Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5365

2026-06-12 Bestuursrecht UTR 25/3705
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-06-12
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/3705
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WHT. Overname private schulden. Beroep ongegrond. Niet voldaan aan het vereiste van opeisbaarheid.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.814 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25/3705


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),


en


De minister van Financiën (de minister), verweerder
(gemachtigde: V.N. Giang).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor de overname van haar private schuld bij SVGA. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De minister mocht de overname van de schuld bij SVGA afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Op 5 april 2024 heeft eiseres haar schuld bij SVGA aangemeld bij Sociale Banken Nederland (SBN) met het verzoek om overname van haar schuld.



2.1.
De SBN heeft deze aanvraag met het besluit van 17 januari 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met de beslissing op het bezwaar van eiseres van 6 mei 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing gebleven.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 18 juni 2025, 31 juli 2025 en 9 maart 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 20 maart 2026. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank



Het toetsingskader


3. In artikel 4.3, gelezen in samenhang met artikel 4.1, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is bepaald onder welke voorwaarden een al afgeloste schuld voor compensatie in aanmerking komt. Uit deze bepalingen volgt dat in de onderhavige zaak moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de schuld is ontstaan na 31 december 2005;
b. de schuld was vóór 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. de schuld en kosten zijn voldaan na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.


Op eiseres rust de bewijslast aannemelijk te maken dat de schuld aan de hiervoor aangehaalde voorwaarden voldoet.




De schuld van eiseres bij haar moeder


4. Op de zitting hebben partijen afspraken gemaakt over de behandeling van het bezwaar tegen de afwijzing van de overname van de schuld van eiseres bij haar moeder. Verweerder gaat buiten deze procedure om het bezwaar in behandeling nemen. Deze afspraken zijn bevestigd in het verkort proces-verbaal van 20 maart 2026. De rechtbank zal het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel en het beroep op het verbod van willekeur ten aanzien van de schuld bij haar moeder daarom niet meer bespreken in deze uitspraak.



De schuld van eiseres bij SVGA


5. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte haar schuld bij SVGA niet overneemt. Eiseres heeft recht op de betaling van deze schuld door verweerder, omdat zij voldoet aan de voorwaarden. Daarnaast doet eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij is van mening dat zij erop mocht vertrouwen dat haar schuld overgenomen zou worden, omdat SBN heeft aangegeven dat schulden waarvoor schriftelijk bewijs bestaat in aanmerking komen voor terugbetaling. Verder is eiseres van mening dat de besluitvorming onzorgvuldig is. Verweerder heeft namelijk ten onrechte geen kennis genomen van de salarisstroken en eiseres een kans moeten bieden om deze stukken in te dienen.



De zorgvuldigheid van het bestreden besluit



5.1.
De rechtbank overweegt dat het procesdossier geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder eiseres zowel voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit als in de bezwaarfase uitdrukkelijk om nader bewijs heeft verzocht en hierbij heeft aangegeven welke gegevens hij nog wenst te ontvangen. Anders dan eiseres betoogt, was verweerder niet gehouden eiseres actiever te begeleiden in haar bewijsvoering. Het is immers aan eiseres om na te gaan hoe zij haar standpunt wenst te onderbouwen en desgewenst elders advies in te winnen. Verweerder was evenmin gehouden eiseres nog een keer in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken aan te leveren. Verder komt uit de gedingstukken niet naar voren dat verweerder zou hebben nagelaten de door eiseres aangeleverde bewijsstukken te beoordelen. Dat eiseres in beroep voor het eerst salarisstroken aanlevert kan verweerder niet worden tegengeworpen. De beroepsgrond slaagt niet.




Het vereiste van de opeisbaarheid




5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het overnemen van de schuld terecht heeft afgewezen, omdat deze niet voldoet aan de voorwaarden. Eiseres heeft namelijk geen stukken overgelegd waaruit volgt dat de door SVGA uitgeleende bedragen zijn opgeëist. Eiseres heeft salarisstroken ingediend over de jaren 2014 tot en met 2019. Op de salarisstroken is te zien dat er betalingen zijn gedaan aan SVGA conform de leenovereenkomst(en). Op de zitting heeft eiseres ook erkend dat zij steeds heeft voldaan aan de betalingsregeling. Het is de rechtbank gelet hierop dan ook niet gebleken dat deze schuld voldoet aan het wettelijke vereiste van de opeisbaarheid, zodat de schuld niet voor overname in aanmerking komt.



Het vertrouwensbeginsel




5.3.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De rechtbank overweegt daartoe dat degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel, aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. In het geval van eiseres is geen sprake van enige toezegging waaraan zij het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat de schuld zou worden overgenomen door de minister. Het beleid van SBN bevat namelijk niet een dergelijke toezegging die specifiek ziet op de situatie van eiseres. Bovendien geldt het beleid van SBN ter uitvoering van de Wht waarin is bepaald dat de schuld dient te voldoen aan de voorwaarden zoals in overweging 3 is opgenomen.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de overname van de schuld van eiseres bij SVGA terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3034.