Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5401
2026-08-12
Civiel recht
12141644 \ UC EXPL 26-2279
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Volgens eiser bestaat tussen haar en gedaagde een overeenkomst op grond waarvan zij verplicht was om voor gedaagde een bedrijfsadvertentie in een door haar gedrukt tijdschrift te plaatsen (hierna: de overeenkomst). Eiser stelt die werkzaamheden te hebben verricht en vordert nu betaling daarvan van gedaagde. Gedaagde is het daar niet mee eens; zij betwist het bestaan van de overeenkomst. De kantonrechter zal de vordering van eiser geheel afwijzen, omdat niet is komen vast te staan dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:1968:AB6642 Hoge Raad 01-03-1968
- ECLI:NL:HR:2001:AA9429 Hoge Raad 12-01-2001
- ECLI:NL:HR:2010:BK7671 Hoge Raad 19-02-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.155 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12141644 \ UC EXPL 26-2279
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap [eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: P.G. Keurntjes,
tegen
de besloten vennootschap [gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding;
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 18 maart 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 9 juli 2026. [eiseres] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen [A] . Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2De kern van de zaak
2.1.
Volgens [eiseres] bestaat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst op grond waarvan zij verplicht was om voor [gedaagde] een bedrijfsadvertentie in een door haar gedrukt tijdschrift te plaatsen (hierna: de overeenkomst). [eiseres] stelt die werkzaamheden te hebben verricht en vordert nu betaling daarvan van [gedaagde] . [gedaagde] is het daar niet mee eens; zij betwist het bestaan van de overeenkomst. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] geheel afwijzen, omdat niet is komen vast te staan dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten. Dit zal hieronder worden uitgelegd.
3De beoordeling
Tussen partijen is geen overeenkomst tot stand gekomen
3.1.
In de wet is bepaald dat een overeenkomst tot stand komt wanneer de ene partij een aanbod doet en de andere partij dat aanbod aanvaardt. Daarvoor is van belang dat tussen partijen wilsovereenstemming bestaat. Om na te gaan of daarvan sprake is, zal gekeken moeten worden naar de verklaringen en gedragingen die partijen naar elkaar hebben geuit, de betekenis die partijen daaraan mochten toekennen en wat zij in dat verband van elkaar mochten verwachten.
3.2.
Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] aangevoerd dat een medewerker van haar heeft gebeld met [B] en dat er in dat telefoongesprek een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiseres] en [gedaagde] . Volgens [eiseres] heeft [B] namelijk het aanbod van haar aanvaard om een bedrijfsadvertentie in een door haar gedrukt tijdschrift te plaatsen en heeft [B] dit namens [gedaagde] gedaan. [B] was een ‘compagnon’ van [gedaagde] en kon dat daarom ook doen. Partijen hebben dus wilsovereenstemming bereikt voor het sluiten van een overeenkomst. [eiseres] heeft gewezen op (niet overgelegde) gespreksverslagen waaruit zou volgen dat met [B] is gesproken over de publicatie van een bedrijfsadvertentie in een agrarisch dagblad, waarbij hij zou hebben aangegeven dat de factuur op naam van [gedaagde] moest komen onder vermelding van de naam ‘ [handelsnaam] ’.
[B] was niet bevoegd om op te treden namens [gedaagde]
3.3.
Niet is duidelijk geworden hoe het telefonische contact tussen [eiseres] en [B] precies tot stand is gekomen. Wel is door [A] , namens [gedaagde] , erkend dat het telefoongesprek tussen [eiseres] en [B] heeft plaatsgevonden. [A] heeft daarbij echter weersproken dat [B] bevoegd was om namens [gedaagde] op te treden. [B] had namelijk geen enkele zeggenschap binnen [gedaagde] . Een overeenkomst met [gedaagde] kan volgens [A] dus ook niet tot stand zijn gekomen, omdat er geen wilsovereenstemming is bereikt.
3.4.
Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [A] enig bestuurder is, en altijd is geweest, van [gedaagde] . Dit heeft [eiseres] niet weersproken. Dat betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat [B] niet namens [gedaagde] een door [eiseres] gedaan aanbod kon aanvaarden. Hij was daartoe simpelweg niet bevoegd. Dit leidt ertoe dat er in beginsel geen overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] tot stand kan zijn gekomen.
Niet is gebleken van enige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
3.5.
Indien bij [eiseres] de schijn is gewekt dat door [gedaagde] een toereikende volmacht aan [B] was verleend, kan een rechtshandeling van [B] [gedaagde] alsnog binden. De schijn van bevoegde vertegenwoordiging kan zijn gewekt als [gedaagde] de wil daartoe op een of andere manier heeft laten blijken. Dat kan rechtstreeks zijn, maar kan ook worden afgeleid uit de gedragingen van [gedaagde] in combinatie met wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is. Dit gewekte vertrouwen kan onder omstandigheden ook volgen uit een ‘niet-doen’. Tot slot kan hier ook sprake van zijn indien het gerechtvaardigd vertrouwen van [eiseres] is gebaseerd op feiten en omstandigheden die voor risico van [gedaagde] komen.
3.6.
De kantonrechter is van oordeel dat er zich geen omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan [eiseres] heeft mogen afleiden dat [B] bevoegd was om namens [gedaagde] te handelen. Van gewekte schijn van vertegenwoordiging is dan ook geen sprake. Dit zal hieronder worden uitgelegd.
3.7.
Vaststaat dat [eiseres] een bedrijfsadvertentie in een agrarisch dagblad heeft geplaatst en dat deze advertentie zag op het geven van besparingsadvies met betrekking tot geleverde energie uit zonnepanelen. [eiseres] heeft de geplaatste bedrijfsadvertentie op de mondelinge behandeling overgelegd en daarbij toegelicht dat deze destijds kant en klaar door [B] is aangeleverd, waarna deze ongewijzigd in het agrarische dagblad is geplaatst. [A] acht die handelswijze aannemelijk.
3.8.
Op de orderbevestiging die [eiseres] vervolgens aan [gedaagde] heeft toegezonden, is als klantreferentie opgenomen ‘ [B] ’ en wordt de opdracht bevestigd ‘zoals afgesproken’. Van vermelding van de naam ‘ [handelsnaam] ’ op de orderbevestiging, zoals [eiseres] telefonisch door [B] zou zijn verzocht, is echter geen sprake. Vaststaat dat [A] naar aanleiding van de toegezonden orderbevestiging geen actie heeft ondernomen. Dit kwam volgens [A] doordat hij de orderbevestiging nooit heeft gezien. [A] stelt daarmee pas voor het eerst bekend te zijn geraakt in deze procedure. De aanmaningen die [eiseres] nadien heeft toegezonden aan [A] heeft hij wel ontvangen, maar daar heeft hij niets mee gedaan. Als reden daarvoor geeft [A] dat er (ditmaal wel) werd gerefereerd aan de naam ‘ [handelsnaam] ’, door het e-mailadres ‘ [emailadres] .nl’ bovenaan op de aanmaning te vermelden. Weliswaar heeft [A] in het verleden een handelsnaam ‘ [handelsnaam] ’ gevoerd en is die handelsnaam – zo heeft [A] op de mondelinge behandeling verklaard – later door [B] overgenomen, betreft dit volgens hem een andere onderneming waar hij niet meer bij betrokken is. Ook zou het gaan om een onderneming met wezenlijk andere werkzaamheden, namelijk de verkoop van batterijen voor opslag van energie: iets dat [B] heeft voortgezet en waar [A] mee is gestopt. Volgens [A] houdt hij zich momenteel slechts nog bezig met advisering. Geconfronteerd met de inhoud van de bedrijfsadvertentie, heeft [A] ook desgevraagd verklaard dat de daarin genoemde website ‘ [website] .nl’ en het e-mailadres ‘ [emailadres] .nl’ niet van hem zijn. Dit alles heeft [eiseres] niet weersproken.
3.9.
De kantonrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er vanuit [gedaagde] geen handelingen of gedragingen hebben plaatsgevonden die de schijn van bevoegde vertegenwoordiging door [B] kunnen hebben gewekt. Al het contact met betrekking tot het plaatsen van de bedrijfsadvertentie is via [B] verlopen, waarbij [eiseres] enkel bij [gedaagde] terecht is gekomen doordat [B] die naam aan een medewerker van haar aan de telefoon zou hebben genoemd. Dat is onvoldoende om van een gewekte schijn van bevoegde vertegenwoordiging uit te gaan. Dat [B] momenteel en [A] in het verleden eenzelfde handelsnaam hebben gevoerd, namelijk ‘ [handelsnaam] ’, is hiervoor eveneens onvoldoende. Temeer omdat niet door [eiseres] is weersproken dat het gaat om verschillende ondernemingen en de inhoud van de bedrijfsadvertentie en de daarin genoemde contactgegevens eerder op de (voortgezette) bedrijfsvoering van [B] onder de naam ‘ [handelsnaam] ’ wijst, dan op de adviseringswerkzaamheden die [A] verricht. Dat er volgens [eiseres] ook met de in de bedrijfsadvertentie genoemde werkzaamheden een link valt te maken met enige vorm van ‘advisering’, waar [A] zich op richt, is onvoldoende toegelicht en leidt daarom ook niet tot een andere uitkomst. De omstandigheid dat [A] ook geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van de toegezonden orderbevestiging en aanmaningen, kan er in dit geval ook niet toe bijdragen dat vertrouwen bij [eiseres] zou zijn gewekt. Gelet op de door [A] gegeven toelichting op de mondelinge behandeling, is de reden voor zijn niet-handelen verklaarbaar en navolgbaar.
Conclusie
3.10.
Met deze uitkomst kan in het midden worden gelaten wat precies tussen [eiseres] en [B] in het telefoongesprek is besproken en of dat tot een aanvaarding van het aanbod van [eiseres] heeft geleid. Wegens het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij [B] , kon er namelijk geen wilsovereenstemming worden bereikt tussen [eiseres] en [gedaagde] . Daardoor staat vast dat er tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. De vorderingen van [eiseres] zullen daarom worden afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.11.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat [eiseres] haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten van [gedaagde] aan haar moet betalen. [A] is namens [gedaagde] op de mondelinge behandeling verschenen om in persoon te procederen. Er worden daarom zogenoemde verletkosten begroot, omdat hij daardoor (mogelijk) inkomsten is misgelopen. De proceskosten van [A] worden begroot op € 50,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).
Het vonnis zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.12.
De veroordeling van [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde] wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat niet heeft gevraagd.
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de kosten; [eiseres] moet de proceskosten van [gedaagde] van € 50,00 betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
LHJ/63796
Zie artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Deze gespreksverslagen zijn op de mondelinge behandeling door [eiseres] aangeboden, waartegen [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt. De kantonrechter heeft de gespreksverslagen vanwege de late indiening, terwijl ze wel eerder voorhanden waren, niet toegelaten.
Verwezen wordt naar artikel 3:61 lid 2 BW.
HR 1 maart 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6642 en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429.
HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, NJ 2010/115 (ING/Bera).
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12141644 \ UC EXPL 26-2279
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap [eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: P.G. Keurntjes,
tegen
de besloten vennootschap [gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding;
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 18 maart 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 9 juli 2026. [eiseres] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen [A] . Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2De kern van de zaak
2.1.
Volgens [eiseres] bestaat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst op grond waarvan zij verplicht was om voor [gedaagde] een bedrijfsadvertentie in een door haar gedrukt tijdschrift te plaatsen (hierna: de overeenkomst). [eiseres] stelt die werkzaamheden te hebben verricht en vordert nu betaling daarvan van [gedaagde] . [gedaagde] is het daar niet mee eens; zij betwist het bestaan van de overeenkomst. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] geheel afwijzen, omdat niet is komen vast te staan dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten. Dit zal hieronder worden uitgelegd.
3De beoordeling
Tussen partijen is geen overeenkomst tot stand gekomen
3.1.
In de wet is bepaald dat een overeenkomst tot stand komt wanneer de ene partij een aanbod doet en de andere partij dat aanbod aanvaardt. Daarvoor is van belang dat tussen partijen wilsovereenstemming bestaat. Om na te gaan of daarvan sprake is, zal gekeken moeten worden naar de verklaringen en gedragingen die partijen naar elkaar hebben geuit, de betekenis die partijen daaraan mochten toekennen en wat zij in dat verband van elkaar mochten verwachten.
3.2.
Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] aangevoerd dat een medewerker van haar heeft gebeld met [B] en dat er in dat telefoongesprek een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiseres] en [gedaagde] . Volgens [eiseres] heeft [B] namelijk het aanbod van haar aanvaard om een bedrijfsadvertentie in een door haar gedrukt tijdschrift te plaatsen en heeft [B] dit namens [gedaagde] gedaan. [B] was een ‘compagnon’ van [gedaagde] en kon dat daarom ook doen. Partijen hebben dus wilsovereenstemming bereikt voor het sluiten van een overeenkomst. [eiseres] heeft gewezen op (niet overgelegde) gespreksverslagen waaruit zou volgen dat met [B] is gesproken over de publicatie van een bedrijfsadvertentie in een agrarisch dagblad, waarbij hij zou hebben aangegeven dat de factuur op naam van [gedaagde] moest komen onder vermelding van de naam ‘ [handelsnaam] ’.
[B] was niet bevoegd om op te treden namens [gedaagde]
3.3.
Niet is duidelijk geworden hoe het telefonische contact tussen [eiseres] en [B] precies tot stand is gekomen. Wel is door [A] , namens [gedaagde] , erkend dat het telefoongesprek tussen [eiseres] en [B] heeft plaatsgevonden. [A] heeft daarbij echter weersproken dat [B] bevoegd was om namens [gedaagde] op te treden. [B] had namelijk geen enkele zeggenschap binnen [gedaagde] . Een overeenkomst met [gedaagde] kan volgens [A] dus ook niet tot stand zijn gekomen, omdat er geen wilsovereenstemming is bereikt.
3.4.
Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [A] enig bestuurder is, en altijd is geweest, van [gedaagde] . Dit heeft [eiseres] niet weersproken. Dat betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat [B] niet namens [gedaagde] een door [eiseres] gedaan aanbod kon aanvaarden. Hij was daartoe simpelweg niet bevoegd. Dit leidt ertoe dat er in beginsel geen overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] tot stand kan zijn gekomen.
Niet is gebleken van enige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
3.5.
Indien bij [eiseres] de schijn is gewekt dat door [gedaagde] een toereikende volmacht aan [B] was verleend, kan een rechtshandeling van [B] [gedaagde] alsnog binden. De schijn van bevoegde vertegenwoordiging kan zijn gewekt als [gedaagde] de wil daartoe op een of andere manier heeft laten blijken. Dat kan rechtstreeks zijn, maar kan ook worden afgeleid uit de gedragingen van [gedaagde] in combinatie met wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is. Dit gewekte vertrouwen kan onder omstandigheden ook volgen uit een ‘niet-doen’. Tot slot kan hier ook sprake van zijn indien het gerechtvaardigd vertrouwen van [eiseres] is gebaseerd op feiten en omstandigheden die voor risico van [gedaagde] komen.
3.6.
De kantonrechter is van oordeel dat er zich geen omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan [eiseres] heeft mogen afleiden dat [B] bevoegd was om namens [gedaagde] te handelen. Van gewekte schijn van vertegenwoordiging is dan ook geen sprake. Dit zal hieronder worden uitgelegd.
3.7.
Vaststaat dat [eiseres] een bedrijfsadvertentie in een agrarisch dagblad heeft geplaatst en dat deze advertentie zag op het geven van besparingsadvies met betrekking tot geleverde energie uit zonnepanelen. [eiseres] heeft de geplaatste bedrijfsadvertentie op de mondelinge behandeling overgelegd en daarbij toegelicht dat deze destijds kant en klaar door [B] is aangeleverd, waarna deze ongewijzigd in het agrarische dagblad is geplaatst. [A] acht die handelswijze aannemelijk.
3.8.
Op de orderbevestiging die [eiseres] vervolgens aan [gedaagde] heeft toegezonden, is als klantreferentie opgenomen ‘ [B] ’ en wordt de opdracht bevestigd ‘zoals afgesproken’. Van vermelding van de naam ‘ [handelsnaam] ’ op de orderbevestiging, zoals [eiseres] telefonisch door [B] zou zijn verzocht, is echter geen sprake. Vaststaat dat [A] naar aanleiding van de toegezonden orderbevestiging geen actie heeft ondernomen. Dit kwam volgens [A] doordat hij de orderbevestiging nooit heeft gezien. [A] stelt daarmee pas voor het eerst bekend te zijn geraakt in deze procedure. De aanmaningen die [eiseres] nadien heeft toegezonden aan [A] heeft hij wel ontvangen, maar daar heeft hij niets mee gedaan. Als reden daarvoor geeft [A] dat er (ditmaal wel) werd gerefereerd aan de naam ‘ [handelsnaam] ’, door het e-mailadres ‘ [emailadres] .nl’ bovenaan op de aanmaning te vermelden. Weliswaar heeft [A] in het verleden een handelsnaam ‘ [handelsnaam] ’ gevoerd en is die handelsnaam – zo heeft [A] op de mondelinge behandeling verklaard – later door [B] overgenomen, betreft dit volgens hem een andere onderneming waar hij niet meer bij betrokken is. Ook zou het gaan om een onderneming met wezenlijk andere werkzaamheden, namelijk de verkoop van batterijen voor opslag van energie: iets dat [B] heeft voortgezet en waar [A] mee is gestopt. Volgens [A] houdt hij zich momenteel slechts nog bezig met advisering. Geconfronteerd met de inhoud van de bedrijfsadvertentie, heeft [A] ook desgevraagd verklaard dat de daarin genoemde website ‘ [website] .nl’ en het e-mailadres ‘ [emailadres] .nl’ niet van hem zijn. Dit alles heeft [eiseres] niet weersproken.
3.9.
De kantonrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er vanuit [gedaagde] geen handelingen of gedragingen hebben plaatsgevonden die de schijn van bevoegde vertegenwoordiging door [B] kunnen hebben gewekt. Al het contact met betrekking tot het plaatsen van de bedrijfsadvertentie is via [B] verlopen, waarbij [eiseres] enkel bij [gedaagde] terecht is gekomen doordat [B] die naam aan een medewerker van haar aan de telefoon zou hebben genoemd. Dat is onvoldoende om van een gewekte schijn van bevoegde vertegenwoordiging uit te gaan. Dat [B] momenteel en [A] in het verleden eenzelfde handelsnaam hebben gevoerd, namelijk ‘ [handelsnaam] ’, is hiervoor eveneens onvoldoende. Temeer omdat niet door [eiseres] is weersproken dat het gaat om verschillende ondernemingen en de inhoud van de bedrijfsadvertentie en de daarin genoemde contactgegevens eerder op de (voortgezette) bedrijfsvoering van [B] onder de naam ‘ [handelsnaam] ’ wijst, dan op de adviseringswerkzaamheden die [A] verricht. Dat er volgens [eiseres] ook met de in de bedrijfsadvertentie genoemde werkzaamheden een link valt te maken met enige vorm van ‘advisering’, waar [A] zich op richt, is onvoldoende toegelicht en leidt daarom ook niet tot een andere uitkomst. De omstandigheid dat [A] ook geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van de toegezonden orderbevestiging en aanmaningen, kan er in dit geval ook niet toe bijdragen dat vertrouwen bij [eiseres] zou zijn gewekt. Gelet op de door [A] gegeven toelichting op de mondelinge behandeling, is de reden voor zijn niet-handelen verklaarbaar en navolgbaar.
Conclusie
3.10.
Met deze uitkomst kan in het midden worden gelaten wat precies tussen [eiseres] en [B] in het telefoongesprek is besproken en of dat tot een aanvaarding van het aanbod van [eiseres] heeft geleid. Wegens het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij [B] , kon er namelijk geen wilsovereenstemming worden bereikt tussen [eiseres] en [gedaagde] . Daardoor staat vast dat er tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. De vorderingen van [eiseres] zullen daarom worden afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.11.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat [eiseres] haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten van [gedaagde] aan haar moet betalen. [A] is namens [gedaagde] op de mondelinge behandeling verschenen om in persoon te procederen. Er worden daarom zogenoemde verletkosten begroot, omdat hij daardoor (mogelijk) inkomsten is misgelopen. De proceskosten van [A] worden begroot op € 50,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).
Het vonnis zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.12.
De veroordeling van [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde] wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat niet heeft gevraagd.
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de kosten; [eiseres] moet de proceskosten van [gedaagde] van € 50,00 betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
LHJ/63796
Zie artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Deze gespreksverslagen zijn op de mondelinge behandeling door [eiseres] aangeboden, waartegen [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt. De kantonrechter heeft de gespreksverslagen vanwege de late indiening, terwijl ze wel eerder voorhanden waren, niet toegelaten.
Verwezen wordt naar artikel 3:61 lid 2 BW.
HR 1 maart 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6642 en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429.
HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, NJ 2010/115 (ING/Bera).