Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5416
2026-08-07
Bestuursrecht
UTR 26/2997
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Voor alle toeslagjaren geldt dat geen gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat kinderopvang is afgenomen. Daardoor bestaat er geen recht op compensatie. Er is ook niets aangetroffen wat erop wijst dat een persoonlijke betalingsregeling is aangevraagd die is geweigerd vanwege een O/GS-kwalificatie. Verder zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken toegestuurd.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2026:1700 Raad van State 25-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4174 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:5087 Raad van State 22-10-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.278 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2997
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, de Dienst
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Samenvatting
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst heeft erkend dat eiseres over de toeslagjaren 2009, 2010, 2011, 2014 en 2015 vooringenomen is behandeld, maar stelt zich op het standpunt dat eiseres evident geen recht op kinderopvangtoeslag had in de onderzochte toeslagjaren. Eiseres is het daar niet mee eens en vindt dat zij recht heeft op compensatie. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is.
Procesverloop
1. Eiseres heeft zich op 23 november 2022 bij de Dienst gemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire en heeft oorspronkelijk verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 tot en met 2013. In overleg met eiseres zijn de te beoordelen jaren gewijzigd naar 2009, 2010, 2011, 2014 en 2015. Na de lichte toets (Catshuisregeling) is de Dienst tot de conclusie gekomen dat eiseres op dat moment geen recht had op € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarna volgde een integrale beoordeling, waarbij per toeslagjaar is bekeken of de Dienst fouten heeft gemaakt of de regels van de kinderopvangtoeslag te streng heeft toegepast.
1.1.
Met het besluit van 21 juni 2024 heeft de Dienst beslist dat eiseres geen recht heeft op compensatie. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het besluit van 18 maart 2026 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Ondanks dat de Dienst vooringenomen heeft gehandeld, heeft de Dienst beslist dat eisers geen recht heeft op compensatie. Eiseres heeft de Dienst namelijk niet voorzien van gegevens waaruit blijkt dat gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen, waardoor de Dienst niet kan vaststellen dat eiseres recht had op kinderopvangtoeslag.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
2. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem of haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.
2.1.
Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.
2.2.
De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag toerekenbaar is, is bijvoorbeeld sprake als blijkt dat de aanvrager evident geen recht op kinderopvangtoeslag had in de onderzochte berekeningsjaren. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de aanvrager een te hoog inkomen had voor het ontvangen van de toeslag of geen kind had. Ook is er bijvoorbeeld sprake van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager toerekenbaar is als de aanvrager ook na verzoeken om informatie of het maken van een afspraak niets van zich heeft laten horen, niet op ingeplande afspraken is verschenen en ook nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de betreffende beschikkingen van de Dienst. Door een dergelijke opstelling van de aanvrager wordt de Dienst verhinderd controles uit te voeren en in een latere fase om fouten in de besluitvorming te herstellen. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het aan de ouder is om aannemelijk te maken dat kinderopvang is afgenomen en dat de Dienst bij een gebrek aan bewijs kan aannemen dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond.
De beoordeling van het beroep
2.3.
De beroepsgrond dat eiseres slachtoffer zou zijn van identiteitsfraude, wat een bijzondere omstandigheid is in het kader van een beroep op de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast, heeft eiseres op de zitting ingetrokken.
Is sprake van een ernstige onregelmatigheid?
2.4.
De Dienst heeft voor alle in geschil zijnde toeslagjaren vooringenomenheid aangenomen, omdat de vraag- en/of rappelbrieven niet in het systeem zijn gevonden, terwijl de Dienst de kinderopvangtoeslag wegens het uitblijven van een reactie van eiseres wel heeft stopgezet dan wel de aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft afgewezen. Dat eiseres vooringenomen is behandeld is tussen partijen niet in geschil. Tussen partijen is enkel in geschil of de door eiseres geleden schade is te wijten aan een ernstige onregelmatigheid die aan eiseres toerekenbaar is.
2.5.
Eiseres voert aan dat het ontbreken van informatie in de systemen van de Dienst nog geen situatie van een ernstige onregelmatigheid oplevert. Het uitgangspunt van de Wht is dat het ouderverhaal leidend is. Omdat eiseres stelt geregistreerde opvang te hebben afgenomen en er geen stukken voorhanden zijn waaruit blijkt dat dit niet het geval kan zijn, moet de Dienst ervan uitgaan dat kinderopvang is afgenomen. Met de overgelegde foto’s in bezwaar, waaruit blijkt dat haar dochter naar de kinderopvang ging, heeft zij voldoende inspanning verricht om aannemelijk te maken dat daadwerkelijk kinderopvang is afgenomen. Ook kan het ontbreken van gegevens in de KOI-viewer niet zonder meer voor haar rekening worden gebracht, omdat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens voor de KOI-viewer aan te leveren.
2.6.
De rechtbank stelt vast dat de door eiseres overgelegde foto’s ongedateerd zijn. Op de zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij de foto’s zelf heeft genomen, dat het meisje op de foto’s haar jongste dochter is en dat zij toen ongeveer drie jaar oud was. Omdat de jongste dochter van eiseres is geboren op [geboortedatum] 2013, betekent dit dat de foto’s in 2016 zijn genomen. Dat betekent dat de foto’s alleen al om die reden niet als bewijs kunnen dienen dat eiseres over de te beoordelen toeslagjaren (gelegen vóór 2016) kinderopvang heeft afgenomen. Voor alle toeslagjaren geldt dat eiseres verder geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat kinderopvang is afgenomen, zoals bijvoorbeeld bankafschriften, jaaropgaven of contracten met een instelling voor kinderopvang. Eiseres heeft daardoor niet aannemelijk gemaakt dat kinderopvang is afgenomen. Het voorgaande maakt dat de Dienst niet enkel op basis van het ontbreken van gegevens in de KOI-viewer tot de conclusie is gekomen dat eiseres geen kinderopvang heeft afgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de Dienst dus heeft kunnen aannemen dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Dit maakt dat ook achteraf niet kan worden vastgesteld dat eiseres in de betrokken jaren aanspraak maakte op kinderopvangtoeslag. Daardoor bestaat er geen recht op compensatie.
2.7.
De rechtbank vindt hierbij ook van belang dat eiseres destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van de Dienst over de verschillende toeslagjaren, waarin het recht op kinderopvangtoeslag definitief is berekend en op € 0 werd vastgesteld. Als eiseres destijds kinderopvang had afgenomen, zoals zij betoogt, dan had zij logischerwijs bezwaar gemaakt tegen de stopzettingen van de kinderopvangtoeslag, dan wel contact met de Dienst hierover opgenomen.
Heeft de Dienst alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
2.8.
Eiseres stelt dat dat de Dienst ten aanzien van de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 heeft nagelaten te onderzoeken of de uitgevaardigde aanmaningen en dwangbevelen verband houden met een kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Met de enkele conclusie van de Dienst dat van een O/GS kwalificatie geen sprake is, zonder overlegging van de daaraan ten grondslag liggende stukken, kan eiseres niet zelf nagaan of zij in aanmerking komt voor de opzet of grove schuldregeling. In dat kader verzoekt eiseres de rechtbank de Dienst op te dragen om de invorderingsdossiers te overleggen, waaronder in ieder geval het BARC-systeem (Beveiligd Digitaal Archief), INL (Invordering Lokaal), IVT, MbBatch, omdat dit volgens eiseres op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.
2.9.
De Dienst kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de bepalingen op grond van de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke (minnelijke) schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Zoals de Dienst in het verweerschrift heeft toegelicht, wordt bij de beoordeling of iemand aanspraak maakt op deze tegemoetkoming gekeken naar de uitkomst van het onderzoek van de afdeling Centrale Administratieve Processen Cluster inning van de Belastingdienst, ook wel het Landelijk incassocentrum genoemd (LIC). De werkwijze van het LIC houdt in dat per toeslagjaar wordt onderzocht of er aanwijzingen zijn dat een schriftelijk verzoek is ingediend voor een persoonlijke betalingsregeling of dat sprake is (geweest) van een MNSP-traject (minnelijke schuldregeling). Ontbreekt een dergelijk verzoek of wordt geen (indicatie van een) afwijzing daarvan aangetroffen, dan kwalificeert dat toeslagjaar niet als O/GS. Het LIC verricht hiervoor een breed bronnenonderzoek, waarbij niet alleen brieven maar ook interne notities, signalen en systeemregistraties worden geraadpleegd. Indien wél een afwijzing van een betalingsregeling of een MSNP-verzoek wordt gevonden, beoordeelt het LIC de reden van afwijzing. Niet iedere afwijzing is het gevolg van een O/GS-kwalificatie, bijvoorbeeld omdat er voldoende betalingscapaciteit bij de ouder was. De Dienst heeft ook het zoekdocument O/GS vaststelling overgelegd, waarin de zoekstappen door het LIC kort worden toegelicht. Het LIC rapporteert uitsluitend de conclusie van het onderzoek: wel of geen O/GS.
2.10.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de Dienst niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft toegestuurd. Uit het door de Dienst overgelegde screenshot van één van zijn systemen blijkt dat onder het BSN van eiseres geen sprake is van een O/GS kwalificatie. In het geval van eiseres is namelijk niets aangetroffen wat erop wijst dat een persoonlijke betalingsregeling is aangevraagd die is geweigerd vanwege een O/GS-kwalificatie. De rechtbank ziet niet in wat de Dienst meer had kunnen overleggen om hier inzicht in te verschaffen.
2.11.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te oordelen dat de Dienst had moeten concluderen dat er concrete aanwijzingen waren die aanleiding gaven tot twijfel aan de conclusie van het LIC. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de Dienst in beginsel mag uitgaan van de gegevens van het LIC. Eiseres heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat de Dienst hier niet van kon uitgaan. Zo heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij een persoonlijke betalingsregeling heeft aangevraagd en dat die zou zijn geweigerd, vanwege een O/GS kwalificatie. In tegendeel, uit het betaal- en verrekenoverzicht van 2010 volgt dat eiseres het terugvorderingsbedrag in meer dan 24-maandelijkse termijnen heeft betaald wat wijst op een persoonlijke betalingsregeling.
Overschrijding redelijke termijn
2.12.
Eiseres vindt dat zij recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.
2.13.
Met betrekking tot de overschrijding van de redelijk termijn overweegt de rechtbank dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in zaken in eerste aanleg in beginsel niet overschreden is als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
2.14.
De redelijke termijn begon in deze zaak te lopen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 19 juli 2024. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn (afgerond naar boven) 25 maanden verstreken. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn dus met ongeveer een maand overschreden. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling in bezwaar door de Dienst vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 19 juli 2024 tot het bestreden besluit van 18 maart 2026 ongeveer 20 maanden geduurd. De duur van een half jaar die voor de behandeling van het bezwaar redelijk wordt geacht, is daarmee met 14 maanden overschreden. Eiseres heeft op 22 april 2026 beroep ingesteld. De rechtbank heeft vervolgens binnen de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar uitspraak gedaan op het beroep van eiseres. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig voor rekening van de Dienst komt. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Eiseres heeft dus recht op
€ 500,-.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
het beroep ongegrond;
veroordeelt de Dienst tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1 van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 96.
Uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1700, r.o. 4.1.
Artikel 2.6, eerste lid, van de Wht.
Artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 13 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4174, r.o. 20.
Uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5087, r.o. 7.3 en uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 17 april 2026, ECLIL:NL:RBMNE:2026:2782, r.o. 21.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2997
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, de Dienst
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Samenvatting
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst heeft erkend dat eiseres over de toeslagjaren 2009, 2010, 2011, 2014 en 2015 vooringenomen is behandeld, maar stelt zich op het standpunt dat eiseres evident geen recht op kinderopvangtoeslag had in de onderzochte toeslagjaren. Eiseres is het daar niet mee eens en vindt dat zij recht heeft op compensatie. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is.
Procesverloop
1. Eiseres heeft zich op 23 november 2022 bij de Dienst gemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire en heeft oorspronkelijk verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 tot en met 2013. In overleg met eiseres zijn de te beoordelen jaren gewijzigd naar 2009, 2010, 2011, 2014 en 2015. Na de lichte toets (Catshuisregeling) is de Dienst tot de conclusie gekomen dat eiseres op dat moment geen recht had op € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarna volgde een integrale beoordeling, waarbij per toeslagjaar is bekeken of de Dienst fouten heeft gemaakt of de regels van de kinderopvangtoeslag te streng heeft toegepast.
1.1.
Met het besluit van 21 juni 2024 heeft de Dienst beslist dat eiseres geen recht heeft op compensatie. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het besluit van 18 maart 2026 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Ondanks dat de Dienst vooringenomen heeft gehandeld, heeft de Dienst beslist dat eisers geen recht heeft op compensatie. Eiseres heeft de Dienst namelijk niet voorzien van gegevens waaruit blijkt dat gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen, waardoor de Dienst niet kan vaststellen dat eiseres recht had op kinderopvangtoeslag.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
2. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem of haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.
2.1.
Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.
2.2.
De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag toerekenbaar is, is bijvoorbeeld sprake als blijkt dat de aanvrager evident geen recht op kinderopvangtoeslag had in de onderzochte berekeningsjaren. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de aanvrager een te hoog inkomen had voor het ontvangen van de toeslag of geen kind had. Ook is er bijvoorbeeld sprake van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager toerekenbaar is als de aanvrager ook na verzoeken om informatie of het maken van een afspraak niets van zich heeft laten horen, niet op ingeplande afspraken is verschenen en ook nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de betreffende beschikkingen van de Dienst. Door een dergelijke opstelling van de aanvrager wordt de Dienst verhinderd controles uit te voeren en in een latere fase om fouten in de besluitvorming te herstellen. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het aan de ouder is om aannemelijk te maken dat kinderopvang is afgenomen en dat de Dienst bij een gebrek aan bewijs kan aannemen dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond.
De beoordeling van het beroep
2.3.
De beroepsgrond dat eiseres slachtoffer zou zijn van identiteitsfraude, wat een bijzondere omstandigheid is in het kader van een beroep op de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast, heeft eiseres op de zitting ingetrokken.
Is sprake van een ernstige onregelmatigheid?
2.4.
De Dienst heeft voor alle in geschil zijnde toeslagjaren vooringenomenheid aangenomen, omdat de vraag- en/of rappelbrieven niet in het systeem zijn gevonden, terwijl de Dienst de kinderopvangtoeslag wegens het uitblijven van een reactie van eiseres wel heeft stopgezet dan wel de aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft afgewezen. Dat eiseres vooringenomen is behandeld is tussen partijen niet in geschil. Tussen partijen is enkel in geschil of de door eiseres geleden schade is te wijten aan een ernstige onregelmatigheid die aan eiseres toerekenbaar is.
2.5.
Eiseres voert aan dat het ontbreken van informatie in de systemen van de Dienst nog geen situatie van een ernstige onregelmatigheid oplevert. Het uitgangspunt van de Wht is dat het ouderverhaal leidend is. Omdat eiseres stelt geregistreerde opvang te hebben afgenomen en er geen stukken voorhanden zijn waaruit blijkt dat dit niet het geval kan zijn, moet de Dienst ervan uitgaan dat kinderopvang is afgenomen. Met de overgelegde foto’s in bezwaar, waaruit blijkt dat haar dochter naar de kinderopvang ging, heeft zij voldoende inspanning verricht om aannemelijk te maken dat daadwerkelijk kinderopvang is afgenomen. Ook kan het ontbreken van gegevens in de KOI-viewer niet zonder meer voor haar rekening worden gebracht, omdat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens voor de KOI-viewer aan te leveren.
2.6.
De rechtbank stelt vast dat de door eiseres overgelegde foto’s ongedateerd zijn. Op de zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij de foto’s zelf heeft genomen, dat het meisje op de foto’s haar jongste dochter is en dat zij toen ongeveer drie jaar oud was. Omdat de jongste dochter van eiseres is geboren op [geboortedatum] 2013, betekent dit dat de foto’s in 2016 zijn genomen. Dat betekent dat de foto’s alleen al om die reden niet als bewijs kunnen dienen dat eiseres over de te beoordelen toeslagjaren (gelegen vóór 2016) kinderopvang heeft afgenomen. Voor alle toeslagjaren geldt dat eiseres verder geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat kinderopvang is afgenomen, zoals bijvoorbeeld bankafschriften, jaaropgaven of contracten met een instelling voor kinderopvang. Eiseres heeft daardoor niet aannemelijk gemaakt dat kinderopvang is afgenomen. Het voorgaande maakt dat de Dienst niet enkel op basis van het ontbreken van gegevens in de KOI-viewer tot de conclusie is gekomen dat eiseres geen kinderopvang heeft afgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de Dienst dus heeft kunnen aannemen dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Dit maakt dat ook achteraf niet kan worden vastgesteld dat eiseres in de betrokken jaren aanspraak maakte op kinderopvangtoeslag. Daardoor bestaat er geen recht op compensatie.
2.7.
De rechtbank vindt hierbij ook van belang dat eiseres destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van de Dienst over de verschillende toeslagjaren, waarin het recht op kinderopvangtoeslag definitief is berekend en op € 0 werd vastgesteld. Als eiseres destijds kinderopvang had afgenomen, zoals zij betoogt, dan had zij logischerwijs bezwaar gemaakt tegen de stopzettingen van de kinderopvangtoeslag, dan wel contact met de Dienst hierover opgenomen.
Heeft de Dienst alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
2.8.
Eiseres stelt dat dat de Dienst ten aanzien van de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 heeft nagelaten te onderzoeken of de uitgevaardigde aanmaningen en dwangbevelen verband houden met een kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Met de enkele conclusie van de Dienst dat van een O/GS kwalificatie geen sprake is, zonder overlegging van de daaraan ten grondslag liggende stukken, kan eiseres niet zelf nagaan of zij in aanmerking komt voor de opzet of grove schuldregeling. In dat kader verzoekt eiseres de rechtbank de Dienst op te dragen om de invorderingsdossiers te overleggen, waaronder in ieder geval het BARC-systeem (Beveiligd Digitaal Archief), INL (Invordering Lokaal), IVT, MbBatch, omdat dit volgens eiseres op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.
2.9.
De Dienst kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de bepalingen op grond van de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke (minnelijke) schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Zoals de Dienst in het verweerschrift heeft toegelicht, wordt bij de beoordeling of iemand aanspraak maakt op deze tegemoetkoming gekeken naar de uitkomst van het onderzoek van de afdeling Centrale Administratieve Processen Cluster inning van de Belastingdienst, ook wel het Landelijk incassocentrum genoemd (LIC). De werkwijze van het LIC houdt in dat per toeslagjaar wordt onderzocht of er aanwijzingen zijn dat een schriftelijk verzoek is ingediend voor een persoonlijke betalingsregeling of dat sprake is (geweest) van een MNSP-traject (minnelijke schuldregeling). Ontbreekt een dergelijk verzoek of wordt geen (indicatie van een) afwijzing daarvan aangetroffen, dan kwalificeert dat toeslagjaar niet als O/GS. Het LIC verricht hiervoor een breed bronnenonderzoek, waarbij niet alleen brieven maar ook interne notities, signalen en systeemregistraties worden geraadpleegd. Indien wél een afwijzing van een betalingsregeling of een MSNP-verzoek wordt gevonden, beoordeelt het LIC de reden van afwijzing. Niet iedere afwijzing is het gevolg van een O/GS-kwalificatie, bijvoorbeeld omdat er voldoende betalingscapaciteit bij de ouder was. De Dienst heeft ook het zoekdocument O/GS vaststelling overgelegd, waarin de zoekstappen door het LIC kort worden toegelicht. Het LIC rapporteert uitsluitend de conclusie van het onderzoek: wel of geen O/GS.
2.10.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de Dienst niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft toegestuurd. Uit het door de Dienst overgelegde screenshot van één van zijn systemen blijkt dat onder het BSN van eiseres geen sprake is van een O/GS kwalificatie. In het geval van eiseres is namelijk niets aangetroffen wat erop wijst dat een persoonlijke betalingsregeling is aangevraagd die is geweigerd vanwege een O/GS-kwalificatie. De rechtbank ziet niet in wat de Dienst meer had kunnen overleggen om hier inzicht in te verschaffen.
2.11.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te oordelen dat de Dienst had moeten concluderen dat er concrete aanwijzingen waren die aanleiding gaven tot twijfel aan de conclusie van het LIC. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de Dienst in beginsel mag uitgaan van de gegevens van het LIC. Eiseres heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat de Dienst hier niet van kon uitgaan. Zo heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij een persoonlijke betalingsregeling heeft aangevraagd en dat die zou zijn geweigerd, vanwege een O/GS kwalificatie. In tegendeel, uit het betaal- en verrekenoverzicht van 2010 volgt dat eiseres het terugvorderingsbedrag in meer dan 24-maandelijkse termijnen heeft betaald wat wijst op een persoonlijke betalingsregeling.
Overschrijding redelijke termijn
2.12.
Eiseres vindt dat zij recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.
2.13.
Met betrekking tot de overschrijding van de redelijk termijn overweegt de rechtbank dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in zaken in eerste aanleg in beginsel niet overschreden is als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
2.14.
De redelijke termijn begon in deze zaak te lopen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 19 juli 2024. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn (afgerond naar boven) 25 maanden verstreken. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn dus met ongeveer een maand overschreden. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling in bezwaar door de Dienst vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 19 juli 2024 tot het bestreden besluit van 18 maart 2026 ongeveer 20 maanden geduurd. De duur van een half jaar die voor de behandeling van het bezwaar redelijk wordt geacht, is daarmee met 14 maanden overschreden. Eiseres heeft op 22 april 2026 beroep ingesteld. De rechtbank heeft vervolgens binnen de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar uitspraak gedaan op het beroep van eiseres. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig voor rekening van de Dienst komt. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Eiseres heeft dus recht op
€ 500,-.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
het beroep ongegrond;
veroordeelt de Dienst tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1 van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 96.
Uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1700, r.o. 4.1.
Artikel 2.6, eerste lid, van de Wht.
Artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 13 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4174, r.o. 20.
Uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5087, r.o. 7.3 en uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 17 april 2026, ECLIL:NL:RBMNE:2026:2782, r.o. 21.