Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5485
Inhoudsindicatie
Beroep tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een fietsenoverkapping in de voortuin. Partijen verschillen van mening of de aanvraag in strijd is met de regels van het omgevingsplan. Het bouwwerk is volgens het nieuwe deel van het omgevingsplan niet toegestaan, tenzij hierover in het tijdelijke deel van het omgevingsplan op een locatie specifieke regels gelden en het bouwwerk voldoet aan die regels. De letterlijke uitleg van een bijbehorend bouwwerk in het bestemmingsplan (tijdelijk deel) brengt met zich dat daaronder een ‘uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk met een bovenbeëindiging van een gebouw’ wordt verstaan. Oftewel een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met het dak van een gebouw. Omdat de fietsenoverkapping een dak van een gebouw heeft, valt de fietsenoverkapping onder de regels die gelden voor bijbehorende bouwwerken. De omgevingsvergunni
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2021:1897 Raad van State 25-08-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:1796 Raad van State 11-08-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.552 tekens)
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/513
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. N. J. van Polanen).
Inleiding
1. Eiser is eigenaar van de woning aan [adres] in [plaats] en heeft een fietsenoverkapping in de voortuin gebouwd. Na een melding van een derde dat de fietsenoverkapping zonder benodigde omgevingsvergunning is gebouwd, heeft het college besloten om daartegen handhavend op te treden. Dat was voor eiser de aanleiding om een omgevingsvergunning aan te vragen (legalisatie).
2. Bij besluit van 5 augustus 2025 (het primaire besluit) heeft het college geweigerd om de gevraagde omgevingsvergunning aan eiser te verlenen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
3. In het besluit van 9 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde vergezeld door mr. R.M.C.J. Versteeg.
Beoordeling door de rechtbank
Is de aanvraag in strijd met het omgevingsplan?
6. De aanvraag ziet op een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Het nieuwe deel van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht (het omgevingsplan) bepaalt namelijk dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning te bouwen en een bouwwerk dat in strijd met de wet is gebouwd in stand te houden of te gebruiken. Onder een aantal voorwaarden mag volgens het omgevingsplan zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk worden gebouwd of uitgebreid. Eén van die voorwaarden is dat het bijbehorende bouwwerk op het achtererfgebied staat. Tussen partijen is niet in geschil dat de fietsenoverkapping volgens het omgevingsplan een bijbehorend bouwwerk is, omdat het ‘een ander bouwwerk met een dak’ is. Ook is niet in geschil dat de fietsenoverkapping niet in het achtererfgebied maar in de voortuin is gebouwd, waardoor deze niet vergunningsvrij is.
7. Een bijbehorend bouwwerk dat niet vergunningsvrij is, is niet toegestaan, tenzij hierover in het tijdelijke deel van het omgevingsplan op een locatie specifieke regels over het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden en het bijbehorend bouwwerk voldoet aan die regels. Die specifieke regels voor het perceel van eiser staan in het bestemmingsplan ‘Actualisering 2015, Oog in Al en Lunetten’, dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het perceel van eiser heeft daarin de bestemming ‘Wonen’. Het bestemmingsplan bepaalt dat bij een hoofdgebouw bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten zijn toegestaan die zonder omgevingsvergunning kunnen worden verricht. Omdat de overkapping niet vergunningsvrij is, stelt het college zich op het standpunt dat de aanvraag niet voldoet aan de specifieke regels voor bijbehorende bouwwerken. Om die reden is volgens het college sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college alleen een omgevingsvergunning kan verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens het college is daar geen sprake van, omdat het college als uitgangspunt hanteert dat voortuinen vrij moeten zijn van bebouwing.
8. Eiser voert aan dat dat de overkapping niet in strijd is met de specifieke regels, omdat de overkapping volgens het bestemmingsplan niet aangemerkt wordt als bijbehorend bouwwerk maar als een bouwwerk, geen gebouw zijnde. In tegenstelling tot het nieuwe deel van het omgevingsplan, bevat het tijdelijke deel een definitie van ‘dak’. Een dak wordt daarin gedefinieerd als: de bovenbeëindiging van een gebouw. Gebouw is gedefinieerd als: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. De overkapping heeft geen wanden en is daarom geen gebouw. Omdat een bijbehorend bouwwerk ook in het tijdelijke deel is gedefinieerd als een bouwwerk met een dak, en in juridische zin geen sprake is van een dak, kwalificeert de fietsenoverkapping niet als bijbehorend bouwwerk maar als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, aldus eiser. Voor een bouwwerk geen gebouw zijnde geldt alleen het vereiste dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter. De hoogte van de fietsenberging is niet meer dan 3 meter en voldoet volgens eiser dus aan de specifieke regels zodat de omgevingsvergunning moet worden verleend.
9. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk dienen te worden uitgelegd. De rechtszekerheid vereist immers dat van wat in het bestemmingsplan is bepaald, in beginsel dient te worden uitgegaan. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang (systematiek) duidelijk zijn.
10. De rechtbank stelt met partijen vast dat de fietsenoverkapping aangemerkt moet worden als een bijbehorend bouwwerk in de zin van het nieuwe deel van het omgevingsplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Het bouwen van de fietsenoverkapping in de voortuin is volgens het nieuwe deel van het omgevingsplan niet toegestaan, tenzij hierover in het tijdelijke deel van het omgevingsplan op een locatie specifieke regels over het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden en het bijbehorend bouwwerk voldoet aan die regels. Voor de beoordeling of aan de locatie specifieke regels uit het tijdelijk deel wordt voldaan, zijn de begripsomschrijvingen uit het tijdelijk deel van toepassing. Anders dan het college betoogt, kan voor de uitleg van begrippen uit het tijdelijk deel niet worden aangesloten bij begrippen uit het nieuwe deel. Dat betekent dus dat begripsomschrijvingen uit het tijdelijke deel niet kunnen worden genegeerd bij toepassing van regels uit het tijdelijke deel. Een bijbehorend bouwwerk is in het (van het tijdelijk deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplan gedefinieerd als de ‘uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak’. Een dak is gedefinieerd als ‘een bovenbeëindiging van een gebouw’. De letterlijke uitleg van een bijbehorend bouwwerk in het bestemmingsplan brengt met zich dat daaronder een ‘uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk met een bovenbeëindiging van een gebouw’ wordt verstaan. Oftewel een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met het dak van een gebouw. In tegenstelling tot wat eiser aanvoert volgt hieruit niet dat het bouwwerk zelf een gebouw moet zijn om te kwalificeren als bijbehorend bouwwerk in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
11. De fietsenoverkapping bestaat uit houten palen zonder wanden en is om die reden geen gebouw. Omdat de fietsenoverkapping wel een dak van een gebouw heeft, valt de fietsenoverkapping in het bestemmingsplan ook onder de regels die gelden voor bijbehorende bouwwerken. De specifieke regels van het bestemmingsplan voor bijbehorende bouwwerken bepalen dat bij een hoofdgebouw bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten zijn toegestaan die zonder omgevingsvergunning kunnen worden verricht. Eiser voert aan dat deze bepaling vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken niet uitsluit, waardoor de fietsenoverkapping voldoet aan de specifieke regels. De rechtbank volgt eiser hierin niet, omdat met deze planregel kennelijk is beoogd om alle andere bijbehorende bouwwerken dan vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken niet toe te staan. Aanknopingspunten voor die conclusie vindt de rechtbank in de plantoelichting, waarin staat dat is besloten om in het bestemmingsplan geen aparte regels meer op te nemen voor bijbehorende bouwwerken, maar om te verwijzen naar de vergunningvrije bijbehorende bouwwerkenregeling in het Besluit omgevingsrecht. Het bouwplan voldoet dus niet aan de locatie specifieke regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dat betekent concreet dat de aanvraag in strijd is met de regels van het omgevingsplan en dat het college heeft moeten beoordelen of het de omgevingsvergunning desalniettemin kon verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beroepsgrond van eiser dat zijn bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan slaagt niet.
Is de aanvraag in strijd met de welstandeisen?
12. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het welstandsadvies ondeugdelijk is, omdat de fietsenoverkapping niet in strijd is met de welstandseisen, slaagt deze beroepsgrond niet. Dat legt de rechtbank hierna uit.
13. Een nieuwe activiteit bouwen moet voldoen aan algemene en andere beoordelingsregels die van toepassing zijn op de aanvraag. Zo verleent het college de omgevingsvergunning alleen als het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Als dat nodig is, vraagt het college advies aan de Commissie Omgevingskwaliteit. De Commissie Omgevingskwaliteit Utrecht heeft negatief geadviseerd over het bouwplan. Dat advies luidt als volgt: ‘De aanvraag voldoet niet aan de welstandscriteria. Het bouwwerk in de voortuin is niet passend in het straatbeeld van het pand. Het betreft hier een pand met een authentieke architectuur in een rij met buurpanden die een monumentstatus hebben. De voortuinen zijn van belang in het karakteristieke beeld van de straat. De overkapping voor het stallen van fietsen is te beeldbepalend en verstoort onwenselijk de doorzichten en het ruimtelijk beeld van de voortuinen en de beleving van het monumentale karakter van de straat.’
14. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag het college een welstandsadvies overnemen, nadat het college is nagegaan of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat deze onder oud recht ontwikkelde rechtspraak mutatus mutandus ook van toepassing blijft onder de Omgevingswet, omdat in dit geval de beoordelingsregel over het uiterlijk van bouwwerken (redelijke eisen van welstand) in het omgevingsplan ongewijzigd is gebleven.
15. De rechtbank is van oordeel dat het college het welstandsadvies heeft kunnen overnemen, omdat eiser geen advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd en ook geen concrete aanknopingspunten heeft geboden voor twijfel aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid en conclusie van het welstandsadvies. Eiser heeft in zijn beroepsgrond vermeld dat de fietsenoverkapping niet in strijd is met de welstandeisen, maar heeft niet beargumenteerd waarom dat volgens hem, gelet op de welstandscriteria uit de welstandsnota, zo is. Omdat eiser niets inhoudelijks tegenover het welstandsadvies heeft gesteld, behoefde het overnemen van het welstandsadvies door het college geen nadere toelichting.
Is de aanvraag in strijd met de stedenbouwkundige eisen?
16. Het omgevingsplan bevat geen (binnenplanse) afwijkingsmogelijkheid voor vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken. Dat betekent dat het bouwplan alleen kan worden gerealiseerd met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze omgevingsvergunning kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of de weigering van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eisers of de weigering in overeenstemming is met het recht.
17. Het college heeft aan de weigering een stedenbouwkundig advies ten grondslag gelegd. Dat advies luidt: ‘De overkapping is direct aan de straat gebouwd, in het voorerfgebied van de woning. Het realiseren van bijbehorende bouwwerken in het voorerfgebied is vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst, het doet namelijk afbreuk aan het stedenbouwkundige beeld van de straat. De groene voortuinen in Oog in Al zijn een kenmerkend onderdeel van het stedenbouwkundige straatbeeld. Bijbehorende bouwwerken als overkappingen zijn daarin niet passend. Het vergunnen van een dergelijk bouwwerk schept een onwenselijk precedent voor de omgeving. Stedenbouwkundig gezien zijn er geen mogelijkheden om af te wijken van het omgevingsplan voor het bouwen een overkapping in het voorerfgebied van de woning’.
18. Eiser voert aan dat de fietsenoverkapping niet in strijd is met de stedenbouwkundige eisen. Dat de groene voortuinen een kenmerkend onderdeel zijn van het stedenbouwkundige straatbeeld volgt eiser niet. De voortuinen ter plaatse zijn namelijk aan het oog onttrokken middels groene hagen. Dat is voor de voortuin van eiser niet anders. Ook is het eiser niet duidelijk wat het college bedoelt met een groene voortuin. Dat een voortuin niet van bebouwing is voorzien, betekent op zichzelf niet dat de voortuin groen is. Met de verwijdering van de fietsenoverkapping wordt het groene karakter juist aangetast omdat in dat geval een houten bouwwerk met een groenblijvend dak wordt verwijderd en de daaronder liggende verharding overblijft. Verder voert eiser aan dat de fietsenoverkapping is ingepast in de (groene) omgeving en nagenoeg volledig schuilgaat achter een (groene) haag, zodat van het verstoren van doorzichten geen sprake kan zijn.
19. In het verweerschrift heeft het college zich op het standpunt gesteld dat hoewel het aanwezige groen in sommige gevallen het zicht op de voortuinen beperkt, de voortuinen nog steeds zichtbaar zijn. De stedenbouwkundige afdeling heeft de groene voortuinen terecht kunnen zien als het kenmerkende straatbeeld ter plaatse. Met ‘groene voortuinen’ wordt bedoeld dat de voortuinen vrij zijn van bebouwing en niet dat er beplanting aanwezig moet zijn. Binnen dat straatbeeld past de fietsenoverkapping niet. Het verwijderen van de fietsenoverkapping waardoor verharding overblijft, zorgt voor het herstel van de groene voortuin en daarmee het straatbeeld.
20. De rechtbank toetst het stedenbouwkundig advies terughoudend, omdat het college beleidsruimte toekomt. De rechtbank is van oordeel dat de afdeling stedenbouw deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de fietsenoverkapping afbreuk doet aan het straatbeeld ter plaatse. De rechtbank kan de afdeling stedenbouw volgen dat een fietsenoverkapping in de voortuin van 2,12 meter hoog het straatbeeld wijzigt en daarom vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst is, mede gelet op het risico van precedentwerking. Dat eiser de fietsenoverkapping heeft ingepast in de groene omgeving leidt niet tot een ander oordeel. Een toekomstige bewoner kan de groene haag, waar de fietsenoverkapping achter schuilgaat, immers weer verwijderen met als gevolg dat de fietsenoverkapping vanaf de straat zichtbaar is en daarmee het straatbeeld aantast. De beroepsgrond van eiser dat de fietsenoverkapping niet in strijd is met de stedenbouwkundige eisen slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de weigering van het college om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de fietsenoverkapping te verlenen in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikelen 4.3 en 4.5 van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Onder het ‘nieuwe deel’ van het omgevingsplan wordt verstaan het deel van het omgevingsplan waarin na de inwerkingtreding van de Omgevingswet nieuwe regels zijn vastgesteld. Het andere deel van het omgevingsplan wordt aangeduid met het ‘tijdelijke deel’. Zie hiervoor artikel 22.1 van de Omgevingswet. Het tijdelijk deel is overgangsrechtelijk van aard en bestaat onder meer uit bestemmingsplannen en andere ruimtelijke regelingen zoals deze voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht waren. Deze regelingen zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht gebleven als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en blijven van kracht tot deze bij een besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn komen te vervallen.
Artikel 4.27, eerste lid en onder c, van het omgevingsplan.
Artikel 1.1 van het omgevingsplan.
Artikel 4.29 van het omgevingsplan.
Artikel 27.2.2, onder a, van het bestemmingsplan.
Artikel 8.0a., tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 1.39 van het bestemmingsplan.
Artikel 1.45 van het bestemmingsplan.
Artikel 1.25 van het bestemmingsplan.
Artikel 27.2.3, onder a, van het bestemmingsplan.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1897, r.o. 4.1.
Artikel 1.25 van het bestemmingsplan.
Artikel 1.39 van het bestemmingsplan.
Artikel 4.6 van het omgevingsplan.
Artikel 4.11, eerste lid, van het omgevingsplan.
Artikel 4.11, vijfde lid, van het omgevingsplan.
Uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1796, r.o. 9.1.
Artikel 8.0a., tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.