Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5469

2026-07-15 Civiel recht; Personen- en familierecht C/16/606665 / JE RK 26-181
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/16/606665 / JE RK 26-181
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Meervoudige kamer over verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en perspectiefbesluit.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.166 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Utrecht



Zaaknummer: C/16/606665 / JE RK 26-181
Datum uitspraak: 15 juli 2026




Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van



de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. I.P. Rietveld,





[vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. Cortet.





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 april 2026 al eerder beslissingen genomen in deze zaak. Voor het eerdere procesverloop verwijst de rechtbank naar de beschikking van die datum.



1.2.
Vervolgens heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
- het bericht van de GI met bijlagen van 15 april 2026;


de e-mailberichten van de moeder van 6 juli 2026, 7 juli 2026 en 10 juli 2026;


de brief van de GI met bijlagen van 7 juli 2026.





1.3.
De advocaat van de vader heeft aan de GI aangegeven af te zien van het ontvangen van de stukken bij het bericht van 15 april 2026. De GI heeft de bijlagen niet gedeeld met de advocaat van de vader.



1.4.
Op 14 juli 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:


de moeder via een videobelverbinding;


de advocaat van de moeder;


de advocaat van de vader;


- [A] en [B] , namens de GI.
De vader is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.



1.5.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd en vervolgens een gesprek gevoerd met de oudste rechter. Tijdens de zitting heeft de oudste rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.



1.6.
De rechtbank heeft niet direct na de mondelinge behandeling uitspraak gedaan. De ouders en de GI hebben op 15 juli 2026 een bericht ontvangen met de uitspraak. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] verblijft sinds 17 april 2025 in een gezinshuis.



2.3.

Bij beschikking van 16 april 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 16
april 2026. Bij beschikking van 14 april 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 16 juli 2026.




2.4.
Bij beschikking van 16 april 2025 is daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) tot 16 januari 2026 verleend. De machtiging uithuisplaatsing is daarna verlengd, voor het laatst tot 16 juli 2026.





3De verzoeken


3.1.
De rechtbank moet nog een beslissing nemen op het aangehouden verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 16 april 2027. Daarnaast verzoekt de GI om het door de GI genomen besluit over het opgroeiperspectief van [minderjarige] , te onderschrijven.



3.2.
Verder dient de rechtbank nog een beslissing te nemen op de aangehouden verzoeken van de moeder om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen, te bepalen dat het perspectief van [minderjarige] bij de moeder is en te bepalen dat de moeder en [minderjarige] fysiek contact hebben zonder aanwezigheid van begeleiders. De moeder heeft haar verzoek om een andere GI te benoemen ter zitting ingetrokken.





4Het standpunt van de vader


4.1.
De vader is het eens met de verzoeken van de GI. Hij vindt het belangrijk dat [minderjarige] op een neutrale plek verblijft, zodat zij vanuit daar aan de therapie kan werken.





5De beoordeling



Verlenging ondertoezichtstelling



5.1.
De rechtbank zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van negen maanden. Dat is tot 16 april 2027. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om de ondertoezichtstelling te beëindigen afwijzen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er zijn aanhoudende zorgen over [minderjarige] , omdat zij een lange voorgeschiedenis kent van stress, trauma en onveiligheid. In de thuissituatie bij de moeder is [minderjarige] getraumatiseerd geraakt, omdat zij langdurig werd blootgesteld aan geweld en spanningen tussen de moeder, de stiefvader en de vader. Naar aanleiding van het heftige geweldsincident van 1 januari 2025 zijn de zorgen over [minderjarige] alleen maar toegenomen. Uit het NIFP-onderzoek blijkt dat [minderjarige] een zeer kwetsbaar meisje is dat een scherp afgesteld stress-systeem heeft, waardoor zij constant een gevoel van gevaar en alertheid ervaart. Dit hangt samen met een complexe posttraumatische stressstoornis met dissociatieve symptomen. Vanwege deze complexe problematiek is specialistische hulp nodig die is gericht op de problemen met gedrag, trauma en gehechtheid. Verder blijkt uit het NIFP-rapport dat bij de moeder sprake is van pedagogische onmacht, mede veroorzaakt door de chronische stress en angst waarin zij de afgelopen jaren heeft geleefd. Hierdoor zijn haar draagkracht en weerbaarheid beperkt en kan zij onvoldoende emotioneel beschikbaar zijn en aansluiten bij de behoeftes van [minderjarige] .



5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Ondanks het advies vanuit de GI, heeft de moeder de afgelopen anderhalf jaar geen hulp gezocht om haar trauma’s te verwerken en de zorgen over haar draagkracht en opvoedsituatie weg te nemen. Daarnaast is de intensieve traumabehandeling voor [minderjarige] nog niet goed van de grond gekomen en heeft er nog geen begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] plaatsgevonden. De regie vanuit de GI blijft daarom noodzakelijk om de hulpverlening en de begeleide omgang te monitoren en af te stemmen.



5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van negen maanden.



5.5.
Tijdens de ondertoezichtstelling zal onder meer aan de volgende doelen worden gewerkt:



[minderjarige] ervaart duidelijkheid over haar opgroeiperspectief.



[minderjarige] komt toe aan haar eigen ontwikkeling (zoals eigen identiteit, zelfbeeld, zelfvertrouwen, eigen keuzes maken) en krijgt hulp voor het verwerken van gebeurtenissen uit het verleden.



[minderjarige] heeft een prettige én veilige omgang met de andere gezinsleden, voor zover dit binnen haar mogelijkheden kan/hier ruimte voor is. Het moet hierbij ook duidelijk worden of en zo ja hoe de rol van vader in haar leven kan worden ingevuld en wat de (on)mogelijkheden zijn voor contact.





Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




5.6.
De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ook verlengen tot 16 april 2027. Daarnaast zal de rechtbank het besluit van de GI dat [minderjarige] in het gezinshuis zal opgroeien, onderschrijven en de verzoeken van de moeder afwijzen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.



5.7.
De rechtbank stelt voorop dat de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling tot de bevoegdheid van de GI behoort. Gedurende de uithuisplaatsing kan de GI tot het standpunt komen dat terugplaatsing bij de ouder(s) niet meer aan de orde is en dat het opgroeiperspectief van het kind ergens anders ligt. Dit standpunt van de GI wordt in de praktijk aangeduid als ‘perspectiefbesluit’. De bedoeling van de wetgever is dat de GI in dat geval overweegt om de rechter te verzoeken over te gaan tot beëindiging van het gezag. In de praktijk komt het echter voor dat niet (meteen) om beëindiging van het gezag wordt verzocht, maar dat het perspectiefbesluit wel doorwerkt in de uithuisplaatsing. De hulpverlening is dan bijvoorbeeld niet meer gericht op een terugkeer van het kind naar de ouder(s).



5.8.
De ouders, het kind en de gezinshuisouder(s) hebben belang bij inzicht in en duidelijkheid over het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van het kind. In dat opzicht vervult het perspectiefbesluit een belangrijke functie. Hoewel het perspectiefbesluit dus duidelijkheid kan bieden, heeft het als zodanig geen wettelijke grondslag. De wet verbindt aan zo’n besluit geen rechtsgevolgen en voorziet niet in een specifieke rechtsgang om het ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Wel zijn er verschillende procedures waarin het opgroeiperspectief van de minderjarige een rol speelt. Een verschil van mening tussen de ouder(s) en de GI over het opgroeiperspectief van het kind zal bijvoorbeeld aan de orde kunnen komen in het kader van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat een perspectiefbesluit in een rechterlijk oordeel kan worden betrokken voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. De beslissing op het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] is een maatregel die (mede) samenhangt met het perspectiefbesluit, en daarom zal de rechtbank zich hierover uitlaten.



5.9.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [minderjarige] kan niet bij één van de ouders wonen. De vader is al jarenlang niet meer actief betrokken bij de opvoeding van [minderjarige] en [minderjarige] staat ook niet open voor contact met de vader. De rechtbank ziet ook geen mogelijkheden voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder kan [minderjarige] namelijk niet de veilige opvoedomgeving bieden die zij nodig heeft, omdat de moeder eerst aan haar eigen trauma’s moet werken. Zowel de Raad als het NIFP stellen dat de moeder getraumatiseerd is en overbelast is geraakt vanwege chronische stress en angst. In het Raadsrapport van 28 februari 2025 komt naar voren dat er onder meer zorgen zijn over de basale verzorging, de emotionele belasting en beschikbaarheid en de belaste voorgeschiedenis van de moeder. De moeder heeft de afgelopen anderhalf jaar geen enkele stap gezet om de benodigde hulpverlening op te starten en inzicht te geven in haar opvoedvaardigheden. De GI heeft vanaf de start van de uithuisplaatsing geprobeerd om een perspectiefonderzoek te laten plaatsvinden, om te onderzoeken of [minderjarige] naar huis zou kunnen en welke hulpverlening daarvoor nodig is. De moeder weigert om hier aan mee te werken, omdat voor haar duidelijk is dat het perspectief van [minderjarige] bij haar ligt. Ook nadat de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing, die gericht is op het meewerken aan het perspectiefonderzoek, heeft bekrachtigd, is hier geen verandering in gekomen. Inmiddels is [minderjarige] van de wachtlijst afgehaald en zal er niet op korte termijn een perspectiefonderzoek kunnen worden gestart. De zorgen over de verminderde draagkracht en emotionele beschikbaarheid van de moeder zijn daarom onverminderd aanwezig. Anders dan de moeder stelt, acht de rechtbank de moeder daarom niet in staat om de zorg voor [minderjarige] te dragen en aan sluiten bij haar opvoedbehoeften.



5.10.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat uit het NIFP-onderzoek volgt dat [minderjarige] langdurig in een neutrale omgeving behandeld moet worden voor haar trauma’s. [minderjarige] kan alleen verwerken wat zij heeft meegemaakt en toe komen aan haar ontwikkeling, als zij buiten het spanningsveld van het gezin verblijft. Dit betekent dat [minderjarige] voorlopig niet bij één van de ouders kan wonen. De traumabehandeling zal naar verwachting langer dan een jaar in beslag nemen. Bovendien komt de traumabehandeling van [minderjarige] op dit moment nog niet goed van de grond, omdat de moeder blijft benadrukken dat [minderjarige] naar huis zal komen. [minderjarige] geeft zelf aan dat zij geen motivatie meer heeft voor school en therapie, omdat zij zit te wachten tot ze weer naar huis kan. Zij heeft behoefte aan duidelijkheid over of zij weer terug kan gaan naar de moeder of niet.



5.11.
Gelet op het voorgaande onderschrijft de rechtbank het besluit van de GI dat [minderjarige] verder zal opgroeien in het gezinshuis. De rechtbank vindt het evenals de GI in het belang van [minderjarige] dat zij nu duidelijkheid krijgt over de plek waar zij verder zal opgroeien. Er is al langere tijd sprake van een machtiging tot uithuisplaatsing, waarbij niet wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. Het gezinshuis waar [minderjarige] verblijft is een neutrale plek, die haar naar verwachting de rust en ondersteuning kan bieden om haar behandeling aan te gaan. Het is spijtig dat het gezinshuis op dit moment nog niet volledig kan bieden wat [minderjarige] nodig heeft. Er zijn geen vaste gezinshuisouders die elke dag aanwezig zijn en de afgelopen periode zijn er veel wisselingen geweest in de behandelaren, waardoor [minderjarige] nog geen vertrouwensband heeft kunnen opbouwen met de begeleiding. De GI heeft aangegeven dat zij de situatie hebben besproken met het gezinshuis en dat de verwachting is dat het de komende tijd rustiger wordt. De gezinshuismoeder blijft de komende jaren nog betrokken bij het gezinshuis en de huidige begeleiders zullen ook langer bij het gezinshuis blijven werken. Verder zal de GI het verblijf van [minderjarige] de komende periode beter gaan monitoren middels zes-wekelijkse gesprekken met het gezinshuis. De rechtbank vertrouwt er daarom op dat de situatie zal verbeteren, dan wel dat de GI op tijd in overleg met de traumabehandelaar zal kijken of wellicht een ander gezinshuis passender is voor [minderjarige] .



5.12.
De rechtbank hoopt dat [minderjarige] zich door een beslissing over haar perspectief kan overgeven aan feit dat zij bij het gezinshuis blijft wonen en dat zij zich hierdoor kan openstellen voor de traumabehandeling. Het is belangrijk dat zij passende hulp krijgt om de ernstige gebeurtenissen uit haar jeugd te verwerken. Daarnaast hoopt de rechtbank dat het hierdoor ook voor de moeder makkelijker wordt om emotionele toestemming te geven aan [minderjarige] voor het verblijf in het gezinshuis. In het NIFP-rapport wordt de emotionele toestemming van de (stief)ouders namelijk als één van de voorwaarden genoemd om de behandeling van [minderjarige] te kunnen laten slagen. Hierin ligt dus een belangrijke rol voor de moeder.



5.13.
Tot slot wil de rechtbank benadrukken dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij een goede band behoudt met de moeder. Dat betekent dat het ook belangrijk is dat [minderjarige] en de moeder op termijn weer fysieke omgang hebben. De rechtbank is het met de GI eens dat bij het opstarten van fysiek contact eerst begeleiding nodig is. [minderjarige] en de moeder hebben namelijk al anderhalf jaar geen fysiek contact meer gehad. Verder is er tot op heden geen zicht op de interactie tussen de moeder en [minderjarige] , omdat zij onbegeleid telefonisch contact met elkaar hebben. Op dit moment lijkt dit contact tussen [minderjarige] en de moeder niet helpend voor [minderjarige] . Zij haalt hier weliswaar troost en steun uit, maar het motiveert haar niet om zich neer te leggen bij haar verblijf in het gezinshuis, de therapie aan te gaan en een band op te bouwen met de begeleiders van het gezinshuis. Daarnaast bestaat het vermoeden dat de moeder [minderjarige] nog te veel belast met volwassenzaken en haar niet voldoende begrenst. De rechtbank vindt het daarom belangrijk dat de omgang in het begin wordt begeleid, zodat de begeleiding de moeder kan coachen om [minderjarige] op de juiste manier te benaderen. De rechtbank zal daarom niet bepalen dat de moeder en [minderjarige] fysiek contact hebben zonder aanwezigheid van begeleiders, zoals de moeder heeft verzocht.



Brief aan [minderjarige]




5.14.
Tegelijk met deze beschikking stuurt de oudste rechter een brief aan [minderjarige] waarin wordt uitgelegd waarom de rechtbank deze beslissing heeft genomen. In deze brief staat:


“Beste [minderjarige] ,




Op 8 juli 2026 heb ik een brief van je ontvangen en op 13 juli 2026 hebben wij elkaar in een videogesprek gesproken. Je vertelde in je brief en in het gesprek dat je nog steeds graag bij je moeder wilt wonen en dat je je motivatie van andere dingen verliest, omdat je blijft wachten tot je weer terug kan naar huis. Verder vertelde je dat je het vervelend vindt dat er in het gezinshuis steeds verschillende begeleiders zijn, omdat je dan geen vertrouwensband kan opbouwen. Daarom bel je veel met je moeder als je iets dwars zit.





Inmiddels heb je waarschijnlijk al gehoord over de zitting en de beslissing. Ik heb samen met twee andere rechters besloten om de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te verlengen tot april. Wij vinden het namelijk niet verstandig als je weer bij je moeder gaat wonen. Je hebt op jonge leeftijd al veel meegemaakt en daarom is het belangrijk dat jij in het gezinshuis de ruimte krijgt om jouw trauma’s te verwerken. Wij denken dat jouw moeder jou daar niet genoeg bij kan steunen, omdat zij zelf ook trauma’s heeft waar zij nog aan moet werken. Wij zijn het daarom ook met SAVE eens dat je verder zal opgroeien in het gezinshuis en in de toekomst niet meer bij je moeder zal wonen. Ik begrijp dat dit niet is wat jij wil, maar wij denken wel dat dit het beste is voor jou. Tijdens de zitting hebben we met de gezinsvoogd gesproken over de wisselende begeleiders in het gezinshuis. Zij heeft verteld dat ze in gesprek is met het gezinshuis over verbetering van de situatie. De verwachting is dat het de komende tijd rustiger wordt en dat de begeleiders veel langer bij het gezinshuis blijven werken, zodat je met hen een fijne band kan opbouwen.





Verder hebben we besproken dat het natuurlijk belangrijk is dat je contact hebt met je moeder. In het begin is het nodig dat er begeleiding aanwezig is bij het opbouwen van het fysieke contact met je moeder. De begeleider kan dan je moeder helpen om jou op een zo goed mogelijke manier te steunen.





Tijdens de zitting hebben we het ook nog gehad over het gezag van je vader. Dat is niet iets waar wij nu over kunnen beslissen. De advocaat van je moeder heeft verteld dat zij hierover in gesprek is met je moeder. Verder heeft de advocaat van je vader verteld dat zolang je geen contact wilt, hij dat jammer vindt, maar dat hij het begrijpt en daar niet op zal aandringen.





Ik hoop dat zo duidelijk is wat we hebben beslist en waarom. Ik vind het naar dat je hierover verdrietig zult zijn. Ik hoop dat je met hulp van de begeleiders in het gezinshuis en je therapeut toch weer plezier kunt krijgen in de dingen die je doet. Voor nu wens ik jou al het goede en ik hoop dat je komende zomer weer plezier vindt in het tekenen. ”




Uitvoerbaar bij voorraad




5.15.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 16 april 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 16 april 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.4.
wijst de verzoeken van de moeder voor het overige af.










Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, mr. G.L.M. Urbanus en mr. A.G. Bakker, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. P.S. Bamberg als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026.




!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!







Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).


Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148.


Zie in dat kader ook bijvoorbeeld Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 12 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2882 en Gerechtshof Den Haag, 28 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1583.


Artikel 1:265c, tweede lid, BW.