Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5390
2026-07-27
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
12081193 UM VERZ 26-703
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wahv, geen verlaging boete uit 2025, geen strijd met het evenredigheidsbeginsel. Deze kantonrechter sluit niet aan bij de uitspraken van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 en ECLI:NL:RBMNE:2026:3708) waarin de verhogingen van de boetebedragen uit 2024 en 2025 onverbindend zijn verklaard.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 Rechtbank Midden-Nederland 30-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3708 Rechtbank Midden-Nederland 30-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3945 Rechtbank Midden-Nederland 03-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.441 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 12081193 UM VERZ 26-703
CJIB-nummer: 272297046
beslissing van de kantonrechter van 27 juli 2026 en proces-verbaal van de zitting van 13 juli 2026
inzake
[betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: Adviesbureau Skandara.
Procesverloop
Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 120,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 21 februari 2025 om 20:24 uur te IJsselstein, Oranje Nassaulaan met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 13 juli 2026 hun zienswijze nader toe te lichten. Namens betrokkene is gemachtigde. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.
Standpunten
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat het volgende aangevoerd:
- de gedraging is niet verricht.
- het sanctiebedrag is onevenredig hoog.
- er wordt om een proceskostenvergoeding verzocht.
In aanvulling op het beroepschrift heeft gemachtigde ter zitting toegelicht dat het sanctiebedrag onevenredig hoog is.
De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is. Op basis van de uiterlijke verschijningsvormen is duidelijk te zien dat het geen fietsbaan of rijbaan betreft.
Beoordeling
De kantonrechter stelt vast dat de gedraging is verricht en overweegt daartoe als volgt.
In zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
De verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht vermeldt: “Ik zag toen dat daar het aan de bovengenoemde voertuig, als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken door geparkeerd te staan op het trottoir. Ik zag namelijk dat dit voertuig zijnde een motorvoertuig geparkeerd stond op een trottoir en na een wachttijd van 10 minuten geen laad- en losactiviteiten plaatsvond en geen passagiers direct in- en uitstappen.
Ik zag namelijk dat er geen bestuurder van het motorvoertuig aanwezig was.”
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht. Daarbij wordt overwogen dat uit de verklaring van verbalisant en de foto’s in het brondocument blijkt dat het voertuig van betrokkene op het trottoir stond en dus geen gebruik maakte van de rijbaan.
De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het boetebedrag van € 120,00 onevenredig hoog is. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. Met ingang van 1 februari 2025 zijn de boetebedragen verder verhoogd met (afgerond) 3,2%. De algemene maatregelen van bestuur die aan deze verhogingen ten grondslag liggen, zijn door een andere kantonrechter van deze rechtbank getoetst in de uitspraken van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 en ECLI:NL:RBMNE:2026:3708). In deze uitspraken is geoordeeld dat de verhogingen onverbindend zijn, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Deze kantonrechter sluit zich niet aan bij het oordeel uit de uitspraak van 30 juni 2026. De kantonrechter oordeelt dat de beslissingsruimte die de ministers van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat bij het vaststellen van de boetebedragen hebben zodanig is, dat niet kan worden gezegd dat de boetebedragen sinds 1 maart 2024 zó hoog zijn, dat de nadelige gevolgen daarvan voor verkeersovertreders onevenredig zijn in verhouding tot de belangen van het verzekeren van de verkeersveiligheid en het voorkomen van verkeersovertredingen. Ook in de omstandigheden van deze zaak ziet de kantonrechter geen aanleiding om de sanctie op nihil te stellen of te matigen. Het sanctiebedrag dat gold op het moment dat de gedraging werd begaan, staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van deze gedraging. De kantonrechter verwijst daarbij naar de uitspraak van 3 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3945). Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet.
In wat betrokkene verder nog heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter ook geen grond voor het oordeel dat de bestreden beslissing van de officier van justitie onrechtmatig is.
Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal de kantonrechter het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.
Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.
Beslissing
De kantonrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Deze beslissing is genomen door mr. V.C. Jorna, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
B. Steenbeek mr. V.C. Jorna
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal:
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 12081193 UM VERZ 26-703
CJIB-nummer: 272297046
beslissing van de kantonrechter van 27 juli 2026 en proces-verbaal van de zitting van 13 juli 2026
inzake
[betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: Adviesbureau Skandara.
Procesverloop
Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 120,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 21 februari 2025 om 20:24 uur te IJsselstein, Oranje Nassaulaan met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 13 juli 2026 hun zienswijze nader toe te lichten. Namens betrokkene is gemachtigde. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.
Standpunten
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat het volgende aangevoerd:
- de gedraging is niet verricht.
- het sanctiebedrag is onevenredig hoog.
- er wordt om een proceskostenvergoeding verzocht.
In aanvulling op het beroepschrift heeft gemachtigde ter zitting toegelicht dat het sanctiebedrag onevenredig hoog is.
De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is. Op basis van de uiterlijke verschijningsvormen is duidelijk te zien dat het geen fietsbaan of rijbaan betreft.
Beoordeling
De kantonrechter stelt vast dat de gedraging is verricht en overweegt daartoe als volgt.
In zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
De verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht vermeldt: “Ik zag toen dat daar het aan de bovengenoemde voertuig, als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken door geparkeerd te staan op het trottoir. Ik zag namelijk dat dit voertuig zijnde een motorvoertuig geparkeerd stond op een trottoir en na een wachttijd van 10 minuten geen laad- en losactiviteiten plaatsvond en geen passagiers direct in- en uitstappen.
Ik zag namelijk dat er geen bestuurder van het motorvoertuig aanwezig was.”
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht. Daarbij wordt overwogen dat uit de verklaring van verbalisant en de foto’s in het brondocument blijkt dat het voertuig van betrokkene op het trottoir stond en dus geen gebruik maakte van de rijbaan.
De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het boetebedrag van € 120,00 onevenredig hoog is. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. Met ingang van 1 februari 2025 zijn de boetebedragen verder verhoogd met (afgerond) 3,2%. De algemene maatregelen van bestuur die aan deze verhogingen ten grondslag liggen, zijn door een andere kantonrechter van deze rechtbank getoetst in de uitspraken van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 en ECLI:NL:RBMNE:2026:3708). In deze uitspraken is geoordeeld dat de verhogingen onverbindend zijn, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Deze kantonrechter sluit zich niet aan bij het oordeel uit de uitspraak van 30 juni 2026. De kantonrechter oordeelt dat de beslissingsruimte die de ministers van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat bij het vaststellen van de boetebedragen hebben zodanig is, dat niet kan worden gezegd dat de boetebedragen sinds 1 maart 2024 zó hoog zijn, dat de nadelige gevolgen daarvan voor verkeersovertreders onevenredig zijn in verhouding tot de belangen van het verzekeren van de verkeersveiligheid en het voorkomen van verkeersovertredingen. Ook in de omstandigheden van deze zaak ziet de kantonrechter geen aanleiding om de sanctie op nihil te stellen of te matigen. Het sanctiebedrag dat gold op het moment dat de gedraging werd begaan, staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van deze gedraging. De kantonrechter verwijst daarbij naar de uitspraak van 3 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3945). Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet.
In wat betrokkene verder nog heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter ook geen grond voor het oordeel dat de bestreden beslissing van de officier van justitie onrechtmatig is.
Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal de kantonrechter het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.
Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.
Beslissing
De kantonrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Deze beslissing is genomen door mr. V.C. Jorna, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
B. Steenbeek mr. V.C. Jorna
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal: