Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5427
2026-06-12
Bestuursrecht
UTR 26/5549
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening kennelijk niet ontvankelijk. Wat verzoeker vraagt heeft geen connectie met het besluit.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:1338 Raad van State 02-04-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.387 tekens)
JRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5549
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker is het niet eens met het besluit van het college om zijn adres op de adressenrestrictielijst ‘Geen recht op parkeervergunning’ (GROP)/‘Parkeren op eigen terrein’ (POET) te registreren.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het college heeft met het besluit van 17 september 2025 het adres van verzoeker op de adressenrestrictielijst met de vermelding GROP geregistreerd. Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
3. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Formele connexiteit houdt in dit geval in dat het verzoek om een voorlopige voorziening samenhangt met een beroep tegen een besluit. Dat is hier het geval. Materiële connexiteit houdt in dat wat verzoeker met zijn verzoek wil bereiken betrekking heeft op de inhoud van het bestreden besluit. Daaraan is in dit geval niet voldaan.
4. Verzoeker is het niet eens met de registratie van zijn adres op de adressenrestrictielijst GROP/POET. Hij stelt dat hij geen gebruik kan maken van de parkeerplaatsen die bij zijn appartementencomplex horen en dus aangewezen is op de openbare weg. Hij heeft een parkeervergunning nodig om daar te kunnen parkeren. Door de registratie kan verzoeker echter niet in aanmerking komen voor zo’n parkeervergunning.
5. In zijn verzoek vraagt verzoeker de voorzieningenrechter om hem, in afwachting van de behandeling van zijn beroep, alvast toe te staan om kosteloos - en zonder risico op naheffingen - te mogen parkeren op de openbare weg. Wat verzoeker wil bereiken met het verzoek heeft daarmee echter geen betrekking op de inhoud van het bestreden besluit dat alleen gaat over de registratie van zijn adres op de adressenrestrictielijst GROP/POET. Het besluit gaat niet over het wel of niet verlenen van een parkeervergunning. Met zijn verzoek om een voorlopige voorziening zou verzoeker alleen maar kunnen bereiken dat zijn registratie voor de duur van de beroepsfase van deze lijst wordt gehaald. Wat hij nu verzoekt is te ver verwijderd van de inhoud van het bestreden besluit. Er is geen ruimte voor een voorziening die inhoudt dat verzoeker tijdens de beroepsfase vrij mag parkeren, zoals hij wenst. Daarom is er dus niet voldaan aan het vereiste van materiële connexiteit.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1338, onder r.o. 5.2.
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5549
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker is het niet eens met het besluit van het college om zijn adres op de adressenrestrictielijst ‘Geen recht op parkeervergunning’ (GROP)/‘Parkeren op eigen terrein’ (POET) te registreren.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het college heeft met het besluit van 17 september 2025 het adres van verzoeker op de adressenrestrictielijst met de vermelding GROP geregistreerd. Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
3. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Formele connexiteit houdt in dit geval in dat het verzoek om een voorlopige voorziening samenhangt met een beroep tegen een besluit. Dat is hier het geval. Materiële connexiteit houdt in dat wat verzoeker met zijn verzoek wil bereiken betrekking heeft op de inhoud van het bestreden besluit. Daaraan is in dit geval niet voldaan.
4. Verzoeker is het niet eens met de registratie van zijn adres op de adressenrestrictielijst GROP/POET. Hij stelt dat hij geen gebruik kan maken van de parkeerplaatsen die bij zijn appartementencomplex horen en dus aangewezen is op de openbare weg. Hij heeft een parkeervergunning nodig om daar te kunnen parkeren. Door de registratie kan verzoeker echter niet in aanmerking komen voor zo’n parkeervergunning.
5. In zijn verzoek vraagt verzoeker de voorzieningenrechter om hem, in afwachting van de behandeling van zijn beroep, alvast toe te staan om kosteloos - en zonder risico op naheffingen - te mogen parkeren op de openbare weg. Wat verzoeker wil bereiken met het verzoek heeft daarmee echter geen betrekking op de inhoud van het bestreden besluit dat alleen gaat over de registratie van zijn adres op de adressenrestrictielijst GROP/POET. Het besluit gaat niet over het wel of niet verlenen van een parkeervergunning. Met zijn verzoek om een voorlopige voorziening zou verzoeker alleen maar kunnen bereiken dat zijn registratie voor de duur van de beroepsfase van deze lijst wordt gehaald. Wat hij nu verzoekt is te ver verwijderd van de inhoud van het bestreden besluit. Er is geen ruimte voor een voorziening die inhoudt dat verzoeker tijdens de beroepsfase vrij mag parkeren, zoals hij wenst. Daarom is er dus niet voldaan aan het vereiste van materiële connexiteit.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1338, onder r.o. 5.2.