Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5435

2026-07-31 Bestuursrecht 26/2391
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
26/2391
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BNT UHT, aanvraag CWS, rechtbank volgt lijn eigen MK usp 27 juli 2026. Omdat de beslistermijn van 118 weken is verstreken moet verweerder binnen twee weken beslissen. De rb legt een dwangsom op.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.530 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 26/2391


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [plaats] , eiseres


en




Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).




Inleiding


Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 21 november 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.

Op 8 april 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.



Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.





Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank heeft op 24 april 2025 uitspraak gedaan, omdat verweerder niet op tijd op de aanvraag heeft beslist. In de uitspraak heeft de rechtbank bepaald dat verweerder uiterlijk op 18 juni 2025 een besluit aan eiseres bekend moest maken. Verweerder heeft nog steeds niet op de aanvraag van eiseres beslist.
3. Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.
5. In haar uitspraak van 27 juli 2026 heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 66 weken na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. De rechtbank heeft zich in die uitspraak niet uitgelaten over de situatie dat deze termijn al verstreken is. In de uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank echter wel bepaald dat als de beslistermijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepaalt. De rechtbank verwijst naar deze twee uitspraken.
6. In dit geval betekent dit het volgende. Eiseres heeft op 21 november 2023 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De wettelijke beslistermijn eindigde op 21 november 2024. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op de aanvraag bekend moet maken is dus 21 november 2024. Omdat sindsdien meer dan 66 weken zijn verstreken, bepaalt de rechtbank dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
7. Eiseres heeft beroep ingesteld op het moment waarop de dwangsom die volgde uit de uitspraak van 24 april 2025 nog niet was verstreken. Verweerder heeft de rechtbank verzocht geen dwangsom te bepalen. Inmiddels is er echter geen dwangsom meer van kracht en daarom zal de rechtbank een dwangsom bepalen.

8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijnen niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de uitspraak van deze rechtbank van 25 oktober 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2026 te volgen en geen dwangsom op te leggen, omdat de wet die ruimte volgens haar niet biedt. De rechtbank verwijst naar de motivering van de hiervoor genoemde uitspraak van 27 juli 2026.

9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere dwangsom, zoals door eiseres is verzocht. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar – onder meer – een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiser rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.


Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.



Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.


Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.


ECLI:NL:RBMNE:2025:2226.


Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.


Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.


ECLI:NL:RBMNE:2026:4803.


ECLI:NL:RBMNE:2025:3859.


ECLI:NL:RBMNE:2024:6003.


ECLI:NL:RVS:2026:3192.