Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5459
2026-06-10
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/5585
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WIA. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 maart 2021 heeft bepaald op minder dan 35%.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2024:1074 Centrale Raad van Beroep 29-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.884 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5585
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(M.E. van Mourik).
Inleiding
Eiser heeft gewerkt als [functie] voor gemiddeld 31,95 uur per week. Hij heeft zich op 7 maart 2019 ziek gemeld. Eiser heeft na afloop van de wachttijd van 104 weken bij het Uwv een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Deze aanvraag is afgewezen omdat eiser per 17 maart 2021 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Op 11 april 2021 heeft eiser zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 18 maart 2021. Het Uwv heeft de aanvraag van eiser beoordeeld. Een primaire arts heeft onderzoek verricht. Deze arts heeft beoordeeld wat de arbeidsbeperkingen van eiser zijn en heeft deze beperkingen opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige drie voorbeeldfuncties geduid die eiser, ondanks zijn beperkingen, nog zou kunnen uitoefenen. Het gaat om de functies assemblagemedewerker elektronische producten (SBC-code 267041), productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC-code 11172) en inpakker (SBC-code 111190). De arbeidsdeskundige heeft berekend wat de verdiencapaciteit is en aan de hand daarvan berekend dat eiser in een mate van 3,84% arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 31 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat eiser per 18 maart 2021 geen WIA-uitkering krijgt, omdat hij nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
3. Eiser heeft daartegen bezwaar ingediend. Naar aanleiding van het bezwaar hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuw onderzoek gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het oordeel van de primaire arts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat eiser de eerder vastgestelde functie met de SBC-code 111172 (productiemedewerker voedingsmiddelen industrie) niet kan uitoefenen. Hierop heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe functie aangeduid, namelijk SBC-code 264070 (metaalbuiger, perser, walser). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft berekend dat eiser met inbegrip van deze nieuwe voorbeeldfunctie 0% arbeidsongeschikt is.
4. Met het besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
5. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn zus [naam] , en de gemachtigde van het Uwv.
Beoordelingskader
7. Eiser heeft recht op een WIA-uitkering als hij ten minste in een mate van 35% arbeidsongeschikt is. Op grond van de zogenoemde Amber-bepaling ontstaat het recht op een WIA-uitkering ook wanneer gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na een eerdere afwijzing van een WIA-uitkering, vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35%, en voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak.
8. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
9. Van belang is verder dat het in deze zaak gaat om een beoordeling van de medische situatie van eiser op de datum dat zijn medische gezondheid verslechterde, volgens zijn melding op 18 maart 2021, en dat deze verslechtering voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak op grond waarvan de WIA-uitkering eerder is afgewezen. Nieuwe ziekten of klachten die zijn ontstaan nadat de WIA-uitkering is afgewezen, zijn niet relevant voor de vraag of eiser in aanmerking komt voor een WIA-uitkering in het kader van de Amber-beoordeling.
Beoordeling door de rechtbank
De medische beoordeling
Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Volgens eiser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende informatie ingewonnen van de behandelend sector. Ook voert eiser aan dat hij niet medisch is onderzocht.
10. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig is geweest. De primaire arts heeft eiser gezien tijdens een spreekuur. Hier is eiser psychisch onderzocht en heeft hij zijn klachten kunnen toelichten. De (verzekerings-) artsen vonden een lichamelijk onderzoek van eiser geen toegevoegde waarde hebben, gezien de voorliggende (uitgebreide) gegevens en het feit dat de datum in geding terug in de tijd ligt in 2021. Zowel de primaire arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de aanwezige stukken van de behandelaars bestudeerd. Het enkel geen nadere informatie opvragen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij andere behandelaars maakt het onderzoek nog niet zonder meer onzorgvuldig, zolang de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) voldoende onderzoek heeft verricht. In dat verband merkt de rechtbank op dat de primaire arts wel medische informatie heeft opgevraagd bij de longarts en de neuroloog. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt welke medische informatie ontbrak en bij welke behandelaars de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog meer informatie had moeten opvragen. Eiser heeft desgevraagd op de zitting toegelicht dat de beschikbare medische informatie al voldoende had moeten zijn om hem een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank begrijpt hieruit dat de aanwezige medische informatie volgens eiser niet onvoldoende is. Volgens het Uwv had de verzekeringsarts bezwaar en beroep een goed beeld van de klachten van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Onjuiste wet- en regelgeving
12. Eiser stelt dat het Uwv het onjuiste wettelijke kader heeft gebruikt. Volgens eiser kan hij aantoonbaar niet meer dan 20% van zijn maatmaninkomen verdienen. Op de zitting kon eiser deze beroepsgrond niet nader motiveren.
12. Voor zover eiser stelt dat het Uwv een onjuist wettelijk kader heeft gebruikt, merkt de rechtbank op dat het Uwv in het bestreden besluit heeft verwezen naar artikel 57 van de Wet WIA. Anders dan het Uwv heeft vastgesteld, is echter niet artikel 57 van de Wet WIA, maar artikel 55 van die wet in deze zaak van toepassing. Artikel 57 van de Wet WIA gaat over het herleven van een eerder beëindigde WGA-uitkering, ingeval verzekerde binnen vijf jaar weer opnieuw gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. In geval van eiser is artikel 55 van de Wet WIA van toepassing, op grond waarvan het recht op een WGA-uitkering ontstaat op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voorkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Nu de WIA-aanvraag van eiser werd afgewezen bij einde wachttijd en eiser een toegenomen arbeidsgongeschiktheid heeft gemeld binnen vijf jaar, is hier artikel 55 van de Wet WIA van toepassing. De rechtbank stelt echter vast dat de enkele verwijzing naar een onjuist wetsartikel, op zichzelf geen grond vormt voor vernietiging van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Inhoudelijke medische beoordeling
14. Eiser stelt dat hij toegenomen klachten heeft en niet in staat is om te werken. Op zitting heeft eiser expliciet verwezen naar de brief van de GZ-psycholoog van 22 juni 2023. In deze brief heeft de psycholoog geconcludeerd dat eiser gezien zijn huidige situatie op geen enkele manier in staat is om te werken.
15. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 juni 2025 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om het oordeel van de primaire verzekeringsarts of de FML te wijzigen. De primaire arts hield rekening met dezelfde beperkingen als eerder en voegde daaraan beperkingen toe in het dynamische en statische nekgebruik. Gezien de later (in 2023) door de neuroloog gevonden discopathie op cervicaal niveau C5-6 zijn deze toevoegingen aannemelijk, ervan uitgaande dat de discopathie op de datum in geding al aanwezig was. Dat laatste acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep aannemelijk mede gezien het feit dat de primaire arts in zijn rapportage van 1 april 2021 al vermeldde dat eiser lichamelijke klachten had, waaronder ook nekklachten, naast knie- en rugklachten. Gezien de korte termijn tussen de eerdere datum in geding en de huidige datum in geding (1 dag) en het gegeven dat de FML behorend bij de eerste datum in geding in hoger beroep werd bevestigd, is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om meer beperkingen aan te nemen per de datum in het huidige geding. Niet aannemelijk is dat de belastbaarheid van eiser in één dag tijd wezenlijk zou zijn veranderd (er was geen zogenoemde medische knik). Bovendien zijn de toegenomen medische klachten en afwijkingen en de mogelijke toename van beperkingen zoals die worden beschreven in de medische gegevens van behandelaars van cliënt (longarts, neuroloog en psycholoog) alle van na de datum in geding en dus niet bepalend voor de vastgestelde beperkingen op het moment van de datum in geding. Wel is het mogelijk dat daarna de beperkingen van eiser zijn toegenomen. Met name de nieuwe informatie van de psycholoog is hierover illustratief (er was blijkbaar een duidelijke toename van de psychische klachten). Deze beperkingen die na de datum in geding zijn ontstaan vallen echter buiten de omvang van dit geding, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
16. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de belastbaarheid op de datum in geding zoals vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat eiser het niet eens is met de vastgestelde belastbaarheid, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Het is de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. Hoe eiser zelf zijn klachten en belastbaarheid ervaart, is bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid niet doorslaggevend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom per datum in geding geen aanvullende beperkingen worden aangenomen. De rechtbank kan deze motivering volgen. Ten aanzien van de brief van de GZ-psycholoog merkt de rechtbank op dat deze brief niet meegenomen kan worden in deze beoordeling omdat deze dateert van 22 juni 2023 (twee jaar na de datum in dit geding) en gaat over beperkingen die na de datum in geding zijn ontstaan of zijn toegenomen. Het Uwv heeft op de zitting aan eiser geadviseerd om opnieuw een melding te doen van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 22 juni 2023, zodat de brief van de GZ-psycholoog alsnog in een nieuw uit te voeren beoordeling kan worden meegenomen. Deze optie is op zitting uitvoerig besproken met eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
17. Eiser stelt ten slotte dat zijn belangen niet goed zijn afgewogen in het bestreden besluit. Volgens eiser ontvangt hij momenteel ten onrechte een bijstandsuitkering, wat veel doet met zijn psychische gesteldheid.
18. De bepalingen van de Wet WIA zijn dwingendrechtelijk van aard laten op zichzelf geen ruimte voor een belangenafweging. Voor zover eiser een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit verder mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Dit neemt echter niet weg dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidsdeskundige beoordeling
19. De rechtbank stelt vast dat eiser geen specifieke arbeidsdeskundige gronden naar voren heeft gebracht. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen in de FML van 30 september 2024, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet geschikt zijn voor eiser.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 maart 2021 heeft bepaald op minder dan 35%. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het medisch onderzoek is gecontrasigneerd door een verzekeringsarts.
Artikel 5 van de Wet WIA.
Artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA.
Centrale Raad van Beroep, 19 juli 2023, ECLI:CRVB:2023:1402.
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1074.
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5585
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(M.E. van Mourik).
Inleiding
Eiser heeft gewerkt als [functie] voor gemiddeld 31,95 uur per week. Hij heeft zich op 7 maart 2019 ziek gemeld. Eiser heeft na afloop van de wachttijd van 104 weken bij het Uwv een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Deze aanvraag is afgewezen omdat eiser per 17 maart 2021 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Op 11 april 2021 heeft eiser zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 18 maart 2021. Het Uwv heeft de aanvraag van eiser beoordeeld. Een primaire arts heeft onderzoek verricht. Deze arts heeft beoordeeld wat de arbeidsbeperkingen van eiser zijn en heeft deze beperkingen opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige drie voorbeeldfuncties geduid die eiser, ondanks zijn beperkingen, nog zou kunnen uitoefenen. Het gaat om de functies assemblagemedewerker elektronische producten (SBC-code 267041), productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC-code 11172) en inpakker (SBC-code 111190). De arbeidsdeskundige heeft berekend wat de verdiencapaciteit is en aan de hand daarvan berekend dat eiser in een mate van 3,84% arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 31 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat eiser per 18 maart 2021 geen WIA-uitkering krijgt, omdat hij nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
3. Eiser heeft daartegen bezwaar ingediend. Naar aanleiding van het bezwaar hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuw onderzoek gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het oordeel van de primaire arts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat eiser de eerder vastgestelde functie met de SBC-code 111172 (productiemedewerker voedingsmiddelen industrie) niet kan uitoefenen. Hierop heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe functie aangeduid, namelijk SBC-code 264070 (metaalbuiger, perser, walser). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft berekend dat eiser met inbegrip van deze nieuwe voorbeeldfunctie 0% arbeidsongeschikt is.
4. Met het besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
5. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn zus [naam] , en de gemachtigde van het Uwv.
Beoordelingskader
7. Eiser heeft recht op een WIA-uitkering als hij ten minste in een mate van 35% arbeidsongeschikt is. Op grond van de zogenoemde Amber-bepaling ontstaat het recht op een WIA-uitkering ook wanneer gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na een eerdere afwijzing van een WIA-uitkering, vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35%, en voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak.
8. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
9. Van belang is verder dat het in deze zaak gaat om een beoordeling van de medische situatie van eiser op de datum dat zijn medische gezondheid verslechterde, volgens zijn melding op 18 maart 2021, en dat deze verslechtering voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak op grond waarvan de WIA-uitkering eerder is afgewezen. Nieuwe ziekten of klachten die zijn ontstaan nadat de WIA-uitkering is afgewezen, zijn niet relevant voor de vraag of eiser in aanmerking komt voor een WIA-uitkering in het kader van de Amber-beoordeling.
Beoordeling door de rechtbank
De medische beoordeling
Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Volgens eiser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende informatie ingewonnen van de behandelend sector. Ook voert eiser aan dat hij niet medisch is onderzocht.
10. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig is geweest. De primaire arts heeft eiser gezien tijdens een spreekuur. Hier is eiser psychisch onderzocht en heeft hij zijn klachten kunnen toelichten. De (verzekerings-) artsen vonden een lichamelijk onderzoek van eiser geen toegevoegde waarde hebben, gezien de voorliggende (uitgebreide) gegevens en het feit dat de datum in geding terug in de tijd ligt in 2021. Zowel de primaire arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de aanwezige stukken van de behandelaars bestudeerd. Het enkel geen nadere informatie opvragen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij andere behandelaars maakt het onderzoek nog niet zonder meer onzorgvuldig, zolang de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) voldoende onderzoek heeft verricht. In dat verband merkt de rechtbank op dat de primaire arts wel medische informatie heeft opgevraagd bij de longarts en de neuroloog. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt welke medische informatie ontbrak en bij welke behandelaars de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog meer informatie had moeten opvragen. Eiser heeft desgevraagd op de zitting toegelicht dat de beschikbare medische informatie al voldoende had moeten zijn om hem een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank begrijpt hieruit dat de aanwezige medische informatie volgens eiser niet onvoldoende is. Volgens het Uwv had de verzekeringsarts bezwaar en beroep een goed beeld van de klachten van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Onjuiste wet- en regelgeving
12. Eiser stelt dat het Uwv het onjuiste wettelijke kader heeft gebruikt. Volgens eiser kan hij aantoonbaar niet meer dan 20% van zijn maatmaninkomen verdienen. Op de zitting kon eiser deze beroepsgrond niet nader motiveren.
12. Voor zover eiser stelt dat het Uwv een onjuist wettelijk kader heeft gebruikt, merkt de rechtbank op dat het Uwv in het bestreden besluit heeft verwezen naar artikel 57 van de Wet WIA. Anders dan het Uwv heeft vastgesteld, is echter niet artikel 57 van de Wet WIA, maar artikel 55 van die wet in deze zaak van toepassing. Artikel 57 van de Wet WIA gaat over het herleven van een eerder beëindigde WGA-uitkering, ingeval verzekerde binnen vijf jaar weer opnieuw gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. In geval van eiser is artikel 55 van de Wet WIA van toepassing, op grond waarvan het recht op een WGA-uitkering ontstaat op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voorkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Nu de WIA-aanvraag van eiser werd afgewezen bij einde wachttijd en eiser een toegenomen arbeidsgongeschiktheid heeft gemeld binnen vijf jaar, is hier artikel 55 van de Wet WIA van toepassing. De rechtbank stelt echter vast dat de enkele verwijzing naar een onjuist wetsartikel, op zichzelf geen grond vormt voor vernietiging van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Inhoudelijke medische beoordeling
14. Eiser stelt dat hij toegenomen klachten heeft en niet in staat is om te werken. Op zitting heeft eiser expliciet verwezen naar de brief van de GZ-psycholoog van 22 juni 2023. In deze brief heeft de psycholoog geconcludeerd dat eiser gezien zijn huidige situatie op geen enkele manier in staat is om te werken.
15. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 juni 2025 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om het oordeel van de primaire verzekeringsarts of de FML te wijzigen. De primaire arts hield rekening met dezelfde beperkingen als eerder en voegde daaraan beperkingen toe in het dynamische en statische nekgebruik. Gezien de later (in 2023) door de neuroloog gevonden discopathie op cervicaal niveau C5-6 zijn deze toevoegingen aannemelijk, ervan uitgaande dat de discopathie op de datum in geding al aanwezig was. Dat laatste acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep aannemelijk mede gezien het feit dat de primaire arts in zijn rapportage van 1 april 2021 al vermeldde dat eiser lichamelijke klachten had, waaronder ook nekklachten, naast knie- en rugklachten. Gezien de korte termijn tussen de eerdere datum in geding en de huidige datum in geding (1 dag) en het gegeven dat de FML behorend bij de eerste datum in geding in hoger beroep werd bevestigd, is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om meer beperkingen aan te nemen per de datum in het huidige geding. Niet aannemelijk is dat de belastbaarheid van eiser in één dag tijd wezenlijk zou zijn veranderd (er was geen zogenoemde medische knik). Bovendien zijn de toegenomen medische klachten en afwijkingen en de mogelijke toename van beperkingen zoals die worden beschreven in de medische gegevens van behandelaars van cliënt (longarts, neuroloog en psycholoog) alle van na de datum in geding en dus niet bepalend voor de vastgestelde beperkingen op het moment van de datum in geding. Wel is het mogelijk dat daarna de beperkingen van eiser zijn toegenomen. Met name de nieuwe informatie van de psycholoog is hierover illustratief (er was blijkbaar een duidelijke toename van de psychische klachten). Deze beperkingen die na de datum in geding zijn ontstaan vallen echter buiten de omvang van dit geding, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
16. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de belastbaarheid op de datum in geding zoals vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat eiser het niet eens is met de vastgestelde belastbaarheid, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Het is de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. Hoe eiser zelf zijn klachten en belastbaarheid ervaart, is bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid niet doorslaggevend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom per datum in geding geen aanvullende beperkingen worden aangenomen. De rechtbank kan deze motivering volgen. Ten aanzien van de brief van de GZ-psycholoog merkt de rechtbank op dat deze brief niet meegenomen kan worden in deze beoordeling omdat deze dateert van 22 juni 2023 (twee jaar na de datum in dit geding) en gaat over beperkingen die na de datum in geding zijn ontstaan of zijn toegenomen. Het Uwv heeft op de zitting aan eiser geadviseerd om opnieuw een melding te doen van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 22 juni 2023, zodat de brief van de GZ-psycholoog alsnog in een nieuw uit te voeren beoordeling kan worden meegenomen. Deze optie is op zitting uitvoerig besproken met eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
17. Eiser stelt ten slotte dat zijn belangen niet goed zijn afgewogen in het bestreden besluit. Volgens eiser ontvangt hij momenteel ten onrechte een bijstandsuitkering, wat veel doet met zijn psychische gesteldheid.
18. De bepalingen van de Wet WIA zijn dwingendrechtelijk van aard laten op zichzelf geen ruimte voor een belangenafweging. Voor zover eiser een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit verder mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Dit neemt echter niet weg dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidsdeskundige beoordeling
19. De rechtbank stelt vast dat eiser geen specifieke arbeidsdeskundige gronden naar voren heeft gebracht. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen in de FML van 30 september 2024, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet geschikt zijn voor eiser.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 maart 2021 heeft bepaald op minder dan 35%. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het medisch onderzoek is gecontrasigneerd door een verzekeringsarts.
Artikel 5 van de Wet WIA.
Artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA.
Centrale Raad van Beroep, 19 juli 2023, ECLI:CRVB:2023:1402.
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1074.