25, omdat de sanctie wordt gewijzigd en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. De vergoeding bedraagt 2 x € 934 x 0,5 x 0,25 = € 233,50.
Samenhang
Uit artikel 3, eerste lid, van het Bpb, gelezen in samenhang met de artikelen 1, aanhef en onder a, en 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb, volgt dat voor het vaststellen van het bedrag van proceskostenvergoeding samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak.
Op zitting zijn 5 zaken behandeld waarin het beroep gedeeltelijk gegrond wordt verklaard omdat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Bij deze zaken is dezelfde beroepsgemachtigde betrokken.
Leidend voor de vraag of de bestuursrechter beroepen als samenhangend beschouwt, is of de beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld. Slechts in uitzonderlijke gevallen waarin strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken, kan de rechter de volgens de Bpb berekende vergoeding om die reden verlagen of verhogen. De enkele omstandigheid dat een grote hoeveelheid zaken (nagenoeg) gelijktijdig is behandeld, is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden.
De onderhavige zaak zal met de zaken met de zaaknummers en CJIB-nummers, vermeldt op de aangehechte bijlage, als samenhangend worden aangemerkt en daarmee als één zaak voor het bepalen van de proceskostenvergoeding.
Volgens het Bpb wordt bij samenhangende zaken vanaf vier of meer een wegingsfactor van 1,5 gehanteerd. Bij minder dan vier zaken wordt een extra wegingsfactor van 1 gehanteerd. De totale vergoeding bedraagt € 233,50 x 1,5 = € 350,25.
De kantonrechter zal, gelet het bepaalde in artikel 13a, derde lid, van de Wahv, in elke met deze zaak samenhangende zaken de officier van justitie in de proceskosten veroordelen. De hoogte van de door de officier van justitie te vergoeden proceskostenvergoeding per zaak wordt bepaald door het toe te kennen bedrag te delen door het aantal samenhangende zaken. Aldus bedraagt de proceskostenvergoeding per zaak 1/5 (aantal samenhangende zaken) x € 350,25 = € 70,05.
De officier van justitie mag de proceskosten uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van betrokkene.
Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.
Beslissing
De kantonrechter:
verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie;
stelt het bedrag van de administratieve sanctie vast op € 110,-;
bepaalt dat de officier van justitie aan betrokkene het teveel betaalde teruggeeft;
veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 70,05.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. J.N.M. Alsemgeest, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
B. Steenbeek mr. drs. J.N.M. Alsemgeest
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal:
Aanhangsel behorende bij de zaak 11975486 UM VERZ 25-7122
Zaaknummer
CJIB-nummer
Hoorzitting administratief beroep
Zitting
beroep kantonrechter
11876430 UM VERZ 25-4918
[CJIB-nummer 2]
17-12-2024
02-07-2026
11804601 AM VERZ 25-3537
[CJIB-nummer 3]
14-10-2024
02-07-2026
11964770 UM VERZ 25-6819
[CJIB-nummer 4]
-
02-07-2026
11975486 UM VERZ 25-7122
[CJIB-nummer 1]
26-03-2025
02-07-2026
11993812 AM VERZ 25-5336
[CJIB-nummer 5]
17-01-2025
02-07-2026
[1] Zie ook het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9450.
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 11975486 UM VERZ 25-7122
CJIB-nummer: [CJIB-nummer 1]
beslissing van de kantonrechter van 16 juli 2026 en proces-verbaal van de zitting van
2 juli 2026
inzake
[betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [straat] [nummeraanduiding 1] ,
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: Adviesbureau Skandara.
Procesverloop
Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 120,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 7 juli 2024 om 9:12 uur te [plaats] , [straat] [nummeraanduiding 2] met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 2 juli 2026 hun zienswijze nader toe te lichten. Namens betrokkene is gemachtigde verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.
Standpunten
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat het volgende aangevoerd:
- het sanctiebedrag is te hoog.
- er wordt om een proceskostenvergoeding verzocht.
Gemachtigde heeft ter zitting het beroepschrift nader toegelicht.
De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is.
Beoordeling
De kantonrechter stelt vast dat de gedraging is verricht en overweegt daartoe als volgt.
In zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht. Daarbij wordt overwogen dat de gedraging kan worden vastgesteld op basis van de verklaring van de verbalisant en de foto’s in het dossier.
De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het boetebedrag van € 120,- onevenredig hoog is. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. De algemene maatregel van bestuur die aan deze verhoging ten grondslag ligt, is door een andere kantonrechter van deze rechtbank getoetst in de uitspraak van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707). In deze uitspraak is geoordeeld dat de verhoging onverbindend is, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Deze kantonrechter sluit zich aan bij het oordeel uit de uitspraak van 30 juni 2026 en verwijst naar de overwegingen uit die uitspraak. Dat heeft tot gevolg dat de betrokkene slechts een boete had mogen krijgen ter hoogte van het bedrag dat voor deze overtreding gold vóór 1 maart 2024. Het beroep is gegrond en de kantonrechter zal de boete alsnog vaststellen op € 110,-.
De kantonrechter ziet aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van de betrokkene. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand in de fase van administratief beroep wordt geen vergoeding toegekend, omdat de onrechtmatigheid in het boetebedrag niet te wijten is aan de ambtenaar die de boete heeft opgelegd. Voor de rechtsbijstand in de fase van beroep bij de kantonrechter krijgt de betrokkene € 934 per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De hoogte van de vergoeding wordt op grond van artikel 13a, tweede lid onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met 0,25, omdat de sanctie wordt gewijzigd en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. De vergoeding bedraagt 2 x € 934 x 0,5 x 0,25 = € 233,50.
Samenhang
Uit artikel 3, eerste lid, van het Bpb, gelezen in samenhang met de artikelen 1, aanhef en onder a, en 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb, volgt dat voor het vaststellen van het bedrag van proceskostenvergoeding samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak.
Op zitting zijn 5 zaken behandeld waarin het beroep gedeeltelijk gegrond wordt verklaard omdat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Bij deze zaken is dezelfde beroepsgemachtigde betrokken.
Leidend voor de vraag of de bestuursrechter beroepen als samenhangend beschouwt, is of de beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld. Slechts in uitzonderlijke gevallen waarin strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken, kan de rechter de volgens de Bpb berekende vergoeding om die reden verlagen of verhogen. De enkele omstandigheid dat een grote hoeveelheid zaken (nagenoeg) gelijktijdig is behandeld, is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden.
De onderhavige zaak zal met de zaken met de zaaknummers en CJIB-nummers, vermeldt op de aangehechte bijlage, als samenhangend worden aangemerkt en daarmee als één zaak voor het bepalen van de proceskostenvergoeding.
Volgens het Bpb wordt bij samenhangende zaken vanaf vier of meer een wegingsfactor van 1,5 gehanteerd. Bij minder dan vier zaken wordt een extra wegingsfactor van 1 gehanteerd. De totale vergoeding bedraagt € 233,50 x 1,5 = € 350,25.
De kantonrechter zal, gelet het bepaalde in artikel 13a, derde lid, van de Wahv, in elke met deze zaak samenhangende zaken de officier van justitie in de proceskosten veroordelen. De hoogte van de door de officier van justitie te vergoeden proceskostenvergoeding per zaak wordt bepaald door het toe te kennen bedrag te delen door het aantal samenhangende zaken. Aldus bedraagt de proceskostenvergoeding per zaak 1/5 (aantal samenhangende zaken) x € 350,25 = € 70,05.
De officier van justitie mag de proceskosten uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van betrokkene.
Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.
Beslissing
De kantonrechter:
verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie;
stelt het bedrag van de administratieve sanctie vast op € 110,-;
bepaalt dat de officier van justitie aan betrokkene het teveel betaalde teruggeeft;
veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 70,05.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. J.N.M. Alsemgeest, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
B. Steenbeek mr. drs. J.N.M. Alsemgeest
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal:
Aanhangsel behorende bij de zaak 11975486 UM VERZ 25-7122
Zaaknummer
CJIB-nummer
Hoorzitting administratief beroep
Zitting
beroep kantonrechter
11876430 UM VERZ 25-4918
[CJIB-nummer 2]
17-12-2024
02-07-2026
11804601 AM VERZ 25-3537
[CJIB-nummer 3]
14-10-2024
02-07-2026
11964770 UM VERZ 25-6819
[CJIB-nummer 4]
-
02-07-2026
11975486 UM VERZ 25-7122
[CJIB-nummer 1]
26-03-2025
02-07-2026
11993812 AM VERZ 25-5336
[CJIB-nummer 5]
17-01-2025
02-07-2026
[1] Zie ook het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9450.