Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5372
2026-06-30
Bestuursrecht
UTR 25/7059-T
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WHT. Tussenuitspraak. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom eiseres niet als gedupeerde kan worden aangemerkt, terwijl haar zoon in aanmerking is gekomen voor de kindregeling. Verweerder krijgt de gelegenheid om het zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek te herstellen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1581 Rechtbank Midden-Nederland 24-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2016:282 Raad van State 10-02-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.139 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7059 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2013, omdat niet uit de systemen blijkt dat eiseres een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft ingediend.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de hoorplicht is geschonden, maar passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank komt verder tot het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel bij het afwijzen van de aanvraag en stelt verweerder in de gelegenheid de gebreken te herstellen.
Procesverloop
2. Eiseres heeft zich aangemeld als gedupeerde ouder in de toeslagenaffaire en heeft verzocht om compensatie in het kader van de Wht. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en bij besluit van 24 augustus 2022 aangegeven dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van de lichte toets. Eiseres krijgt dus geen € 30.000,-.
2.1.
Na de lichte toets voert verweerder nog een integrale herbeoordeling uit, waarbij nogmaals wordt gekeken of eiseres een gedupeerde is van de toeslagenaffaire en daardoor in aanmerking komt voor compensatie. Met het primaire besluit van 28 april 2023 heeft verweerder een definitieve beschikking genomen. Hierbij is eiseres niet als gedupeerde aangemerkt, waardoor zij geen recht heeft op compensatie. Volgens verweerder heeft eiseres namelijk nooit kinderopvangtoeslag aangevraagd.
2.2.
Met het bestreden besluit van 28 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 6 januari 2026 aanvullende gronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 19 mei 2026 behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?
3. Eiseres is van mening dat geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat verweerder om die reden niet had mogen afzien van een hoorzitting. Daarbij wijst eiseres op de stukken die zijn overgelegd met betrekking tot haar zoon, die wel als slachtoffer is erkend, in samenhang met de stukken rondom het faillissement van (het kinderdagverblijf van) eiseres.
3.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Omdat eiseres nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, komt zij niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Verweerder geeft aan dat er geen informatie beschikbaar is of door eiseres is aangevoerd om tot een andersluidend besluit te komen. Verweerder verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 24 maart 2026, waarin is geoordeeld dat verweerder mocht afzien van horen.
3.2.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Een bestuursorgaan stelt belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord, voordat het beslist op een bezwaar. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Uit het ontbreken van informatie over een aanvraag kinderopvangtoeslag in de relevante periode heeft verweerder ten onrechte de conclusie getrokken dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Eiseres had die informatie immers tijdens een hoorzitting alsnog kunnen verstrekken, in welk geval verweerder mogelijk een ander besluit had genomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het feit dat de zoon van eiseres in aanmerking is gekomen voor de kindregeling een aanwijzing had kunnen zijn waaruit volgt dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd of ontvangen. In haar reactie op het voornemen geen hoorzitting te laten plaatsvinden, heeft eiseres op deze bijzondere omstandigheid gewezen. De rechtbank zal dit verderop in deze uitspraak nog nader toelichten. In zoverre verschilt de situatie van eiseres dan ook met de situatie in de uitspraak van 24 maart 2026.
3.4.
De rechtbank overweegt verder dat eiseres in de beroepsprocedure alles naar voren heeft kunnen brengen wat zij over deze zaak wilde zeggen. De rechtbank zal het gebrek in de besluitvorming daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiseres heeft wel recht op een proceskostenvergoeding en een vergoeding van het griffierecht.
Heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel?
4. Eiseres voert aan dat uit het dossier niet eenduidig blijkt dat er geen kinderopvangtoeslag is aangevraagd voor haar kind, al dan niet door haar ex-(toeslag)partner, door de verschillende blijf-van-mijn-lijfhuizen waar eiseres vanaf 2005 heeft verbleven of door haar bewindvoerder. Daarbij merkt eiseres op dat zij met een gastouderbureau niet als aanvrager kon optreden, omdat een ouder kinderopvangtoeslag werd geweigerd als de betreffende ouder zelf een gastouderbureau heeft. Haar zoon heeft gebruik gemaakt van een gastouderbureau, zodat uit het dossier in ieder geval zou moeten blijken dat kinderopvangtoeslag is aangevraagd dan wel dat het is geweigerd.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, ontvangen, of dat er kinderopvangtoeslag is teruggevorderd en/of verrekend is. Eiseres heeft geen tegenbewijs aangeleverd. Hierdoor heeft zij ook geen recht op compensatie.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat eiseres niet als gedupeerde kan worden aangemerkt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat eiseres is belast met het gezag van haar zoon. Op 30 november 2022 is vastgesteld dat haar zoon in aanmerking komt voor de kindregeling. Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. Op de zitting heeft verweerder hierover toegelicht dat een kind alleen in aanmerking komt voor de kindregeling indien de ouder als gedupeerde is aangemerkt. Hoe dat precies zit ten aanzien van eiseres en haar zoon, is verweerder onvoldoende duidelijk. Verweerder veronderstelt dat het een fout betreft, maar kan hierover enkel aannames doen. Eiseres weet het ook niet en heeft geen stukken om te reconstrueren hoe een en ander is verlopen. De blijf-van-mijn-lijfhuizen waar zij heeft gewoond, hebben geen stukken meer, haar ex-partner is overleden, evenals de curator die het faillissement van haar gastouderbureau heeft afgewikkeld en haar bewindvoerder.
4.4.
De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat uit de toelichting van verweerder blijkt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag waarom de zoon van eiseres wel in aanmerking is gekomen voor de kindregeling, terwijl volgens verweerder eiseres niet als gedupeerde kan worden aangemerkt. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met de verplichting de benodigde kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Er is ook sprake van een motiveringsgebrek, omdat het bestreden besluit gelet op voorgaande onvoldoende is onderbouwd. In zoverre slaagt de beroepsgrond.
Conclusie en gevolgen
5. Het bestreden besluit bevat een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, met intrekking van het nu bestreden besluit. Indien met het vergaren van alle informatie blijkt dat nog niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt, moet verweerder dit ook alsnog doen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
5.1.
Verweerder moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
5.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft beperkt tot de beroepsgronden zoals die zoals die zijn besproken op de zitting van 19 mei 2026. Daarbij merkt de rechtbank op dat gelet op de aard van de vastgestelde gebreken de beroepsgronden ten aanzien van de op de zaak betrekking hebbende stukken, de hardheidsclausule (en in dat kader de evenredigheid) pas in de einduitspraak zullen worden besproken.
5.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
ECLI:NL:RBMNE:2026:1581.
Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:282, r.o. 5.3.
Artikel 3:2 van de Awb.
Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7059 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2013, omdat niet uit de systemen blijkt dat eiseres een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft ingediend.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de hoorplicht is geschonden, maar passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank komt verder tot het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel bij het afwijzen van de aanvraag en stelt verweerder in de gelegenheid de gebreken te herstellen.
Procesverloop
2. Eiseres heeft zich aangemeld als gedupeerde ouder in de toeslagenaffaire en heeft verzocht om compensatie in het kader van de Wht. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en bij besluit van 24 augustus 2022 aangegeven dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van de lichte toets. Eiseres krijgt dus geen € 30.000,-.
2.1.
Na de lichte toets voert verweerder nog een integrale herbeoordeling uit, waarbij nogmaals wordt gekeken of eiseres een gedupeerde is van de toeslagenaffaire en daardoor in aanmerking komt voor compensatie. Met het primaire besluit van 28 april 2023 heeft verweerder een definitieve beschikking genomen. Hierbij is eiseres niet als gedupeerde aangemerkt, waardoor zij geen recht heeft op compensatie. Volgens verweerder heeft eiseres namelijk nooit kinderopvangtoeslag aangevraagd.
2.2.
Met het bestreden besluit van 28 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 6 januari 2026 aanvullende gronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 19 mei 2026 behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?
3. Eiseres is van mening dat geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat verweerder om die reden niet had mogen afzien van een hoorzitting. Daarbij wijst eiseres op de stukken die zijn overgelegd met betrekking tot haar zoon, die wel als slachtoffer is erkend, in samenhang met de stukken rondom het faillissement van (het kinderdagverblijf van) eiseres.
3.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Omdat eiseres nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, komt zij niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Verweerder geeft aan dat er geen informatie beschikbaar is of door eiseres is aangevoerd om tot een andersluidend besluit te komen. Verweerder verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 24 maart 2026, waarin is geoordeeld dat verweerder mocht afzien van horen.
3.2.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Een bestuursorgaan stelt belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord, voordat het beslist op een bezwaar. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Uit het ontbreken van informatie over een aanvraag kinderopvangtoeslag in de relevante periode heeft verweerder ten onrechte de conclusie getrokken dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Eiseres had die informatie immers tijdens een hoorzitting alsnog kunnen verstrekken, in welk geval verweerder mogelijk een ander besluit had genomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het feit dat de zoon van eiseres in aanmerking is gekomen voor de kindregeling een aanwijzing had kunnen zijn waaruit volgt dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd of ontvangen. In haar reactie op het voornemen geen hoorzitting te laten plaatsvinden, heeft eiseres op deze bijzondere omstandigheid gewezen. De rechtbank zal dit verderop in deze uitspraak nog nader toelichten. In zoverre verschilt de situatie van eiseres dan ook met de situatie in de uitspraak van 24 maart 2026.
3.4.
De rechtbank overweegt verder dat eiseres in de beroepsprocedure alles naar voren heeft kunnen brengen wat zij over deze zaak wilde zeggen. De rechtbank zal het gebrek in de besluitvorming daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiseres heeft wel recht op een proceskostenvergoeding en een vergoeding van het griffierecht.
Heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel?
4. Eiseres voert aan dat uit het dossier niet eenduidig blijkt dat er geen kinderopvangtoeslag is aangevraagd voor haar kind, al dan niet door haar ex-(toeslag)partner, door de verschillende blijf-van-mijn-lijfhuizen waar eiseres vanaf 2005 heeft verbleven of door haar bewindvoerder. Daarbij merkt eiseres op dat zij met een gastouderbureau niet als aanvrager kon optreden, omdat een ouder kinderopvangtoeslag werd geweigerd als de betreffende ouder zelf een gastouderbureau heeft. Haar zoon heeft gebruik gemaakt van een gastouderbureau, zodat uit het dossier in ieder geval zou moeten blijken dat kinderopvangtoeslag is aangevraagd dan wel dat het is geweigerd.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, ontvangen, of dat er kinderopvangtoeslag is teruggevorderd en/of verrekend is. Eiseres heeft geen tegenbewijs aangeleverd. Hierdoor heeft zij ook geen recht op compensatie.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat eiseres niet als gedupeerde kan worden aangemerkt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat eiseres is belast met het gezag van haar zoon. Op 30 november 2022 is vastgesteld dat haar zoon in aanmerking komt voor de kindregeling. Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. Op de zitting heeft verweerder hierover toegelicht dat een kind alleen in aanmerking komt voor de kindregeling indien de ouder als gedupeerde is aangemerkt. Hoe dat precies zit ten aanzien van eiseres en haar zoon, is verweerder onvoldoende duidelijk. Verweerder veronderstelt dat het een fout betreft, maar kan hierover enkel aannames doen. Eiseres weet het ook niet en heeft geen stukken om te reconstrueren hoe een en ander is verlopen. De blijf-van-mijn-lijfhuizen waar zij heeft gewoond, hebben geen stukken meer, haar ex-partner is overleden, evenals de curator die het faillissement van haar gastouderbureau heeft afgewikkeld en haar bewindvoerder.
4.4.
De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat uit de toelichting van verweerder blijkt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag waarom de zoon van eiseres wel in aanmerking is gekomen voor de kindregeling, terwijl volgens verweerder eiseres niet als gedupeerde kan worden aangemerkt. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met de verplichting de benodigde kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Er is ook sprake van een motiveringsgebrek, omdat het bestreden besluit gelet op voorgaande onvoldoende is onderbouwd. In zoverre slaagt de beroepsgrond.
Conclusie en gevolgen
5. Het bestreden besluit bevat een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, met intrekking van het nu bestreden besluit. Indien met het vergaren van alle informatie blijkt dat nog niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt, moet verweerder dit ook alsnog doen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
5.1.
Verweerder moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
5.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft beperkt tot de beroepsgronden zoals die zoals die zijn besproken op de zitting van 19 mei 2026. Daarbij merkt de rechtbank op dat gelet op de aard van de vastgestelde gebreken de beroepsgronden ten aanzien van de op de zaak betrekking hebbende stukken, de hardheidsclausule (en in dat kader de evenredigheid) pas in de einduitspraak zullen worden besproken.
5.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
ECLI:NL:RBMNE:2026:1581.
Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:282, r.o. 5.3.
Artikel 3:2 van de Awb.
Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb.