Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5461
Inhoudsindicatie
Beslissing op vordering tenuitvoerlegging; bevoegdheid van de strafrechter tot het afgeven van een zorgmachtiging na expireren van bijzondere voorwaarden. Geweldsincidenten door ernstige ketamineverslaving. De politierechter wil niet het risico nemen dat het helemaal mis gaat en dat er mensen zwaargewond raken of overlijden, terwijl er in deze procedure nog een mogelijkheid is om dat ten minste nog voor enkele weken te voorkomen. Daarom wordt de volledige tenuitvoerlegging gelast. Omdat de voorwaarden over forensische verslavingszorg daarmee zijn uitgewerkt, verzoekt de politierechter de officier van justitie een zorgmachtiging voor te bereiden. Gelet op het gat dat kan ontstaan na de tenuitvoerlegging, geeft de politierechter de officier van justitie in overweging om afstemming te zoeken met de burgemeester over een eventuele crisismaatregel.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:1275 Rechtbank Midden-Nederland 12-03-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1384 Hoge Raad 26-09-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.775 tekens)
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.271170.24 (TUL BIJZ)
Beslissing van de politierechter van 12 augustus 2026
over de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonend aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
hierna: de veroordeelde.
1Vordering en zitting
De officier van justitie heeft gevorderd dat een aan de veroordeelde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd.
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 5 augustus 2026. Op de zitting waren aanwezig:
- de officier van justitie, mr. C.T. St Rose,
- de veroordeelde,
- de advocaat van de veroordeelde, mr. C.C.J. Diderich,
- de reclasseringswerker, [A] .
2Het vonnis in de strafzaak
Met het vonnis van deze rechtbank van 12 maart 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:1275) is de veroordeelde onder meer veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling van zijn vader in augustus 2024. De veroordeelde heeft een ernstige ketamineverslaving. Toen zijn vader een zakje ketamine van hem afpakte, heeft hij hem onder invloed van ketamine driemaal in zijn buik gestoken.
De rechtbank heeft de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd. Daarbij is bepaald dat 53 dagen daarvan niet ten uitvoer worden gelegd, als hij zich aan de daarbij bepaalde voorwaarden houdt. Deze voorwaarden hielden onder meer in dat de veroordeelde zich voor maximaal een jaar laat opnemen in een zorginstelling en in een overbruggingsplek zo lang plaatsing nog niet mogelijk is. Verder moet de veroordeelde zich ambulant laten behandelen zo lang de reclassering dat nodig vindt en moet hij meewerken reclasseringstoezicht en aan controle op het gebruik van middelen.
3Het verloop na de gevangenisstraf
De veroordeelde is na het uitzitten van zijn straf enige tijd thuis geweest in afwachting van een overbruggingsplek. Hij is van april tot september 2025 opgenomen geweest in een forensische kliniek die is gericht op behandeling van verslavingsproblematiek. Deze opname is succesvol beëindigd. Na de klinische behandeling volgde een ambulante nazorgbehandeling.
Zo’n drie maanden na de opname beëindigde de partner van de veroordeelde hun relatie. Hij is vervolgens snel teruggevallen in het gebruik van ketamine en kwam zijn behandelafspraken niet meer na. Ook zijn afspraken in het kader van de meldplicht bij de reclassering kwam hij niet meer na. In februari/maart 2026 is de veroordeelde in het kader van een ‘detox’ opnieuw twee weken in een kliniek opgenomen. Daarna is hij direct weer gestart met het gebruiken van ketamine.
Vanaf mei 2026 zijn de zorgen over de veroordeelde toegenomen. Buurtbewoners hebben meerdere keren de politie gebeld omdat de veroordeelde buiten verward en schreeuwend rondliep of zelfs kroop. Zij durven hun kinderen niet buiten te laten spelen als de veroordeelde in de buurt is, omdat ze bang zijn dat de situatie escaleert. De veroordeelde heeft toen besloten om een tijdje bij zijn ouders te gaan verblijven, waarmee het acute gevaar volgens de reclassering was geweken.
In juli 2026 was de veroordeelde terug in zijn eigen huis. Tijdens een videoafspraak met de reclassering was hij zwaar onder invloed en niet in staat om te praten. Een nieuwe afspraak kon niet doorgaan, omdat hij opnieuw zwaar onder invloed was.
Op 22 juli 2026 heeft de veroordeelde een zelfmoordpoging gedaan door in zijn polsen te snijden. Hij werd door de politie met een mes in zijn hand aangetroffen en er lag veel bloed op de grond.
De officier van justitie heeft een bevel gegeven om de veroordeelde aan te houden, vanwege het overtreden van de bijzondere voorwaarden en het veiligheidsrisico dat daarmee inmiddels samenhangt. Op 24 juli 2026 werd de veroordeelde in zijn woning aangehouden. De politie trof hem toen opnieuw aan met een bloedende snijwond in zijn pols, bij een grote plas bloed op de grond.
De rechter-commissaris heeft op 27 juli 2026 als spoedeisende, tijdelijke beslissing bepaald dat de voorwaardelijke gevangenisstraf voorlopig ten uitvoer wordt gelegd.
4Het advies van de reclassering
De reclassering heeft grote zorgen. De veroordeelde is de laatste tijd voortdurend onder invloed, is niet in de realiteit en is vaak verward, angstig en wanhopig. De vrees is dat hij opnieuw geweld pleegt tegen anderen of tegen zichzelf, of dat hij slachtoffers maakt als hij in de auto stapt. De reclassering ziet een risico op overlijden vanwege een nieuwe zelfmoordpoging of een overdosis. De veroordeelde wordt sinds de zelfmoordpoging op 22 juli besproken in de ‘persoonsgebonden aanpak’ van zijn gemeente en er is sprake van ‘veelvuldig overleg met alle betrokken ketenpartners’. Er is een aanvraag gedaan voor ‘bemoeizorg’ van een ggz-instelling.
Op de zitting heeft de reclasseringswerker toegelicht dat de succesvol verlopen opname in 2025 gericht was op het afkicken van ketamine en niet op verdere behandeling. Inmiddels is een indicatie met een hoger beveiligingsniveau gevraagd voor een plek in een behandelkliniek, waarbij de behandeling van de veroordeelde deze keer verder moet gaan dan alleen het afkicken en er ook klinisch gewerkt moet worden aan nazorg en aan de onderliggende problematiek. Het is niet bekend wanneer deze indicatie wordt afgegeven. Er zijn wachtlijsten voor deze vorm van klinische behandeling. Het is niet bekend wanneer er een plek beschikbaar is. Er zijn ook wachtlijsten voor overbruggingsplekken. Het is niet bekend wanneer er daar een plek beschikbaar is.
5De standpunten
De officier van justitie vindt het belangrijk dat de veroordeelde opnieuw behandeld wordt op basis van het plan dat de reclassering daar nu voor heeft. Dat moet binnen het kader van het strafrecht gebeuren, waarvoor het nodig is dat er een voorwaardelijk strafdeel over blijft als stok achter de deur. Met het oog daarop heeft de officier van justitie de vordering op de zitting gewijzigd in die zin, dat zij de politierechter vraagt om de voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer te leggen voor 14 dagen. Dat is ongeveer gelijk aan de periode die al voorlopig ten uitvoer is gelegd. Er blijft dan ruim een maand aan voorwaardelijke gevangenisstraf over. De officier van justitie vordert de proeftijd te verlengen met een jaar en om als bijzondere voorwaarde opnieuw te bepalen dat de veroordeelde meewerkt aan een klinische opname, inclusief overbruggingsplek. Hij zal dan thuis moeten wachten tot er plaats is.
De veroordeelde wil zijn leven weer oppakken en is ervan overtuigd dat hij in staat is om zonder klinische behandeling van de ketamine af te blijven. Dat het nu weer mis ging, kwam omdat zijn relatie plotseling over was. Hij heeft zijn leven nu op orde en wil een laatste kans krijgen. Hij denkt dat het hem gaat lukken met de hulp van zijn huisarts en een verwijzing naar een psycholoog. Hij vindt dat er los van zijn verslaving geen andere psychische problemen zijn. De advocaat heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf toe te wijzen voor de duur van de periode van de voorlopige tenuitvoerlegging en om als aanvullende voorwaarde te bepalen dat hij zich meldt bij zijn huisarts en bij een psycholoog, onder begeleiding van de reclassering. Subsidiair verzoekt de advocaat om als voorwaarde te bepalen dat een klinische opname kan volgen als de begeleiding door huisarts en psycholoog niet succesvol is. Voor het geval dat de politierechter een klinische opname niet aangewezen vindt, verzoekt de advocaat meer subsidiair om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te beperken tot 30 dagen.
6Het oordeel van de politierechter
6.1
Grote angst voor ernstige incidenten
De politierechter maakt zich grote zorgen over de veiligheid van de veroordeelde zelf en van zijn omgeving. De ketamineverslaving van de veroordeelde blijkt zo hardnekkig te zijn, dat hij steeds opnieuw terugvalt. De veroordeelde is goed in staat om af te kicken in een kliniek of in de gevangenis, maar het lukt hem niet om dat vast te houden. Het risico op nieuwe gewelddadige incidenten is daarvan afhankelijk, zoals de deskundigen in de strafzaak hebben vastgesteld.
De veroordeelde wil het zelf doen en denkt dat hem dat deze keer wel gaat lukken. Maar daarmee houdt hij zichzelf voor de gek. Er zal altijd een moment komen waarop er onverwacht een tegenvaller is en de enige reactie die de veroordeelde dan heeft, is direct weer veel en vaak ketamine gebruiken. De afgelopen jaren laten daarin een voortdurend patroon zien: de overtuiging dat hij van de ketamine af kan blijven, had hij vorig jaar bij de behandeling van de strafzaak ook.
Als de veroordeelde ketamine gebruikt, gaat het heel snel de verkeerde kant op en wordt hij een gevaar voor zichzelf en voor anderen. De veroordeelde heeft zijn vader met een mes gestoken en heeft nu twee maal zichzelf gesneden, waarbij sprake was van veel bloed. De politierechter is bang dat een nieuwe terugval in ketaminegebruik ertoe zal leiden dat er snel nieuwe geweldsincidenten zullen gebeuren, waarbij de veroordeelde, zijn familie, buren of anderen zwaargewond kunnen raken of zelfs kunnen overlijden.
6.2
Behandeling is geen optie via het strafrecht
De mogelijkheden die de politierechter in deze procedure heeft, zijn echter beperkt. De veroordeelde is er duidelijk over dat hij het niet ziet zitten om weer in een kliniek te worden opgenomen. De politierechter zou hem daar wel toe kunnen verplichten, maar hij schat de kans dat de veroordeelde zich daaraan houdt niet groot in. Zeker omdat de strafrechtelijke ‘stok achter de deur’ nu nog maar een ruime maand gevangenis is. Daar komt bij dat het maar de vraag is wanneer er een behandelplek beschikbaar is en dat er zelfs geen duidelijkheid is over een overbruggingsplek. De officier van justitie vraagt om de veroordeelde nu naar huis te laten gaan, waarna hij zich moet melden als er een plek in een kliniek beschikbaar komt. Dat vindt de politierechter een té groot risico, gelet op wat er recent is gebeurd. De verslavingsdrang van de veroordeelde blijkt zo onvoorspelbaar te zijn, dat hij na een detox op heel korte termijn kan terugvallen. Het kan dan sneller uit de hand lopen dan dat de betrokken instanties kunnen reageren.
Kortom: een nieuwe klinische behandeling binnen de kaders van de forensische zorg is geen optie meer, gelet op het niet willen meewerken van de veroordeelde, de beperkte duur van het resterende voorwaardelijke strafdeel en de wachttijden voor een plek in een kliniek.
6.3
De veroordeelde moet de volledige straf uitzitten
Het belang om de samenleving tegen de veroordeelde te beveiligen én om de veroordeelde tegen zichzelf te beveiligen moet nu voorgaan. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van de veroordeelde om op zijn manier en in vrijheid met zijn verslavingsdrang om te gaan. De politierechter wil niet het risico nemen dat het helemaal mis gaat en dat er mensen zwaargewond raken of overlijden, terwijl er in deze procedure nog een mogelijkheid is om dat ten minste nog voor enkele weken te voorkomen. Zo lang de veroordeelde in de gevangenis zit, is de situatie immers veilig(er). Die tijd kan vervolgens gebruikt worden om voor de langere termijn iets te regelen. Het enige wat de politierechter met het oog hierop dus kan doen, is de voorwaardelijke gevangenisstraf van 53 dagen geheel ten uitvoer te leggen.
Van deze 53 dagen worden de dagen afgetrokken die al ten uitvoer zijn gelegd vanwege de voorlopige beslissing van de rechter-commissaris. Sinds de aanhouding van de veroordeelde op 24 juli 2026 zijn 19 dagen verstreken. Van de 53 dagen resteren nu dus nog 34 dagen die de veroordeelde nog moet uitzitten.
6.4
Reguliere psychiatrische zorg is niet voldoende
Het gevolg van deze beslissing is dat de veroordeelde over 34 dagen vrij komt. Er is dan in het strafrecht geen mogelijkheid meer om, binnen de kaders van forensische zorg, de veroordeelde te helpen en te behandelen en om de samenleving te beveiligen. De mogelijkheden van forensische zorg komen dan pas weer in beeld als de veroordeelde verdacht zou worden van een nieuw strafbaar feit.
De reguliere psychiatrische zorg lijkt op dit moment ook weinig te kunnen bieden. Uit het rapport van de reclassering blijkt dat de crisisdienst is benaderd na de zelfmoordpoging op 22 juli, maar dat die toen aangaf inmiddels niets meer te kunnen betekenen. Na het incident op de dag van de aanhouding op 24 juli heeft de politie de veroordeelde naar het ziekenhuis gebracht om zijn pols te laten hechten, waarna hij is beoordeeld door de afdeling psychiatrie van het ziekenhuis. Aan de politie is daarover teruggekoppeld dat er vanuit psychiatrisch oogpunt toen geen noodzaak tot opname was, dat er geen indicatie was dat hij daadwerkelijk dood wil, dat hij hulp moet krijgen voor zijn verslaving en dat men de huisarts in kennis zal stellen. Dit illustreert dat er binnen de reguliere zorg niet snel iets gebeurt als ernstige verslavingsproblematiek leidt tot een snelle opvolging van evident gevaarlijke situaties.
6.5
Zorgmachtiging voorbereiden
De zachtere interventies van de persoonsgebonden aanpak van de gemeente, de beoogde ‘bemoeizorg’ of de betrokkenheid van de huisarts geven ook niet de geruststelling dat het gevaar daarmee geweken zal zijn. De politierechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het met de veroordeelde eerst (opnieuw) helemaal mis moet gaan voordat het mogelijk is een veilige situatie te creëren, met forensische zorg of spoedeisende crisiszorg.
Deze zorgelijke situatie maakt dat de politierechter gaat kijken naar een laatste instrument dat hij heeft nu de zaak nog onder de strafrechter is: de mogelijkheid om de veroordeelde met een zorgmachtiging tot verdere behandeling te verplichten. De politierechter overweegt om zelf, ambtshalve, toepassing te geven aan zijn bevoegdheid tot het afgeven van een zorgmachtiging.
Deze bevoegdheid heeft de politierechter vanwege de hiervoor genoemde beslissing tot tenuitvoerlegging. Met de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijke straf vervallen immers de bijzondere voorwaarden uit het vonnis van 12 maart 2025. In dat geval heeft de strafrechter de bevoegdheid om een zorgmachtiging af te geven (als is voldaan aan de criteria daarvoor). Deze bevoegdheid volgt uit artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onderdeel 12, van de Wet forensische zorg, voor gevallen waarin sprake is van het ‘expireren van voorwaarden in de zin van artikel 6:3:14 van het Wetboek van Strafvordering’. Dat is in dit geval aan de orde: op grond van het eerste lid, aanhef, onder a, onderdeel 4 van die bepaling kan het daarbij namelijk gaan om de voorwaarden die zijn gesteld bij een veroordeling waarin de rechter heeft bepaald dat de straf niet zal worden tenuitvoergelegd.
Of een zorgmachtiging in dit geval ook echt moet worden afgegeven, kan nog niet worden gezegd. De politierechter stelt voorop dat een drugsverslaving op zichzelf niet voldoende is om iemand door middel van een zorgmachtiging tot zorg te dwingen. Daarvoor moet sprake zijn van een psychische stoornis die zo erg is, dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat het gevaar dat iemand veroorzaakt niet aan diegene kan worden toegerekend. De psychische stoornis moet het gevaarlijke handelen van diegene dan ‘overwegend beheersen’. De psychische stoornis kan voortvloeien uit, of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een ander soort psychische stoornis, die los staat van de verslaving. De politierechter verwijst naar de vaste rechtspraak hierover.
Tijdens de strafzaak heeft een psycholoog bij de veroordeelde een ernstige stoornis in ketaminegebruik vastgesteld. De psycholoog heeft daarnaast geconstateerd dat de veroordeelde een onrijpe en kwetsbare persoonlijkheidsstructuur heeft, die samengaat met beperkt ontwikkelde emotieregulatie en copingvaardigheden. Hij heeft beperkt probleeminzicht en lijkt de risico’s op een terugval te onderschatten.
De politierechter overweegt dat deze bevindingen van de psycholoog aanwijzingen bevatten dat bij de veroordeelde sprake is van een psychische stoornis waarbij een zorgmachtiging kan worden afgegeven. De hiervoor beschreven ontwikkelingen wijzen bovendien op ernstig nadeel, terwijl de veroordeelde niet open staat voor vrijwillige zorg in een kliniek. De ernst van de situatie rechtvaardigt dat een psychiater verder onderzoekt hoe de psychische stoornis van de veroordeelde zich precies verhoudt tot zijn verslavingsproblematiek en of en in hoeverre sprake is van onderliggende en/of samenhangende psychische problemen.
De politierechter zal de officier van justitie verzoeken om voorbereidingen te treffen voor een zorgmachtiging, in de zin van hoofdstuk 5 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg: de politierechter verzoekt de officier van justitie om toepassing te geven aan artikel 5:19 van die wet. Op basis van de uitkomsten van de voorbereiding door de officier van justitie en van de daarbij behorende beoordeling door een psychiater zal de politierechter vervolgens beoordelen of hij daadwerkelijk een zorgmachtiging afgeeft.
6.6
Crisismaatregel als overbrugging
Het is te voorzien dat een eventuele zorgmachtiging nog niet gereed is op het moment waarop de gevangenisstraf van de veroordeelde eindigt, over 34 dagen. Op dat moment kan een gat ontstaan in de mogelijkheden om binnen deze strafrechtelijke procedure de noodzakelijke zorg en beveiliging te bieden. Deze situatie, waarin een zorgmachtiging wordt overwogen na het expireren van door de strafrechter gestelde bijzondere voorwaarden, is in zoverre anders dan de meeste andere gevallen waarin de strafrechter daartoe bevoegd is op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg. Omdat er geen lopende strafzaak is, kan geen sprake zijn van voorlopige hechtenis in afwachting van een mogelijk af te geven zorgmachtiging. Er is na deze beslissing ook geen voorwaardelijk strafdeel meer over waarvan de rechter-commissaris voorlopig de tenuitvoerlegging kan gelasten. De toepassing door de strafrechter van artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onderdeel 12, van de Wet forensische zorg is op dit onderdeel door de wetgever niet verder uitgewerkt.
Het hiervoor beschreven vermoeden van een psychische stoornis en het dreigende gevaar als de veroordeeld over 34 dagen vrij komt, kan wel rechtvaardigen dat op dat moment een crisismaatregel wordt genomen door de burgemeester van de gemeente waar de veroordeelde verblijft. Dat is in dit geval de gemeente waarin de penitentiaire inrichting ligt waar de veroordeelde tot dat moment is gedetineerd. De politierechter geeft de officier van justitie met het oog daarop nadrukkelijk in overweging om deze gemeente tijdig op de hoogte te stellen. De officier van justitie kan aan een door de gemeente in te schakelen psychiater de noodzakelijke strafvorderlijke en justitiële gegevens uit deze strafzaak te verstrekken. Met deze gegevens kan het voor een crisismaatregel vereiste onmiddellijk dreigend ernstig nadeel worden vastgesteld, in de zin van artikel 7:1, eerste lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. De officier van justitie is bevoegd om dergelijke gegevens te verstekken op grond van het vijfde lid van deze bepaling.
7. De beslissing
De politierechter:
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij het hiervoor vermelde vonnis van 12 maart 2025;
- beveelt dat de vrijheidsbeneming die de veroordeelde heeft ondergaan op basis van de hiervoor vermelde voorlopige beslissing van de rechter-commissaris van 27 juli 2026 geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.
- verzoekt de officier van justitie een zorgmachtiging voor te bereiden door toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 5:19 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.
Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, politierechter, in aanwezigheid van mr. Z. Nooijen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 augustus 2026.
De griffier is verhinderd om de beslissing te ondertekenen.
Bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1384.