Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5489

2026-08-14 Bestuursrecht; Omgevingsrecht UTR 26/1591
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-14
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/1591
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Sdu Nieuws Bestuursrecht 2026/169

Inhoudsindicatie

Eiser heeft verzocht om handhavend op te treden tegen een imkervereniging in Almere. Volgens eiser ondervinden hij en andere bewoners overlast vanwege de bijen van deze vereniging. Daarbij wijst eiser onder andere op de aanwezigheid van bijenzwermen en bijenpoep op ramen, tuinmeubilair en voertuigen. Dit verzoek heeft het college mogen afwijzen. Bij het verzoek slechts twee foto’s gevoegd; een van wat bijenpoep zou zijn op een tuinkussen en een van een bijenzwerm op straat. Dit zijn volgens de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de vermeende overtreding door de imkervereniging. Eiser niet meer informatie overgelegd, ook niet in beroep. Ook verder in het dossier geen aanknopingspunten voor de gestelde omvang van de overlast. Daarbij wijst de rechtbank op een controle van toezichthouders, voorafgaand aan het handhavingsverzoek, en op twee onderzoeken van een ecologisch adviesbureau dat de gemeente heeft laten uitvoeren.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.882 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Almere


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 26/1591


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: J.J.A. Leemans),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere
(gemachtigde: mr. A. van Rossum).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Imkervereniging Zuid Flevoland uit Almere (de imkervereniging).





Inleiding


Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser heeft het college verzocht om te handhaven op grond van artikel 2:57 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Almere 2011 (de APV).



Het college heeft dit handhavingsverzoek met het besluit van 29 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 januari 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van verzoek gebleven.



Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en [A] (voorzitter van de imkervereniging).




Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt of het college het verzoek van eiser om handhavend op te treden heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Waarom heeft eiser verzocht om handhaving?



3. Eiser heeft op 22 juli 2025 het college verzocht om handhavend op te treden tegen de imkervereniging. Deze imkervereniging is al meer dan 40 jaar gevestigd aan de [adres] in Almere en maakt (conform bestemmingsplan) onderdeel uit van het Beginbos. In het jaar 2020 is aan de rand van het Beginbos de woonwijk [wijk] gebouwd. Eiser woont in deze wijk. Eiser stelt al geruime tijd aanzienlijke overlast te ervaren van bijen die afkomstig zijn van de imkervereniging. Deze overlast bestaat uit – kort samengevat – aanhoudende aanwezigheid van bijen in en rond de woning en tuin, bijenzwermen die zich incidenteel ophouden in de omgeving van de woning, het risico op bijensteken en bijenpoep op ramen, tuinmeubilair en voertuigen.
4. Volgens eiser is gelet hierop sprake van een overtreding van artikel 2:57 van de APV. Daarin staat vermeld dat degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder veroorzaakt.



Heeft het college het handhavingsverzoek kunnen afwijzen?



5. Volgens vaste jurisprudentie moet een handhavingsverzoek het bestuursorgaan enig aanknopingspunt bieden voor onderzoek naar de vraag of degene jegens wie om handhaving wordt verzocht een overtreding begaat of heeft begaan. Het is vervolgens aan het bestuursorgaan om te onderzoeken of sprake was van een overtreding. Handhaving is een bevoegdheid maar ook de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Een handhavingsverzoek hoeft dan ook niet het bewijs te bevatten dat tot handhaving dient te worden overgegaan.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn handhavingsverzoek slechts twee foto’s heeft overlegd. Eén foto van zwarte stipjes op, naar later gebleken, een tuinkussen. En één foto van een bijenzwerm op de stoep/weg nabij een auto. Eiser heeft later toegelicht dat deze bijenzwerm is aangetroffen aan het begin van zijn straat. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het handhavingsverzoek met deze twee foto’s onvoldoende aanknopingspunten biedt om over te gaan tot onderzoek naar de vermeende overtreding van artikel 2:57 van de APV door de imkervereniging. De enkele aanwezigheid van een vlekje op een kussen en een zwerm in de straat, is daarvoor onvoldoende.
7. Op de zitting heeft eiser nog opgemerkt dat hij beschikt over meer informatie en foto’s en dat hij deze heeft gestuurd naar de projectsecretaris van de gemeente. Dit maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De informatie en foto’s heeft eiser niet overgelegd, ook niet in beroep. Eiser heeft ook onderbouwd dat de gemeente/het college daar daadwerkelijk over beschikt. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat in de bezwaarfase duidelijk naar voren is gekomen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van ernstige hinder door de bijen van de imkervereniging. Uit het advies van de bezwaaradviescommissie van 6 januari 2026 volgt ook dat de intensiteit, frequentie en of/duur van de vermeende hinder onvoldoende inzichtelijk is gemaakt door eiser. De bezwaarschriftencommissie merkt daarbij op dat eiser slechts twee foto’s bij het verzoek heeft overgelegd en dat het onduidelijk is hoe vaak er sprake is van bijenpoep en wat de ernst daarvan is. Voor eiser was het dan ook voldoende bekend, of had bekend moeten zijn, dat het geschil ging over de mate van onderbouwing van het handhavingsverzoek. Daarbij merkt de rechtbank verder op dat eiser in de beroepsprocedure is vertegenwoordigd door een professionele gemachtigde. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eiser gelegen om in beroep zijn stelling dat zijn handhavingsverzoek op meer aanknopingspunten was gebaseerd dan alleen de twee bijgevoegde foto’s nader te onderbouwen.

8. Eiser heeft op de zitting verder benadrukt dat de overlast door meer bewoners wordt ervaren en dat de overlast zodanig is dat veel bewoners zich niet of nauwelijks meer in de tuin of buiten durven te begeven en met grote regelmaat hun auto’s wassen vanwege de overlast. Ook dit standpunt heeft eiser niet nader onderbouwd. Anderszins kan in het dossier daar ook geen aanknopingspunt voor worden gevonden. Uit het dossier en de zitting komt onder meer het volgende naar voren.
9. Het college heeft op 14 juli 2025, voordat het handhavingsverzoek is ingediend, een controle door toezichthouders laten uitvoeren in de straat waar eiser woont en zij hebben op een deel van de afgelegde route bijenpoep aangetroffen op auto’s. Verder bevat het dossier een rapport van ecologisch adviesbureau [adviesbureau] van 27 november 2025, dat in opdracht van het college is opgesteld. In dat rapport wordt een aantal maatregelen genoemd die andere gemeenten hebben getroffen om mogelijke overlast van bijen te verminderen, namelijk het draaien van de bijenkasten, barrières zoals een haag en afstandsnormen van minimaal 50-100 meter van woningen. Daarbij wordt opgemerkt dat de locatie waar de imkervereniging de bijen houdt omringd wordt door hoge bomen, zodat in zoverre sprake is van een barrière. Ook wordt opgemerkt dat de afstand tussen de ingang van het terrein van de imkervereniging tot de eerste rij woningen van de woonwijk [wijk] hemelsbreed 130 meter is, en dus groter is dan de afstand die in andere gemeenten wordt gehanteerd. Tijdens de beroepsprocedure heeft hetzelfde ecologische adviesbureau een onderzoek gedaan naar de bijenpoep in de omgeving. Zij heeft geconstateerd dat de grootste aantallen bijenpoepjes op auto’s worden gevonden in twee straten in Almere, waaronder de straat waar eiser woont. Gemiddeld zijn daar 5-6 poepjes per auto aangetroffen, in vergelijking met 2-4 poepjes per auto in andere wijken. Verder staat in het rapport dat er op die auto’s sprake is van bijenpoep, maar er is ook sprake van stuifmeeldepositie, vuil, uitwerpselen van andere insecten (zwarte puntjes) en vogelpoep op de auto’s. Over de bijenzwermen staat in het rapport dat er zeer veel meldingen vanuit de hele gemeente bij de imkervereniging zijn binnengekomen, maar geen enkele melding vanuit de [straat] . Uit deze in het dossier beschikbare informatie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgemaakt dat sprake is van een hoeveelheid bijenpoep of een mate van overlast die overeenkomt met hetgeen eiser op de zitting naar voren heeft gebracht.

8. De rechtbank merkt verder nog op dat de omstandigheid dat het college op de hoogte was van de bezwaren en ook een mediationtraject tussen eiser en de imkervereniging heeft begeleid, niet tot een ander oordeel leidt. Dit duidt op een faciliterende rol van het college om gezamenlijk tot een bevredigende situatie te komen en niet op een erkenning of bevestiging van het college dat sprake is van aanknopingspunten dat de imkervereniging artikel 2:57 van de APV heeft overtreden.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het verzoek mogen afwijzen.



Conclusie en gevolgen


Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.





De griffier is niet in de gelegenheid


om de uitspraak te ondertekenen.












griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 18 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:128.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2743.