Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5360
2026-06-30
Bestuursrecht; Belastingrecht
UTR 24/1270
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOZ. Omdat de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase verkeerd heeft vastgesteld, is het beroep gegrond. De rechtbank is verder van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
Citeert (14)
- ECLI:NL:HR:2018:1316 Hoge Raad 17-08-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:1889 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2018
- ECLI:NL:GHARL:2024:5335 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-08-2024
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2026:127 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:555 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:558 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-01-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:269 Rechtbank Rotterdam 15-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:555 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:558 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-01-2026
- ECLI:NL:HR:2025:106 Hoge Raad 24-01-2025
- ECLI:NL:HR:2026:283 Hoge Raad 20-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2024:5335 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-08-2024
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.052 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1270
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: A. Oosters),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente] (de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] in [plaats] (de woning).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 28 februari 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 714.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar heeft aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024 (de bestreden uitspraak) het bezwaar gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verlaagd naar € 677.000,-. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een taxatiematrix.
1.3.
Het beroep is behandeld op de zitting van 24 februari 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door W.S. Consenheim, collega van zijn gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [taxateur] , taxateur.
Overwegingen
Feiten en het geschil
2. Eiser is eigenaar van de woning, een tussenwoning uit 1931. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 92 m2 en ligt op een perceel van 134 m2. De woning beschikt verder over een dakkapel van 3 m2 en een dakopbouw van 13 m2.
2.1.
Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning per 1 januari 2022. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk € 632.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van de woning van € 677.000,-.
Het beoordelingskader
3. De waarde die op grond van de Wet WOZ moet worden vastgesteld is de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die zou zijn betaald door de meest biedende koper als de onroerende zaak op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding te koop zou zijn aangeboden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
3.1.
De waarde van een woning wordt vaak het beste benaderd door de verkoopprijs van de eigen woning als deze kort voor of na de waardepeildatum (een jaar daarvoor of daarna) is verkocht. Meestal is er geen recent eigen verkoopcijfer beschikbaar om de WOZ-waarde te bepalen. Dan wordt de waarde bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank de argumenten die eiser heeft aangevoerd en waarmee de waarde wordt betwist, meewegen.
3.2.
Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar in beroep een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met vijf verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 25 mei 2022 voor € 687.500,-;
- [adres 3] , verkocht op 4 juli 2022 voor € 645.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 4 juni 2021 voor € 680.000,-;
- [adres 6] , verkocht op 13 juni 2022 voor € 561.000,-; en
- [adres 7] , verkocht op 26 juli 2021 voor € 717.000,-.
Beoordeling van de zaak
4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop tijdens de zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Om tot dat oordeel te komen neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat zij in dezelfde omgeving liggen, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat bouwjaar, kwaliteit en uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Voor de waardevaststelling is de heffingsambtenaar uitgegaan van een prijs per m2 woonoppervlakte die lager ligt dan die van de referentiewoningen. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar inzichtelijk gemaakt dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten.
4.1.
Wat eiser in beroep aanvoert, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat legt zij hierna uit.
Grondstaffels
5. Eiser heeft verzocht inzage te krijgen in de transacties die aan de gebruikte grondstaffels ten grondslag liggen zodat hij inzicht krijgt in de gemaakte keuzes, deze kan controleren en indien nodig gemotiveerd kan betwisten. In dit verband wijst eiser op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 augustus 2018.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat op grond van het arrest van de
Hoge Raad, het zogenoemde ‘black box arrest’, de heffingsambtenaar verplicht zou zijn om
inzicht te geven in alle transacties die aan de grondstaffel ten grondslag hebben gelegen. Volgens de heffingsambtenaar is de grondstaffel de resultante van alle in aanmerking komende transacties voor het jaar 2023. De staffels zijn op 5 oktober 2023 per e-mail aan de gemachtigde van eiser verzonden. Met het overgelegde staatje is inzicht gegeven in het verloop van deze staffel. Daarmee is deze staffel naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk en controleerbaar. De beroepsgrond slaagt niet.
Gebruiksoppervlaktes
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde gebruiksoppervlaktes van de referentiewoningen niet kloppen. Volgens eiser dient te worden uitgegaan van de verkoopdocumentatie van de woningen en zouden de gebruiksoppervlaktes als volgt moeten zijn:
- [adres 6] heeft een gebruiksoppervlakte van 90 m2 in plaats van 86 m2; en
- [adres 7] heeft een gebruiksoppervlakte van 117 m2 in plaats van 113 m2.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de op de vastgoedkaart vermelde oppervlakten onjuist kunnen zijn. De onderlinge verschillen ontstaan doordat de BAG een andere methodiek gebruikt. De taxateur kijkt naar de oppervlakte van de woning waar geleefd/gewoond kan worden, terwijl de BAG uitgaat van alle meters die aan de woning vastzitten. De verschillen zijn te verklaren door de dakkapellen die in de verkoopbrochures zijn meegerekend in de totale gebruiksoppervlaktes, terwijl de taxateur deze apart heeft opgenomen in de taxatiematrix. De rechtbank ziet gelet hierop in hetgeen door eiser is aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde gebruiksoppervlaktes onjuist zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
De door de heffingsambtenaar gekozen referentiewoningen
7. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar met de gekozen referentiewoningen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Er is volgens eiser namelijk onvoldoende rekening gehouden met de onderlinge verschillen met de referentiewoningen, zoals de verschillen in gebruiksoppervlakte. Daarnaast is volgens eiser niet duidelijk op welke wijze de correcties zijn toegepast in de taxatiematrix voor de KOUDVL-factoren ten aanzien van de referentiewoningen. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat de [adres 7] niet goed vergelijkbaar is, omdat het op enige afstand van onderhavige woning is gelegen en een betere ligging heeft. Gelet op het feit dat er referentiewoningen in de straat zijn, is deze referentie ten onrechte betrokken.
7.1.
Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de door [A] opgestelde taxatiematrix. Op deze taxatiekaart wordt de woning vergeleken met vijf woningen in [plaats] :
- [adres 8] , verkocht op 21 oktober 2022 voor € 605.000,-;
- [adres 6] , verkocht op 13 juli 2022 voor € 561.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 4 juli 2022 voor € 645.000,-;
- [adres 2] , verkocht op 25 mei 2022 voor € 687.500,-; en
- [adres 4] , verkocht op 4 juni 2021 voor € 680.000,-.
Eiser stelt dat aan zijn taxatiekaart evenveel gewicht dient toe te komen als de
taxatiematrix zoals door de heffingsambtenaar is overgelegd.
7.2.
De rechtbank merkt allereerst op dat de door eiser overgelegde taxatiekaart niet is gedateerd en niet is ondertekend en alleen daarom al niet net zoveel gewicht kan hebben als de door de heffingsambtenaar overgelegde taxatiematrix.
7.3.
De rechtbank overweegt verder dat alleen de referentiewoning [adres 8] door de heffingsambtenaar buiten beschouwing is gelaten. Dat is in principe ook toegestaan, omdat partijen zelf mogen bepalen hoe zij hun waarde willen onderbouwen. Op de zitting is door de taxateur toegelicht dat deze woning door de dusdanig afwijkende verkoopprijs niet door de permanente marktanalyse komt en daarom is afgekeurd om te gebruiken. De verkoopprijs ligt niet in lijn met andere objecten en valt daarom buiten de analyse. De rechtbank stelt verder vast dat de overige door eiser gehanteerde referentiewoningen zowel door de heffingsambtenaar als door eiser in de taxaties zijn gebruikt. De rechtbank stelt vast dat het gebruik van deze referentiewoningen daarom niet in geschil is.
7.4.
Ten aanzien van de [adres 7] heeft de taxateur toegelicht dat indien deze referentiewoning niet zou worden betrokken, de taxateur gemiddeld hoger zou uitkomen ten aanzien van de prijs per m2. De rechtbank kan de toelichting van de taxateur volgen en neemt daarbij in aanmerking dat het verschil ten aanzien van ligging niet van zodanig gewicht is dat het afbreuk doet aan de bruikbaarheid van het vergelijkingsobject. De marktgegevens van Gerard Noodtstraat die zijn genoemd in de matrix van de heffingsambtenaar zijn dan ook bruikbaar voor de bepaling van de waarde van de woning.
7.5.
De rechtbank overweegt verder dat ten aanzien van de correcties voor de KOUDVL-factoren bij de referentiewoningen, de taxateur navolgbaar heeft toegelicht dat referentiewoningen niet wordt gecorrigeerd, maar dat de KOUDVL-factoren worden bepaald op basis van de verkoopinformatie. Voor zover eiser heeft betoogd dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe rekening is gehouden met de verschillen in gebruiksoppervlakte, is de rechtbank van oordeel dat uit de taxatiematrix voldoende blijkt hoe de taxateur rekening heeft gehouden met de verschillen in oppervlakte tussen de referentiewoningen en onderhavige woning.
7.6.
Gelet op voorgaande zorgt de door eiser overgelegde taxatiekaart er daarom niet
voor dat de rechtbank twijfelt aan de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Deze
beroepsgrond slaagt niet.
Onjuiste waardering van bijgebouwen
8. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar de bijgebouwen van de referenties onjuist of niet heeft gewaardeerd. De referentiewoning aan de [adres 2] beschikt namelijk over een dakterras van 16 m2 dat ten onrechte op € 200,- per m2 wordt gewaardeerd. Eiser stelt dat een prijs van € 1.000,- per m2 meer aannemelijk is, aangezien een dakterras een vergelijkbare prijs met een tuin heeft. Verder voert eiser aan dat de referentiewoning aan de [adres 3] over een vrijstaande berging/schuur beschikt die de heffingsambtenaar geheel niet heeft opgenomen in de taxatiematrix. Tot slot stelt eiser dat de heffingsambtenaar bij [adres 6] het balkon van 9 m2 niet heeft opgenomen in de taxatiematrix. Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar de prijs per m2 bij de referentiewoningen verkeerd vastgesteld.
8.1.
Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de heffingsambtenaar objectonderdelen is vergeten in de taxatiematrix. Uit de verkoopinformatie is namelijk niet gebleken dat [adres 3] over een vrijstaande berging/schuur beschikt en ook niet dat [adres 6] over een balkon beschikt. Ten aanzien van de waarde die de heffingsambtenaar heeft gegeven aan het dakterras merkt de rechtbank op dat de eindwaarde in geschil is, niet de waarde van de afzonderlijke objectonderdelen. De extra’s, zoals een dakterras, worden door de heffingsambtenaar gewaardeerd volgens een vast model. De beroepsgrond slaagt niet.
Het onderhoud bij onderhavige woning
9. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar de doelmatigheid en het onderhoud van onderhavige woning ten onrechte als gemiddeld heeft aangemerkt. Er is sprake van achterstallig onderhoud en de doelmatigheid is verkeerd gekwalificeerd gelet op de krappe indeling en een steile trap naar de tweede verdieping, die enkel bedoeld is om naar een zolder te leiden.
9.1.
Zoals de heffingsambtenaar heeft toegelicht, heeft de woning de laagste prijs per m2 (€ 4.955,-) en ligt daarmee ruim onder de laagst geïndexeerde prijs per m2 van de referentiewoningen. Er is daarmee inzichtelijk en aannemelijk gemaakt dat met de onderlinge verschillen in onderhoud en doelmatigheid voldoende rekening is gehouden. Deze grond slaagt niet.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
10. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar in bezwaar de proceskostenvergoeding verkeerd heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft een proceskostenvergoeding toegekend van € 720,26, op basis van € 296,- per punt en € 128,26 voor het deskundigenrapport. Dit had € 310,- per punt moeten zijn, gelet op de datum van de uitspraak op bezwaar. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar ten onrechte een vergoeding voor het taxatierapport van eiser toegekend voor twee uur, terwijl de taxateur vier uur aan het rapport heeft besteed. In dit verband wijst eiser op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2028.
10.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten onrechte € 296,- per punt is toegekend, terwijl dit € 310,- had moeten zijn. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of voor het deskundigenrapport een vergoeding voor vier of twee uur had moeten worden toegekend. Volgens de heffingsambtenaar is het niet aannemelijk dat er vier uur aan het rapport is besteed. Dit blijkt volgens de heffingsambtenaar onder meer uit het feit dat de taxateur een dakopbouw niet heeft vermeld en het rapport geen informatie bevat over hoe de waarde tot stand is gekomen. De heffingsambtenaar betwist ook dat sprake is geweest van een inpandige opname.
10.2.
De rechtbank stelt de proceskosten voor de bezwaarfase vast op € 832,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 310,- en een wegingsfactor 1, en € 53,- x 4 uur = € 212,- voor het indienen van een deskundigenrapport). Dit bedrag dient te worden verrekend met het reeds door verweerder betaalde bedrag van € 720,26,- in de bezwaarfase.
10.3.
De rechtbank heeft bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding voor het deskundigenrapport aansluiting gezocht bij de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 en de in die uitspraak gehanteerde Richtlijn per 1 juli 2018. Is aannemelijk dat de kostenvergoeding volgens die Richtlijn disproportioneel is (hetgeen bijvoorbeeld het geval kan zijn indien het rapport geautomatiseerd tot stand is gebracht) dan bestaat aanleiding uit te gaan van een geringere tijdsbesteding. De rechtbank ziet in de stelling van de heffingsambtenaar geen aanleiding om uit te gaan van een geringere tijdbesteding. Dat de heffingsambtenaar betwist dat er iemand bij belanghebbende binnen is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat dit niet het geval is. Uit het rapport is naar het oordeel van de rechtbank namelijk wel gebleken dat de taxateur een inpandige opname heeft verricht. Het beroep slaagt dus voor zover het is gericht tegen de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar.
Proceskostenvergoeding in beroep
11. De gemachtigde van eiser voert aan dat artikel 30a van de Wet WOZ niet van toepassing is in deze procedure, omdat het kantoor moet worden aangemerkt als bijzonder geval in de zin van de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2025. De gemachtigde van eiser heeft gesteld dat het bedrijfsmodel van zijn kantoor vanaf 1 januari 2024 erin bestaat dat niet (meer) wordt opgetreden op basis van no cure no pay. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de gemachtigde van eiser naar uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam, het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Rechtbank Rotterdam.
11.1.
De heffingsambtenaar betwist dat sprake is van een bijzonder geval. Daartoe voert de heffingsambtenaar aan dat gelet op de teruggaafregeling in de standaardovereenkomst met gemachtigde, een te lage drempel bestaat voor het instellen van bezwaar. Ook is volgens de heffingsambtenaar op de website van de gemachtigde te lezen dat een beoordeling van een WOZ-waarde geen € 99,- meer kost maar slechts € 49,-. De vermelding dat niet meer op NCNP basis wordt gewerkt, staat niet meer op de website. Dat maakt dat de omstandigheden in deze procedure anders zijn, zodat de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2025 hier niet geldt. Subsidiair verzoekt de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding te matigen op grond van artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) omdat de procedure met drie andere zaken staan gepland op een zitting en de processtukken door gemachtigde onzorgvuldig zijn opgesteld. De matrix vermeldde de dakopbouw van de onderhavige woning niet en gaf daarom een onjuiste indruk. Door de planning van vier zaken heeft gemachtigde kunnen besparen op zijn reistijd.
11.2.
De rechtbank overweegt dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij uitspraken van 27 januari 2026 heeft geoordeeld over de gemachtigde van eiser met hetgeen hij in die zaak heeft gesteld. Volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de gemachtigde van eiser buiten redelijke twijfel heeft bewezen dat vanaf begin 2024 niet langer op basis van no cure no pay wordt gewerkt. In de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat niet doorslaggevend is dat in de betreffende zaak op basis van no cure no pay wordt geprocedeerd. In de uitspraak van 16 juni 2026 is het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ook bij dit oordeel gebleven. De rechtbank ziet in de omstandigheden die de heffingsambtenaar heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken.
11.3.
De rechtbank ziet wel aanleiding om de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 2, lid 2, van het Bpb te matigen zoals door de heffingsambtenaar is verzocht. De rechtbank sluit hiervoor aan bij de uitspraak van de Hoge Raad van 20 maart 2026 en overweegt dat het beroep enkel gegrond wordt verklaard voor zover het is gericht tegen de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar. De rechtbank ziet daarin aanleiding om een wegingsfactor 0,25 toe te kennen.
11.4.
De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase, met inachtneming van voorgaande, vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een wegingsfactor van 0,25 en een waarde per punt van € 934,-).
11.5.
Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.
11.6.
Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ moet de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.
Immateriële schadevergoeding
12. De gemachtigde van eiser heeft op 15 januari 2024 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
12.1.
Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift (21 februari 2023) en de dag van deze uitspraak zit – afgerond naar boven – drie jaar en vijf maanden. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met zeventien maanden.
12.2.
Het verzoek van de gemachtigde van eiser valt onder de werking van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2024, omdat de redelijke termijn op de datum van de uitspraak nog niet was overschreden. Hierdoor geldt dat niet tegemoet wordt gekomen aan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade als het financiële belang minder is dan € 1.000,- én de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden.
12.3.
De redelijke termijn is met meer dan twaalf maanden overschreden. Uit de uitspraak van 14 juni 2024 volgt dat indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, de belastingrechter beslist op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Eiser heeft geen feiten aangevoerd op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1.000,- bedraagt. Gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en de aard van de procedure zal de rechtbank in dit geval volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Conclusie en gevolgen
13. Omdat de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase verkeerd heeft vastgesteld, is het beroep gegrond. De rechtbank is in deze uitspraak verder van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van
de woning niet te hoog is vastgesteld.
13.1.
Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke
termijn wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de toekenning van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken op 30 juni 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:HR:2018:1316.
ECLI:NL:GHARL:2018:1889.
ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Stcrt. 2018, 28796.
ECLI:NL:HR:2025:46.
Gemachtigde verwijst naar de uitspraak van 20 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:127.
Gemachtigde verwijst naar de uitspraken van 27 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:555 en ECLI:NL:GHARL:2026:558.
Gemachtigde verwijst naar de uitspraak van 15 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:269.
Gemachtigde verwijst naar de uitspraken van 27 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:555 en ECLI:NL:GHARL:2026:558.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.4.2.
ECLI:NL:HR:2026:283.
Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335 r.o. 1.2.
ECLI:NL:HR:2024:853.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1270
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: A. Oosters),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente] (de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] in [plaats] (de woning).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 28 februari 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 714.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar heeft aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024 (de bestreden uitspraak) het bezwaar gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verlaagd naar € 677.000,-. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een taxatiematrix.
1.3.
Het beroep is behandeld op de zitting van 24 februari 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door W.S. Consenheim, collega van zijn gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [taxateur] , taxateur.
Overwegingen
Feiten en het geschil
2. Eiser is eigenaar van de woning, een tussenwoning uit 1931. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 92 m2 en ligt op een perceel van 134 m2. De woning beschikt verder over een dakkapel van 3 m2 en een dakopbouw van 13 m2.
2.1.
Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning per 1 januari 2022. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk € 632.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van de woning van € 677.000,-.
Het beoordelingskader
3. De waarde die op grond van de Wet WOZ moet worden vastgesteld is de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die zou zijn betaald door de meest biedende koper als de onroerende zaak op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding te koop zou zijn aangeboden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
3.1.
De waarde van een woning wordt vaak het beste benaderd door de verkoopprijs van de eigen woning als deze kort voor of na de waardepeildatum (een jaar daarvoor of daarna) is verkocht. Meestal is er geen recent eigen verkoopcijfer beschikbaar om de WOZ-waarde te bepalen. Dan wordt de waarde bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank de argumenten die eiser heeft aangevoerd en waarmee de waarde wordt betwist, meewegen.
3.2.
Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar in beroep een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met vijf verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 25 mei 2022 voor € 687.500,-;
- [adres 3] , verkocht op 4 juli 2022 voor € 645.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 4 juni 2021 voor € 680.000,-;
- [adres 6] , verkocht op 13 juni 2022 voor € 561.000,-; en
- [adres 7] , verkocht op 26 juli 2021 voor € 717.000,-.
Beoordeling van de zaak
4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop tijdens de zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Om tot dat oordeel te komen neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat zij in dezelfde omgeving liggen, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat bouwjaar, kwaliteit en uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Voor de waardevaststelling is de heffingsambtenaar uitgegaan van een prijs per m2 woonoppervlakte die lager ligt dan die van de referentiewoningen. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar inzichtelijk gemaakt dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten.
4.1.
Wat eiser in beroep aanvoert, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat legt zij hierna uit.
Grondstaffels
5. Eiser heeft verzocht inzage te krijgen in de transacties die aan de gebruikte grondstaffels ten grondslag liggen zodat hij inzicht krijgt in de gemaakte keuzes, deze kan controleren en indien nodig gemotiveerd kan betwisten. In dit verband wijst eiser op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 augustus 2018.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat op grond van het arrest van de
Hoge Raad, het zogenoemde ‘black box arrest’, de heffingsambtenaar verplicht zou zijn om
inzicht te geven in alle transacties die aan de grondstaffel ten grondslag hebben gelegen. Volgens de heffingsambtenaar is de grondstaffel de resultante van alle in aanmerking komende transacties voor het jaar 2023. De staffels zijn op 5 oktober 2023 per e-mail aan de gemachtigde van eiser verzonden. Met het overgelegde staatje is inzicht gegeven in het verloop van deze staffel. Daarmee is deze staffel naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk en controleerbaar. De beroepsgrond slaagt niet.
Gebruiksoppervlaktes
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde gebruiksoppervlaktes van de referentiewoningen niet kloppen. Volgens eiser dient te worden uitgegaan van de verkoopdocumentatie van de woningen en zouden de gebruiksoppervlaktes als volgt moeten zijn:
- [adres 6] heeft een gebruiksoppervlakte van 90 m2 in plaats van 86 m2; en
- [adres 7] heeft een gebruiksoppervlakte van 117 m2 in plaats van 113 m2.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de op de vastgoedkaart vermelde oppervlakten onjuist kunnen zijn. De onderlinge verschillen ontstaan doordat de BAG een andere methodiek gebruikt. De taxateur kijkt naar de oppervlakte van de woning waar geleefd/gewoond kan worden, terwijl de BAG uitgaat van alle meters die aan de woning vastzitten. De verschillen zijn te verklaren door de dakkapellen die in de verkoopbrochures zijn meegerekend in de totale gebruiksoppervlaktes, terwijl de taxateur deze apart heeft opgenomen in de taxatiematrix. De rechtbank ziet gelet hierop in hetgeen door eiser is aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde gebruiksoppervlaktes onjuist zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
De door de heffingsambtenaar gekozen referentiewoningen
7. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar met de gekozen referentiewoningen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Er is volgens eiser namelijk onvoldoende rekening gehouden met de onderlinge verschillen met de referentiewoningen, zoals de verschillen in gebruiksoppervlakte. Daarnaast is volgens eiser niet duidelijk op welke wijze de correcties zijn toegepast in de taxatiematrix voor de KOUDVL-factoren ten aanzien van de referentiewoningen. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat de [adres 7] niet goed vergelijkbaar is, omdat het op enige afstand van onderhavige woning is gelegen en een betere ligging heeft. Gelet op het feit dat er referentiewoningen in de straat zijn, is deze referentie ten onrechte betrokken.
7.1.
Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de door [A] opgestelde taxatiematrix. Op deze taxatiekaart wordt de woning vergeleken met vijf woningen in [plaats] :
- [adres 8] , verkocht op 21 oktober 2022 voor € 605.000,-;
- [adres 6] , verkocht op 13 juli 2022 voor € 561.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 4 juli 2022 voor € 645.000,-;
- [adres 2] , verkocht op 25 mei 2022 voor € 687.500,-; en
- [adres 4] , verkocht op 4 juni 2021 voor € 680.000,-.
Eiser stelt dat aan zijn taxatiekaart evenveel gewicht dient toe te komen als de
taxatiematrix zoals door de heffingsambtenaar is overgelegd.
7.2.
De rechtbank merkt allereerst op dat de door eiser overgelegde taxatiekaart niet is gedateerd en niet is ondertekend en alleen daarom al niet net zoveel gewicht kan hebben als de door de heffingsambtenaar overgelegde taxatiematrix.
7.3.
De rechtbank overweegt verder dat alleen de referentiewoning [adres 8] door de heffingsambtenaar buiten beschouwing is gelaten. Dat is in principe ook toegestaan, omdat partijen zelf mogen bepalen hoe zij hun waarde willen onderbouwen. Op de zitting is door de taxateur toegelicht dat deze woning door de dusdanig afwijkende verkoopprijs niet door de permanente marktanalyse komt en daarom is afgekeurd om te gebruiken. De verkoopprijs ligt niet in lijn met andere objecten en valt daarom buiten de analyse. De rechtbank stelt verder vast dat de overige door eiser gehanteerde referentiewoningen zowel door de heffingsambtenaar als door eiser in de taxaties zijn gebruikt. De rechtbank stelt vast dat het gebruik van deze referentiewoningen daarom niet in geschil is.
7.4.
Ten aanzien van de [adres 7] heeft de taxateur toegelicht dat indien deze referentiewoning niet zou worden betrokken, de taxateur gemiddeld hoger zou uitkomen ten aanzien van de prijs per m2. De rechtbank kan de toelichting van de taxateur volgen en neemt daarbij in aanmerking dat het verschil ten aanzien van ligging niet van zodanig gewicht is dat het afbreuk doet aan de bruikbaarheid van het vergelijkingsobject. De marktgegevens van Gerard Noodtstraat die zijn genoemd in de matrix van de heffingsambtenaar zijn dan ook bruikbaar voor de bepaling van de waarde van de woning.
7.5.
De rechtbank overweegt verder dat ten aanzien van de correcties voor de KOUDVL-factoren bij de referentiewoningen, de taxateur navolgbaar heeft toegelicht dat referentiewoningen niet wordt gecorrigeerd, maar dat de KOUDVL-factoren worden bepaald op basis van de verkoopinformatie. Voor zover eiser heeft betoogd dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe rekening is gehouden met de verschillen in gebruiksoppervlakte, is de rechtbank van oordeel dat uit de taxatiematrix voldoende blijkt hoe de taxateur rekening heeft gehouden met de verschillen in oppervlakte tussen de referentiewoningen en onderhavige woning.
7.6.
Gelet op voorgaande zorgt de door eiser overgelegde taxatiekaart er daarom niet
voor dat de rechtbank twijfelt aan de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Deze
beroepsgrond slaagt niet.
Onjuiste waardering van bijgebouwen
8. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar de bijgebouwen van de referenties onjuist of niet heeft gewaardeerd. De referentiewoning aan de [adres 2] beschikt namelijk over een dakterras van 16 m2 dat ten onrechte op € 200,- per m2 wordt gewaardeerd. Eiser stelt dat een prijs van € 1.000,- per m2 meer aannemelijk is, aangezien een dakterras een vergelijkbare prijs met een tuin heeft. Verder voert eiser aan dat de referentiewoning aan de [adres 3] over een vrijstaande berging/schuur beschikt die de heffingsambtenaar geheel niet heeft opgenomen in de taxatiematrix. Tot slot stelt eiser dat de heffingsambtenaar bij [adres 6] het balkon van 9 m2 niet heeft opgenomen in de taxatiematrix. Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar de prijs per m2 bij de referentiewoningen verkeerd vastgesteld.
8.1.
Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de heffingsambtenaar objectonderdelen is vergeten in de taxatiematrix. Uit de verkoopinformatie is namelijk niet gebleken dat [adres 3] over een vrijstaande berging/schuur beschikt en ook niet dat [adres 6] over een balkon beschikt. Ten aanzien van de waarde die de heffingsambtenaar heeft gegeven aan het dakterras merkt de rechtbank op dat de eindwaarde in geschil is, niet de waarde van de afzonderlijke objectonderdelen. De extra’s, zoals een dakterras, worden door de heffingsambtenaar gewaardeerd volgens een vast model. De beroepsgrond slaagt niet.
Het onderhoud bij onderhavige woning
9. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar de doelmatigheid en het onderhoud van onderhavige woning ten onrechte als gemiddeld heeft aangemerkt. Er is sprake van achterstallig onderhoud en de doelmatigheid is verkeerd gekwalificeerd gelet op de krappe indeling en een steile trap naar de tweede verdieping, die enkel bedoeld is om naar een zolder te leiden.
9.1.
Zoals de heffingsambtenaar heeft toegelicht, heeft de woning de laagste prijs per m2 (€ 4.955,-) en ligt daarmee ruim onder de laagst geïndexeerde prijs per m2 van de referentiewoningen. Er is daarmee inzichtelijk en aannemelijk gemaakt dat met de onderlinge verschillen in onderhoud en doelmatigheid voldoende rekening is gehouden. Deze grond slaagt niet.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
10. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar in bezwaar de proceskostenvergoeding verkeerd heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft een proceskostenvergoeding toegekend van € 720,26, op basis van € 296,- per punt en € 128,26 voor het deskundigenrapport. Dit had € 310,- per punt moeten zijn, gelet op de datum van de uitspraak op bezwaar. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar ten onrechte een vergoeding voor het taxatierapport van eiser toegekend voor twee uur, terwijl de taxateur vier uur aan het rapport heeft besteed. In dit verband wijst eiser op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2028.
10.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten onrechte € 296,- per punt is toegekend, terwijl dit € 310,- had moeten zijn. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of voor het deskundigenrapport een vergoeding voor vier of twee uur had moeten worden toegekend. Volgens de heffingsambtenaar is het niet aannemelijk dat er vier uur aan het rapport is besteed. Dit blijkt volgens de heffingsambtenaar onder meer uit het feit dat de taxateur een dakopbouw niet heeft vermeld en het rapport geen informatie bevat over hoe de waarde tot stand is gekomen. De heffingsambtenaar betwist ook dat sprake is geweest van een inpandige opname.
10.2.
De rechtbank stelt de proceskosten voor de bezwaarfase vast op € 832,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 310,- en een wegingsfactor 1, en € 53,- x 4 uur = € 212,- voor het indienen van een deskundigenrapport). Dit bedrag dient te worden verrekend met het reeds door verweerder betaalde bedrag van € 720,26,- in de bezwaarfase.
10.3.
De rechtbank heeft bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding voor het deskundigenrapport aansluiting gezocht bij de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 en de in die uitspraak gehanteerde Richtlijn per 1 juli 2018. Is aannemelijk dat de kostenvergoeding volgens die Richtlijn disproportioneel is (hetgeen bijvoorbeeld het geval kan zijn indien het rapport geautomatiseerd tot stand is gebracht) dan bestaat aanleiding uit te gaan van een geringere tijdsbesteding. De rechtbank ziet in de stelling van de heffingsambtenaar geen aanleiding om uit te gaan van een geringere tijdbesteding. Dat de heffingsambtenaar betwist dat er iemand bij belanghebbende binnen is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat dit niet het geval is. Uit het rapport is naar het oordeel van de rechtbank namelijk wel gebleken dat de taxateur een inpandige opname heeft verricht. Het beroep slaagt dus voor zover het is gericht tegen de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar.
Proceskostenvergoeding in beroep
11. De gemachtigde van eiser voert aan dat artikel 30a van de Wet WOZ niet van toepassing is in deze procedure, omdat het kantoor moet worden aangemerkt als bijzonder geval in de zin van de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2025. De gemachtigde van eiser heeft gesteld dat het bedrijfsmodel van zijn kantoor vanaf 1 januari 2024 erin bestaat dat niet (meer) wordt opgetreden op basis van no cure no pay. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de gemachtigde van eiser naar uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam, het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Rechtbank Rotterdam.
11.1.
De heffingsambtenaar betwist dat sprake is van een bijzonder geval. Daartoe voert de heffingsambtenaar aan dat gelet op de teruggaafregeling in de standaardovereenkomst met gemachtigde, een te lage drempel bestaat voor het instellen van bezwaar. Ook is volgens de heffingsambtenaar op de website van de gemachtigde te lezen dat een beoordeling van een WOZ-waarde geen € 99,- meer kost maar slechts € 49,-. De vermelding dat niet meer op NCNP basis wordt gewerkt, staat niet meer op de website. Dat maakt dat de omstandigheden in deze procedure anders zijn, zodat de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2025 hier niet geldt. Subsidiair verzoekt de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding te matigen op grond van artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) omdat de procedure met drie andere zaken staan gepland op een zitting en de processtukken door gemachtigde onzorgvuldig zijn opgesteld. De matrix vermeldde de dakopbouw van de onderhavige woning niet en gaf daarom een onjuiste indruk. Door de planning van vier zaken heeft gemachtigde kunnen besparen op zijn reistijd.
11.2.
De rechtbank overweegt dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij uitspraken van 27 januari 2026 heeft geoordeeld over de gemachtigde van eiser met hetgeen hij in die zaak heeft gesteld. Volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de gemachtigde van eiser buiten redelijke twijfel heeft bewezen dat vanaf begin 2024 niet langer op basis van no cure no pay wordt gewerkt. In de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat niet doorslaggevend is dat in de betreffende zaak op basis van no cure no pay wordt geprocedeerd. In de uitspraak van 16 juni 2026 is het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ook bij dit oordeel gebleven. De rechtbank ziet in de omstandigheden die de heffingsambtenaar heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken.
11.3.
De rechtbank ziet wel aanleiding om de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 2, lid 2, van het Bpb te matigen zoals door de heffingsambtenaar is verzocht. De rechtbank sluit hiervoor aan bij de uitspraak van de Hoge Raad van 20 maart 2026 en overweegt dat het beroep enkel gegrond wordt verklaard voor zover het is gericht tegen de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar. De rechtbank ziet daarin aanleiding om een wegingsfactor 0,25 toe te kennen.
11.4.
De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase, met inachtneming van voorgaande, vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een wegingsfactor van 0,25 en een waarde per punt van € 934,-).
11.5.
Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.
11.6.
Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ moet de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.
Immateriële schadevergoeding
12. De gemachtigde van eiser heeft op 15 januari 2024 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
12.1.
Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift (21 februari 2023) en de dag van deze uitspraak zit – afgerond naar boven – drie jaar en vijf maanden. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met zeventien maanden.
12.2.
Het verzoek van de gemachtigde van eiser valt onder de werking van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2024, omdat de redelijke termijn op de datum van de uitspraak nog niet was overschreden. Hierdoor geldt dat niet tegemoet wordt gekomen aan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade als het financiële belang minder is dan € 1.000,- én de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden.
12.3.
De redelijke termijn is met meer dan twaalf maanden overschreden. Uit de uitspraak van 14 juni 2024 volgt dat indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, de belastingrechter beslist op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Eiser heeft geen feiten aangevoerd op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1.000,- bedraagt. Gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en de aard van de procedure zal de rechtbank in dit geval volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Conclusie en gevolgen
13. Omdat de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase verkeerd heeft vastgesteld, is het beroep gegrond. De rechtbank is in deze uitspraak verder van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van
de woning niet te hoog is vastgesteld.
13.1.
Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke
termijn wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de toekenning van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken op 30 juni 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:HR:2018:1316.
ECLI:NL:GHARL:2018:1889.
ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Stcrt. 2018, 28796.
ECLI:NL:HR:2025:46.
Gemachtigde verwijst naar de uitspraak van 20 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:127.
Gemachtigde verwijst naar de uitspraken van 27 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:555 en ECLI:NL:GHARL:2026:558.
Gemachtigde verwijst naar de uitspraak van 15 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:269.
Gemachtigde verwijst naar de uitspraken van 27 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:555 en ECLI:NL:GHARL:2026:558.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.4.2.
ECLI:NL:HR:2026:283.
Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335 r.o. 1.2.
ECLI:NL:HR:2024:853.