Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5357
2026-04-15
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
UTR 25/3120
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
MK. Planschade. Het college heeft het verzoek om tegemoetkoming in de planschade terecht afgewezen. Beroep ongegrond.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RVS:2025:3690 Raad van State 06-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:552 Raad van State 12-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3690 Raad van State 06-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3690 Raad van State 06-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2015:2567 Raad van State 12-08-2015
- ECLI:NL:RVS:2025:3690 Raad van State 06-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3690 Raad van State 06-08-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.783 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3120
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M. Adansar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. K. Akin).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek om een tegemoetkoming in planschade. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het college het verzoek terecht heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2.1.
Eisers zijn sinds 2006 eigenaar van het perceel aan [adres] in [plaats] . Op 30 november 2016 is het ontwerpbestemmingsplan “Literatuurwijk” gepubliceerd en deze is op 15 november 2018 vastgesteld. Eisers hebben geen rechtsmiddelen aangewend tegen het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden.
2.2.
Eisers hebben op 19 september 2023 een aanvraag om tegemoetkoming in planschade bij het college ingediend. Eisers stellen schade te lijden als gevolg van het bestemmingsplan “Literatuurwijk”.
2.3.
Het college heeft de Johan van Oldenbarnevelt Stichting (JvOS) gevraagd te adviseren over het verzoek van eisers. Op 8 oktober 2024 heeft JvOS een definitief advies uitgebracht. In het definitieve advies van JvOS wordt geconcludeerd dat eisers door de planologische wijziging die het gevolg is van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Literatuurwijk” in een nadeligere situatie terecht zijn gekomen. Eisers hebben echter geen concrete pogingen gedaan om het dreigende vervallen van de bouwmogelijkheid te ondervangen door het indienen van een omgevingsvergunning. Als gevolg daarvan wordt hen passieve risicoaanvaarding tegengeworpen en blijft de schade voor rekening van eisers.
2.4.
Het college heeft met inachtneming van het advies van JvOS het verzoek van eisers met het besluit van 17 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 5 februari 2026. Hieraan hebben eisers, hun gemachtigde, de gemachtigde van het college en verder namens het college [A] en [B] deelgenomen.
Overwegingen
Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum het nieuwe bestemmingsplan van kracht is geworden en het verzoek om schadevergoeding binnen vijf jaar na die datum is ingediend, is in deze zaak de Wro met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Beoordelingskader
4. Iemand kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in planschade als hij schade lijdt doordat het bestemmingsplan is gewijzigd. Dit volgt uit artikel 6.1, eerste en tweede lid, van de Wro. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade moet worden onderzocht of de aanvrager door die wijziging in een nadeliger positie is komen te verkeren, en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe moet de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.
Planvergelijking en het geschil
5. Op grond van het voormalige bestemmingsplan “2J”, dat is vastgesteld op 8 juni 1995, had het perceel waarop de planologische wijziging heeft plaatsgevonden de bestemming “Bedrijventerrein”. Op grond van dit bestemmingsplan mag één bedrijfswoning worden gerealiseerd van maximaal 10 meter hoog met een maximaal bebouwingspercentage van 70%, met een inhoud van maximaal 600 m3 en een goothoogte van maximaal 6 meter.
Een bedrijfswoning kan alleen worden gerealiseerd op het terrein tussen de 60 dB(A) contour en het spoor als geluidbeperkende voorzieningen aanwezig zijn waardoor de grenswaarden niet worden overschreden.
5.1.
Op grond van het nieuwe bestemmingsplan “Literatuurwijk” is de bestemming “Gemengd – 1” gaan gelden. Binnen de bestemming zijn bedrijven, dienstverlening, cultuur en ontspanning, sportvoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen tot milieucategorie 3.2 als opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten met ondergeschikte workshops toegestaan. Tevens is ondergeschikte horeca in categorie 1 van de Staat van Horeca- activiteiten, is een afhaalpunt en zijn groen- waterhuishoudings- en nutsvoorzieningen toegestaan met de daarbij behorende wegen, fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen en verblijfsgebied, toegangspaden, in- en uitritten en reclameobjecten, straatmeubilair en overige functioneel met de hiervoor genoemde bestemmingen verbonden voorzieningen.
5.2.
Als gevolg van de planologische wijziging kunnen eisers geen bedrijfswoning meer realiseren. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers door de planologische wijziging in een planologisch nadeliger situatie terecht zijn gekomen. Partijen verschillen van mening over de vraag of de planologische wijziging voorzienbaar was en of eisers concrete pogingen hebben ondernomen om de bestaande planologische mogelijkheden van deze onroerende zaak te benutten.
Voorzienbaarheid
6. Eisers voeren aan dat bij de voorbereiding van de planologische wijziging een participatieproces is gestart op 1 juli 2015, waar eisers nooit bij zijn betrokken. Het college kan gelet daarop niet volhouden dat eisers bekend waren of hadden kunnen zijn met de planologische wijziging. Dit volgt volgens eisers ook uit de uitspraak van de ABRvS van 12 februari 2025. Het is volgens eisers dan ook onzorgvuldig dat uitgegaan wordt van 1 december 2016 als peildatum voor voorzienbaarheid.
6.1.
Zoals de ABRvS heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 6 augustus 2025 is voor de beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden op diens perceel zouden vervallen passief heeft aanvaard, van belang of de voortekenen van de nadelige planologische wijziging reeds enige tijd zichtbaar waren.
6.2.
Voor de bevestigende beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden van zijn onroerende zaak zouden vervallen passief heeft aanvaard, is voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Verder moet de wijze van openbaarmaking van een concreet beleidsvoornemen voldoen aan het vereiste dat verwacht mag worden dat een redelijk denkende en handelende eigenaar van die wijze van openbaarmaking zou kennisnemen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de publicatie van het concrete beleidsvoornemen heeft plaatsgevonden in een door het bestuursorgaan elektronisch uitgegeven publicatieblad en deze publicatiewijze ten tijde van belang voor beleidsvoornemens ook gebruikelijk was.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank was de planologische ontwikkeling voor eisers voorzienbaar. Met de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan in de Staatscourant op 30 november 2016 en met name met de terinzagelegging vanaf 1 december 2016 is namelijk voldaan aan de voorwaarde van een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Dit was op grond van de Wet ruimtelijke ordening toentertijd de voorgeschreven wijze van openbaarmaking van dergelijke ontwerpbestemmingsplannen. In die zin wijkt de situatie van eisers ook af van de uitspraak waar zij naar verwijzen, waarin werd geconcludeerd dat geen sprake was van voorzienbaarheid omdat het betreffende bestuursorgaan het beleidsvoornemen enkel had gepubliceerd op de algemene website. Door het concrete beleidsvoornemen te publiceren in de Staatscourant mocht verwacht worden dat eisers van de openbaarmaking zouden kennisnemen. In het ontwerpbestemmingsplan is de mogelijkheid om een bedrijfswoning te realiseren op het perceel van eisers geschrapt, waardoor de planologische verslechtering voorzienbaar was. De rechtbank kan gelet hierop ook volgen dat uitgegaan wordt van 1 december 2016 als peildatum voor voorzienbaarheid door het college.
6.4.
Het al dan niet gebrekkige participatieproces waar eisers op wijzen, maakt dit niet anders. Volgens rechtspraak van de ABRvS is de openbaarmaking van een concreet beleidsvoornemen voldoende. Het participatieproces wordt met betrekking tot de voorzienbaarheid niet meegewogen. De beroepsgrond slaagt niet.
Concrete poging tot realisering van vervallen mogelijkheden
7. Volgens eisers moeten de verkoop van hun eigen woningen, het overleg met de gemeente in mei 2018 en het inschakelen van een architect (het opstellen van bouwtekeningen en een kostenraming door ingenieur Cees Smit) worden aangemerkt als concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar verklaringen van betrokkenen bij de bouwplannen en de uitspraak van de ABRvS van 12 augustus 2015. Onder verwijzing naar het overzichtsarrest van 6 augustus 2025 van de ABRvS voeren eisers verder aan dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat tijdens het gesprek in mei 2018 aan eisers niet is medegedeeld dat zij met spoed een aanvraag moesten indienen gelet op de aanstaande te wijzigen planologische situatie. Het niet eerder indienen van een vergunningaanvraag kan volgens eisers ook niet als doorslaggevend worden aangemerkt, omdat zij dit niet meer konden indienen door de gewijzigde planologische situatie.
7.1.
Indien wordt geoordeeld dat de nadelige planologische wijziging voorzienbaar was, dient gelet op het overzichtsarrest van de ABRvS vervolgens de vraag beantwoord te worden of onder het oude planologische regime concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn ondernomen. Het risico op verwezenlijking van planologisch nadeel wordt geacht passief te zijn aanvaard als er voorzienbaarheid is en er geen concrete pogingen zijn gedaan tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen, terwijl dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar, vanaf de peildatum voor voorzienbaarheid, kon worden verlangd.
7.2.
Uit de rechtspraak van de ABRvS volgt verder dat, in geval van vervallen bouwmogelijkheden, een concrete poging van het realiseren van die bestaande bouwmogelijkheden bestaat uit het indienen van een bouwplan dat zodanig is uitgewerkt dat het zich laat beoordelen op passendheid binnen het bestemmingsplan en dat in beginsel past binnen de bestaande mogelijkheden binnen het bestemmingsplan.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat eisers geen aanvraag hebben ingediend voor een bouwplan om zo de ruimere mogelijkheden op grond van het oude bestemmingsplan nog te benutten. Het verkopen van de eigen woningen, het overleg met de gemeente en de tekeningen van de architect kunnen niet worden aangemerkt als een bouwplan dat zich laat beoordelen op de (mogelijke) passendheid binnen het bestemmingsplan. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers tot vaststelling van het bestemmingsplan op 15 november 2018 een periode van 23 maanden hebben gehad om de bouwmogelijkheden alsnog te benutten, maar daartoe geen poging in de zin van een aanvraag hebben gedaan of anderszins een op passendheid te beoordelen plan aan het college hebben voorgelegd.
7.4.
In de uitspraak van de ABRvS van 12 augustus 2015 ziet de rechtbank geen onderbouwing van het standpunt dat de bouwtekeningen van de architect als voldoende moeten worden aangemerkt. In deze uitspraak werd namelijk als voldoende aangemerkt dat betrokkene een beginselaanvraag bij het bestuursorgaan heeft ingediend met een omschrijving van het te realiseren gebouw en de aard en omvang van het voorgenomen gebruik. Dat is hier niet aan de orde. Ook ziet de rechtbank in de toets van de ABRvS geen ruimte voor het meewegen van de door eisers aangevoerde omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bijzondere omstandigheden
8. Eisers hebben tot slot aangevoerd dat ten onrechte niet dan wel onvoldoende is meegewogen dat zij onevenredig zijn benadeeld door de planologische wijziging. Verder zijn eisers van mening dat onvoldoende gewicht is toegekend aan het feit dat zij niet door de gemeente zijn gewezen op de aanstaande planologische wijziging in het gesprek van mei 2018 en ook niet erop zijn gewezen dat zij met spoed een aanvraag voor een omgevingsvergunning moesten indienen.
8.1.
De rechtbank ziet gelet op de toets zoals is neergelegd in het overzichtsarrest van de ABRvS van 6 augustus 2025 geen ruimte voor het meewegen van deze (bijzondere) omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het college heeft het verzoek om tegemoetkoming in de planschade terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. Zij krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, voorzitter, en mr. V.E.H.G. Visser en mr. S.D.P. Kole, leden, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 4 en 10.
ECLI:NL:RVS:2025:552.
ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 81.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 82-83.
ECLI:NL:RVS:2015:2567.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 84.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 85.
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3120
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M. Adansar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. K. Akin).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek om een tegemoetkoming in planschade. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het college het verzoek terecht heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2.1.
Eisers zijn sinds 2006 eigenaar van het perceel aan [adres] in [plaats] . Op 30 november 2016 is het ontwerpbestemmingsplan “Literatuurwijk” gepubliceerd en deze is op 15 november 2018 vastgesteld. Eisers hebben geen rechtsmiddelen aangewend tegen het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden.
2.2.
Eisers hebben op 19 september 2023 een aanvraag om tegemoetkoming in planschade bij het college ingediend. Eisers stellen schade te lijden als gevolg van het bestemmingsplan “Literatuurwijk”.
2.3.
Het college heeft de Johan van Oldenbarnevelt Stichting (JvOS) gevraagd te adviseren over het verzoek van eisers. Op 8 oktober 2024 heeft JvOS een definitief advies uitgebracht. In het definitieve advies van JvOS wordt geconcludeerd dat eisers door de planologische wijziging die het gevolg is van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Literatuurwijk” in een nadeligere situatie terecht zijn gekomen. Eisers hebben echter geen concrete pogingen gedaan om het dreigende vervallen van de bouwmogelijkheid te ondervangen door het indienen van een omgevingsvergunning. Als gevolg daarvan wordt hen passieve risicoaanvaarding tegengeworpen en blijft de schade voor rekening van eisers.
2.4.
Het college heeft met inachtneming van het advies van JvOS het verzoek van eisers met het besluit van 17 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 5 februari 2026. Hieraan hebben eisers, hun gemachtigde, de gemachtigde van het college en verder namens het college [A] en [B] deelgenomen.
Overwegingen
Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum het nieuwe bestemmingsplan van kracht is geworden en het verzoek om schadevergoeding binnen vijf jaar na die datum is ingediend, is in deze zaak de Wro met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Beoordelingskader
4. Iemand kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in planschade als hij schade lijdt doordat het bestemmingsplan is gewijzigd. Dit volgt uit artikel 6.1, eerste en tweede lid, van de Wro. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade moet worden onderzocht of de aanvrager door die wijziging in een nadeliger positie is komen te verkeren, en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe moet de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.
Planvergelijking en het geschil
5. Op grond van het voormalige bestemmingsplan “2J”, dat is vastgesteld op 8 juni 1995, had het perceel waarop de planologische wijziging heeft plaatsgevonden de bestemming “Bedrijventerrein”. Op grond van dit bestemmingsplan mag één bedrijfswoning worden gerealiseerd van maximaal 10 meter hoog met een maximaal bebouwingspercentage van 70%, met een inhoud van maximaal 600 m3 en een goothoogte van maximaal 6 meter.
Een bedrijfswoning kan alleen worden gerealiseerd op het terrein tussen de 60 dB(A) contour en het spoor als geluidbeperkende voorzieningen aanwezig zijn waardoor de grenswaarden niet worden overschreden.
5.1.
Op grond van het nieuwe bestemmingsplan “Literatuurwijk” is de bestemming “Gemengd – 1” gaan gelden. Binnen de bestemming zijn bedrijven, dienstverlening, cultuur en ontspanning, sportvoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen tot milieucategorie 3.2 als opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten met ondergeschikte workshops toegestaan. Tevens is ondergeschikte horeca in categorie 1 van de Staat van Horeca- activiteiten, is een afhaalpunt en zijn groen- waterhuishoudings- en nutsvoorzieningen toegestaan met de daarbij behorende wegen, fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen en verblijfsgebied, toegangspaden, in- en uitritten en reclameobjecten, straatmeubilair en overige functioneel met de hiervoor genoemde bestemmingen verbonden voorzieningen.
5.2.
Als gevolg van de planologische wijziging kunnen eisers geen bedrijfswoning meer realiseren. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers door de planologische wijziging in een planologisch nadeliger situatie terecht zijn gekomen. Partijen verschillen van mening over de vraag of de planologische wijziging voorzienbaar was en of eisers concrete pogingen hebben ondernomen om de bestaande planologische mogelijkheden van deze onroerende zaak te benutten.
Voorzienbaarheid
6. Eisers voeren aan dat bij de voorbereiding van de planologische wijziging een participatieproces is gestart op 1 juli 2015, waar eisers nooit bij zijn betrokken. Het college kan gelet daarop niet volhouden dat eisers bekend waren of hadden kunnen zijn met de planologische wijziging. Dit volgt volgens eisers ook uit de uitspraak van de ABRvS van 12 februari 2025. Het is volgens eisers dan ook onzorgvuldig dat uitgegaan wordt van 1 december 2016 als peildatum voor voorzienbaarheid.
6.1.
Zoals de ABRvS heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 6 augustus 2025 is voor de beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden op diens perceel zouden vervallen passief heeft aanvaard, van belang of de voortekenen van de nadelige planologische wijziging reeds enige tijd zichtbaar waren.
6.2.
Voor de bevestigende beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden van zijn onroerende zaak zouden vervallen passief heeft aanvaard, is voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Verder moet de wijze van openbaarmaking van een concreet beleidsvoornemen voldoen aan het vereiste dat verwacht mag worden dat een redelijk denkende en handelende eigenaar van die wijze van openbaarmaking zou kennisnemen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de publicatie van het concrete beleidsvoornemen heeft plaatsgevonden in een door het bestuursorgaan elektronisch uitgegeven publicatieblad en deze publicatiewijze ten tijde van belang voor beleidsvoornemens ook gebruikelijk was.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank was de planologische ontwikkeling voor eisers voorzienbaar. Met de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan in de Staatscourant op 30 november 2016 en met name met de terinzagelegging vanaf 1 december 2016 is namelijk voldaan aan de voorwaarde van een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Dit was op grond van de Wet ruimtelijke ordening toentertijd de voorgeschreven wijze van openbaarmaking van dergelijke ontwerpbestemmingsplannen. In die zin wijkt de situatie van eisers ook af van de uitspraak waar zij naar verwijzen, waarin werd geconcludeerd dat geen sprake was van voorzienbaarheid omdat het betreffende bestuursorgaan het beleidsvoornemen enkel had gepubliceerd op de algemene website. Door het concrete beleidsvoornemen te publiceren in de Staatscourant mocht verwacht worden dat eisers van de openbaarmaking zouden kennisnemen. In het ontwerpbestemmingsplan is de mogelijkheid om een bedrijfswoning te realiseren op het perceel van eisers geschrapt, waardoor de planologische verslechtering voorzienbaar was. De rechtbank kan gelet hierop ook volgen dat uitgegaan wordt van 1 december 2016 als peildatum voor voorzienbaarheid door het college.
6.4.
Het al dan niet gebrekkige participatieproces waar eisers op wijzen, maakt dit niet anders. Volgens rechtspraak van de ABRvS is de openbaarmaking van een concreet beleidsvoornemen voldoende. Het participatieproces wordt met betrekking tot de voorzienbaarheid niet meegewogen. De beroepsgrond slaagt niet.
Concrete poging tot realisering van vervallen mogelijkheden
7. Volgens eisers moeten de verkoop van hun eigen woningen, het overleg met de gemeente in mei 2018 en het inschakelen van een architect (het opstellen van bouwtekeningen en een kostenraming door ingenieur Cees Smit) worden aangemerkt als concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar verklaringen van betrokkenen bij de bouwplannen en de uitspraak van de ABRvS van 12 augustus 2015. Onder verwijzing naar het overzichtsarrest van 6 augustus 2025 van de ABRvS voeren eisers verder aan dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat tijdens het gesprek in mei 2018 aan eisers niet is medegedeeld dat zij met spoed een aanvraag moesten indienen gelet op de aanstaande te wijzigen planologische situatie. Het niet eerder indienen van een vergunningaanvraag kan volgens eisers ook niet als doorslaggevend worden aangemerkt, omdat zij dit niet meer konden indienen door de gewijzigde planologische situatie.
7.1.
Indien wordt geoordeeld dat de nadelige planologische wijziging voorzienbaar was, dient gelet op het overzichtsarrest van de ABRvS vervolgens de vraag beantwoord te worden of onder het oude planologische regime concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn ondernomen. Het risico op verwezenlijking van planologisch nadeel wordt geacht passief te zijn aanvaard als er voorzienbaarheid is en er geen concrete pogingen zijn gedaan tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen, terwijl dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar, vanaf de peildatum voor voorzienbaarheid, kon worden verlangd.
7.2.
Uit de rechtspraak van de ABRvS volgt verder dat, in geval van vervallen bouwmogelijkheden, een concrete poging van het realiseren van die bestaande bouwmogelijkheden bestaat uit het indienen van een bouwplan dat zodanig is uitgewerkt dat het zich laat beoordelen op passendheid binnen het bestemmingsplan en dat in beginsel past binnen de bestaande mogelijkheden binnen het bestemmingsplan.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat eisers geen aanvraag hebben ingediend voor een bouwplan om zo de ruimere mogelijkheden op grond van het oude bestemmingsplan nog te benutten. Het verkopen van de eigen woningen, het overleg met de gemeente en de tekeningen van de architect kunnen niet worden aangemerkt als een bouwplan dat zich laat beoordelen op de (mogelijke) passendheid binnen het bestemmingsplan. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers tot vaststelling van het bestemmingsplan op 15 november 2018 een periode van 23 maanden hebben gehad om de bouwmogelijkheden alsnog te benutten, maar daartoe geen poging in de zin van een aanvraag hebben gedaan of anderszins een op passendheid te beoordelen plan aan het college hebben voorgelegd.
7.4.
In de uitspraak van de ABRvS van 12 augustus 2015 ziet de rechtbank geen onderbouwing van het standpunt dat de bouwtekeningen van de architect als voldoende moeten worden aangemerkt. In deze uitspraak werd namelijk als voldoende aangemerkt dat betrokkene een beginselaanvraag bij het bestuursorgaan heeft ingediend met een omschrijving van het te realiseren gebouw en de aard en omvang van het voorgenomen gebruik. Dat is hier niet aan de orde. Ook ziet de rechtbank in de toets van de ABRvS geen ruimte voor het meewegen van de door eisers aangevoerde omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bijzondere omstandigheden
8. Eisers hebben tot slot aangevoerd dat ten onrechte niet dan wel onvoldoende is meegewogen dat zij onevenredig zijn benadeeld door de planologische wijziging. Verder zijn eisers van mening dat onvoldoende gewicht is toegekend aan het feit dat zij niet door de gemeente zijn gewezen op de aanstaande planologische wijziging in het gesprek van mei 2018 en ook niet erop zijn gewezen dat zij met spoed een aanvraag voor een omgevingsvergunning moesten indienen.
8.1.
De rechtbank ziet gelet op de toets zoals is neergelegd in het overzichtsarrest van de ABRvS van 6 augustus 2025 geen ruimte voor het meewegen van deze (bijzondere) omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het college heeft het verzoek om tegemoetkoming in de planschade terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. Zij krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, voorzitter, en mr. V.E.H.G. Visser en mr. S.D.P. Kole, leden, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 4 en 10.
ECLI:NL:RVS:2025:552.
ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 81.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 82-83.
ECLI:NL:RVS:2015:2567.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 84.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 85.