Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5426
2026-07-24
Bestuursrecht
UTR 25/7385
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak. Geen procesbelang, door nieuwe verlening exploitatievergunning is eerdere vergunning vervallen. Beroep niet-ontvankelijk.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:5173 Rechtbank Midden-Nederland 19-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:5390 Raad van State 24-12-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5443 Rechtbank Overijssel 04-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12516 Rechtbank Den Haag 30-07-2020
- ECLI:NL:RVS:2014:188 Raad van State 29-01-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.790 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7385
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
de burgemeester van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: mr. N.J. van Polanen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] (de vergunninghouder).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de verlening van een exploitatievergunning op 29 april 2022 aan de derde-partij voor de exploitatie van het horecabedrijf ‘ [horecagelegenheid] ’ op het adres [adres] in [plaats] .
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van deze exploitatievergunning. Op 29 november 2022 heeft de burgemeester de vergunning gehandhaafd, maar het oorspronkelijke terrasbesluit herroepen. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Op 19 september 2025 heeft deze rechtbank de beslissing op bezwaar vernietigd en de burgemeester opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Bij besluit van 23 december 2025, aangepast bij besluit van 29 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. Op het beroep van eiseres heeft de burgemeester gereageerd met een verweerschrift en zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen procesbelang heeft.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 24 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar partner [A] en de gemachtigde van de burgemeester. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank oordeelt allereerst dat het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Het procesbelang van eiseres bij een beoordeling van dit beroep is vervallen, omdat de burgemeester inmiddels een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen. Eiseres heeft wel recht op vergoeding van het griffierecht, omdat zij het beroep terecht heeft ingesteld.
2. De rechtbank oordeelt verder dat de burgemeester een dwangsom moet betalen, omdat er niet tijdig is beslist. Het besluit is 11 dagen na de termijn die is vastgesteld in de eerdere uitspraak van de rechtbank genomen. De burgemeester heeft daarom een dwangsom van € 253,- verbeurd.
3. Over het procesbelang in het beroep van eiseres tegen de verlening van een exploitatievergunning overweegt de rechtbank het volgende. De exploitatievergunning waartegen eiseres beroepsgronden heeft gericht, is inmiddels komen te vervallen. Normaal gesproken moet er dan van uitgegaan worden dat er geen procesbelang meer is, maar eiseres doet beroep op een uitzondering.
4. De rechtbank is van oordeel dat in de zaak van eiseres geen uitzondering van toepassing is. De uitzondering uit de jurisprudentie waarop eiseres zich beroept, gaat over gevallen waarin sprake is van steeds terugkerende verlengingen of periodieke activiteiten en die daarom van belang kunnen zijn voor toekomstige besluiten. Voorbeelden hiervan zijn een besluit over de verlenging van een vergunning of over een jaarlijks terugkerend evenement. Dit is hier niet het geval. In de zaak van eiseres is er inmiddels een nieuwe exploitatievergunning verleend voor dezelfde locatie, maar aan een andere exploitant. Dat het gebruik van de locatie door de nieuwe exploitant volgens eiseres hetzelfde is, betekent niet dat er sprake is van een uitzondering. De uitzondering is bedoeld om rechtsbescherming te bieden, zodat burgers de kans krijgen om hun geschil bij de rechter voor te leggen en deze mogelijkheid niet steeds mislopen doordat de looptijd van de verlenging dan al is verstreken of het evenement is afgelopen. Ook dit is niet het geval. Eiseres kan namelijk in bezwaar en beroep gaan, en heeft dus al rechtsbescherming tegen de verleende vergunning aan de nieuwe exploitant. In vergelijkbare zaken is dit op dezelfde manier beoordeeld. Op de zitting heeft eiseres benadrukt dat deze zaak al lang loopt en toegelicht dat zij bang is dat steeds een nieuwe exploitant zal opduiken, waardoor zij niet de kans krijgt het geschil bij de rechter voor te leggen of deze kans misloopt. De rechtbank begrijpt de achtergrond van deze vrees van eiseres, gelet op de lange duur van deze procedure, maar ziet geen reden om aan te nemen dat dit bij het nieuwe besluit ook het geval zal zijn. Eiseres heeft dan ook geen procesbelang en het beroep is als gevolg niet-ontvankelijk.
5. Tot slot overweegt de rechtbank dat in haar uitspraak van 19 september 2025 al een schadevergoeding is toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn tot dat moment. Inmiddels is er meer tijd verstreken. Het gaat om twee periodes van een half jaar (naar boven afgerond), waarvoor een schadevergoeding van € 500,- per periode moet worden toegekend. Eiseres heeft dus recht op € 1.000,-. De overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan de burgemeester. Als uitgangspunt geldt namelijk dat de overschrijding voor rekening komt van het bestuursorgaan nadat er sprake is geweest van een eerdere gegrondverklaring en vernietiging door de rechtbank, tenzij de rechtbank bij de tweede beroepsprocedure langer dan anderhalf jaar doet over de behandeling. Dat laatste is in dit geval niet aan de orde.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- stelt de door de burgemeester te betalen dwangsom vast op € 253,-;
- veroordeelt de burgemeester om aan eiseres een schadevergoeding van € 1.000,- te betalen; en
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026 door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
De rechter is verhinderd dit
proces-verbaal te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBMNE:2025:5173.
ECLI:NL:RVS:2024:5390.
ECLI:NL:RBOVE:2025:5443 en ECLI:NL:RBDHA:2020:12516.
ECLI:NL:RVS:2014:188 r.o. 4.9.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7385
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
de burgemeester van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: mr. N.J. van Polanen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] (de vergunninghouder).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de verlening van een exploitatievergunning op 29 april 2022 aan de derde-partij voor de exploitatie van het horecabedrijf ‘ [horecagelegenheid] ’ op het adres [adres] in [plaats] .
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van deze exploitatievergunning. Op 29 november 2022 heeft de burgemeester de vergunning gehandhaafd, maar het oorspronkelijke terrasbesluit herroepen. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Op 19 september 2025 heeft deze rechtbank de beslissing op bezwaar vernietigd en de burgemeester opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Bij besluit van 23 december 2025, aangepast bij besluit van 29 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. Op het beroep van eiseres heeft de burgemeester gereageerd met een verweerschrift en zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen procesbelang heeft.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 24 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar partner [A] en de gemachtigde van de burgemeester. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank oordeelt allereerst dat het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Het procesbelang van eiseres bij een beoordeling van dit beroep is vervallen, omdat de burgemeester inmiddels een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen. Eiseres heeft wel recht op vergoeding van het griffierecht, omdat zij het beroep terecht heeft ingesteld.
2. De rechtbank oordeelt verder dat de burgemeester een dwangsom moet betalen, omdat er niet tijdig is beslist. Het besluit is 11 dagen na de termijn die is vastgesteld in de eerdere uitspraak van de rechtbank genomen. De burgemeester heeft daarom een dwangsom van € 253,- verbeurd.
3. Over het procesbelang in het beroep van eiseres tegen de verlening van een exploitatievergunning overweegt de rechtbank het volgende. De exploitatievergunning waartegen eiseres beroepsgronden heeft gericht, is inmiddels komen te vervallen. Normaal gesproken moet er dan van uitgegaan worden dat er geen procesbelang meer is, maar eiseres doet beroep op een uitzondering.
4. De rechtbank is van oordeel dat in de zaak van eiseres geen uitzondering van toepassing is. De uitzondering uit de jurisprudentie waarop eiseres zich beroept, gaat over gevallen waarin sprake is van steeds terugkerende verlengingen of periodieke activiteiten en die daarom van belang kunnen zijn voor toekomstige besluiten. Voorbeelden hiervan zijn een besluit over de verlenging van een vergunning of over een jaarlijks terugkerend evenement. Dit is hier niet het geval. In de zaak van eiseres is er inmiddels een nieuwe exploitatievergunning verleend voor dezelfde locatie, maar aan een andere exploitant. Dat het gebruik van de locatie door de nieuwe exploitant volgens eiseres hetzelfde is, betekent niet dat er sprake is van een uitzondering. De uitzondering is bedoeld om rechtsbescherming te bieden, zodat burgers de kans krijgen om hun geschil bij de rechter voor te leggen en deze mogelijkheid niet steeds mislopen doordat de looptijd van de verlenging dan al is verstreken of het evenement is afgelopen. Ook dit is niet het geval. Eiseres kan namelijk in bezwaar en beroep gaan, en heeft dus al rechtsbescherming tegen de verleende vergunning aan de nieuwe exploitant. In vergelijkbare zaken is dit op dezelfde manier beoordeeld. Op de zitting heeft eiseres benadrukt dat deze zaak al lang loopt en toegelicht dat zij bang is dat steeds een nieuwe exploitant zal opduiken, waardoor zij niet de kans krijgt het geschil bij de rechter voor te leggen of deze kans misloopt. De rechtbank begrijpt de achtergrond van deze vrees van eiseres, gelet op de lange duur van deze procedure, maar ziet geen reden om aan te nemen dat dit bij het nieuwe besluit ook het geval zal zijn. Eiseres heeft dan ook geen procesbelang en het beroep is als gevolg niet-ontvankelijk.
5. Tot slot overweegt de rechtbank dat in haar uitspraak van 19 september 2025 al een schadevergoeding is toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn tot dat moment. Inmiddels is er meer tijd verstreken. Het gaat om twee periodes van een half jaar (naar boven afgerond), waarvoor een schadevergoeding van € 500,- per periode moet worden toegekend. Eiseres heeft dus recht op € 1.000,-. De overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan de burgemeester. Als uitgangspunt geldt namelijk dat de overschrijding voor rekening komt van het bestuursorgaan nadat er sprake is geweest van een eerdere gegrondverklaring en vernietiging door de rechtbank, tenzij de rechtbank bij de tweede beroepsprocedure langer dan anderhalf jaar doet over de behandeling. Dat laatste is in dit geval niet aan de orde.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- stelt de door de burgemeester te betalen dwangsom vast op € 253,-;
- veroordeelt de burgemeester om aan eiseres een schadevergoeding van € 1.000,- te betalen; en
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026 door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
De rechter is verhinderd dit
proces-verbaal te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBMNE:2025:5173.
ECLI:NL:RVS:2024:5390.
ECLI:NL:RBOVE:2025:5443 en ECLI:NL:RBDHA:2020:12516.
ECLI:NL:RVS:2014:188 r.o. 4.9.