Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5340
2026-07-22
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/2461, 24/2477 t/m 2487
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De heffingsambtenaar heeft – in ieder geval over een deel van de naheffingsaanslagen – ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet tijdig bezwaar heeft ingediend. De rechtbank ziet gelet op het bovenstaande aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en de uitspraak op bezwaar te vernietigen. De rechtbank verwijst de zaak terug naar de heffingsambtenar.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2024:5335 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-08-2024
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.223 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2461, 24/2477 t/m 2487
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: M.J.M. Berger),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 januari 2024.
De heffingsambtenaar heeft tussen 23 februari 2023 en 9 juni 2023 meerdere naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan eiser, zoals hierna onder 3. vermeld in een tabel. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
Zaaknummer
Aanslagnummer met adres
Vastgestelde naheffingsaanslag
UTR 24/2461
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2477
[nummer] [locatie 2] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2478
[nummer] [locatie 2] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2479
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2480
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2481
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2482
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2483
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2484
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2485
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2486
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2487
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
4. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024 het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
6. De heffingsambtenaar heeft ter zitting aangegeven dat zij uit coulance bereid zijn om de helft van de naheffingsaanslagen te vernietigen, onder de voorwaarde dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en dit voorstel in een proces-verbaal aan eiser voorgelegd. De gemachtigde van eiser heeft te kennen gegeven niet eens te zijn met de voorwaarde om geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
6.1.
Op 22 juni 2026 heeft de rechtbank partijen medegedeeld voldoende geïnformeerd te zijn en voornemens te zijn zonder nadere zitting uitspraak te doen, tenzij een van de partijen binnen twee weken aangeeft mondeling te willen worden gehoord. Partijen hebben niet op deze brief gereageerd. De rechtbank sluit het onderzoek en doet uitspraak zonder nadere zitting.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Is het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard?
8. Eiser beroept zich op het standpunt dat het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser voert allereerst aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte niet de eventueel verschoonbare redenen heeft opgevraagd. In het kader van een zorgvuldig onderzoek, lag het op de weg van de heffingsambtenaar om nader te onderzoeken of er sprake is van verschoonbare redenen waardoor te laat bezwaar is gemaakt. Eiser is primair van mening dat het bezwaar hierdoor niet kennelijk niet-ontvankelijk verklaard had mogen worden. Daarnaast is eiser van mening dat de heffingsambtenaar ten onrechte het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu de enkele termijnoverschrijding niet automatisch leidt tot kennelijke niet-ontvankelijkheid. De heffingsambtenaar heeft ten onrechte eiser niet gehoord en had het bezwaar niet automatisch kennelijk niet-ontvankelijk mogen verklaren.
9. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Zij legt dat hierna verder uit.
10. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser in het bezwaarschrift van 11 augustus 2023 stelt, reeds bezwaar te hebben ingediend tegen de eerste 12 naheffingsaanslagen. Deze naheffingsaanslagen zijn in de periode van 13 april tot en met 1 juni 2023 opgelegd. In het beroepschrift merkt eiser op dat hij het bezwaarschrift tegen deze naheffingsaanslagen op 20 juni 2023 heeft ingediend. De heffingsambtenaar heeft dit – ook ter zitting – onbetwist gelaten. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het betoog van eiser. Dit maakt dat de heffingsambtenaar– in ieder geval over een deel van de naheffingsaanslagen – ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet tijdig bezwaar heeft ingediend. Immers had eiser in ieder geval tijdig bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslagen die in mei en juni zijn opgelegd. Dit maakt dat de heffingsambtenaar ten onrechte het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast stelt de rechtbank tevens vast dat de heffingsambtenaar ook niet aan eiser heeft gevraagd of hij verschoonbare redenen zou hebben voor het te laat indienen van het bezwaarschrift ten aanzien van de andere aanslagen, waardoor eiser ook niet is gehoord, terwijl hij daar wel om had verzocht. De door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee dat hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren voordat hij belanghebbende in de gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Dat is niet anders indien het bezwaar is ingediend door een beroepsmatig optredende gemachtigde. Gelet hierop kleeft aan de uitspraak op bezwaar tevens een zorgvuldigheidsgebrek en is eiser ten onrechte niet gehoord.
10. De rechtbank ziet gelet op het bovenstaande aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en de uitspraak op bezwaar te vernietigen.
10. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, maar zal de zaak terugverwijzen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank stelt namelijk vast dat voor een aantal opgelegde aanslagen geldt dat het bezwaar niet te laat was, en dat als gevolg van het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaren, eiser niet is gehoord. De heffingsambtenaar heeft derhalve in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb en artikel 25, eerste lid, van de AWR gehandeld. De uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd.
Proceskosten
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld.
13. De rechtbank is van oordeel dat, in lijn met het richtsnoer van de hoven, een wegingsfactor van 0,5 moet worden gehanteerd voor de zwaarte van de zaak. Het geschil in beroep betreft namelijk uitsluitend het antwoord op de vraag of het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard en de hoorplicht is geschonden.
15. De rechtbank kent gezien het voorgaande en met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan eiser een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe van € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor 0,5 ).
Immateriële schadevergoeding
16. Eiser heeft tot slot verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
16. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift, 20 juni 2023, en de dag van deze uitspraak zit afgerond 3 jaar en 1 maand. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met 1 jaar en 1 maand dat schadevergoeding moet worden toegekend.
16. In het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 zijn nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor het vaststellen van het recht op immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn. Omdat het financiële belang hoger dan € 1.000,- is kan de rechtbank niet volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Daarom geldt in deze zaak een tarief van € 500,- per half jaar. De schadevergoeding bedraagt dus € 1.500,-.
19. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat ieder in een met die verwijtbaarheid overeenkomend deel van de schade zal veroordelen.
19. In de zaak van eiser heeft de bezwaarfase vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 20 juni 2023 en de uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024 afgerond 6 maanden en 16 dagen geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 16 dagen is overschreden. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf het moment van ontvangst van het beroepschrift op 28 februari 2024, afgerond 2 jaar en 4 maanden geduurd en daarmee 10 maanden te lang. Dat leidt ertoe dat de heffingsambtenaar afgerond € 75,95 aan schadevergoeding aan eiser moet betalen en de Staat afgerond € 1.424,05.
19. De rechtbank heeft de Staat aangemerkt als partij bij dit beroep. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000,- is, hoeft de minister niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en verwijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar die eiser alsnog in de gelegenheid moet stellen om te worden gehoord en opnieuw uitspraak op het bezwaar moet doen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024;
verwijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar en draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van immateriële schadevergoeding aan eiser van € 75,95,-;
veroordeelt de Staat tot het betalen van immateriële schadevergoeding aan eiser van € 1.424,05,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:57, derde lid, van de Awb.
Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onder andere neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
ECLI:NL:HR:2024:853
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2461, 24/2477 t/m 2487
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: M.J.M. Berger),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 januari 2024.
De heffingsambtenaar heeft tussen 23 februari 2023 en 9 juni 2023 meerdere naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan eiser, zoals hierna onder 3. vermeld in een tabel. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
Zaaknummer
Aanslagnummer met adres
Vastgestelde naheffingsaanslag
UTR 24/2461
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2477
[nummer] [locatie 2] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2478
[nummer] [locatie 2] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2479
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2480
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2481
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2482
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2483
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2484
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2485
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2486
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
UTR 24/2487
[nummer] [locatie 1] te [plaats]
€ 78,33
4. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024 het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
6. De heffingsambtenaar heeft ter zitting aangegeven dat zij uit coulance bereid zijn om de helft van de naheffingsaanslagen te vernietigen, onder de voorwaarde dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en dit voorstel in een proces-verbaal aan eiser voorgelegd. De gemachtigde van eiser heeft te kennen gegeven niet eens te zijn met de voorwaarde om geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
6.1.
Op 22 juni 2026 heeft de rechtbank partijen medegedeeld voldoende geïnformeerd te zijn en voornemens te zijn zonder nadere zitting uitspraak te doen, tenzij een van de partijen binnen twee weken aangeeft mondeling te willen worden gehoord. Partijen hebben niet op deze brief gereageerd. De rechtbank sluit het onderzoek en doet uitspraak zonder nadere zitting.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Is het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard?
8. Eiser beroept zich op het standpunt dat het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser voert allereerst aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte niet de eventueel verschoonbare redenen heeft opgevraagd. In het kader van een zorgvuldig onderzoek, lag het op de weg van de heffingsambtenaar om nader te onderzoeken of er sprake is van verschoonbare redenen waardoor te laat bezwaar is gemaakt. Eiser is primair van mening dat het bezwaar hierdoor niet kennelijk niet-ontvankelijk verklaard had mogen worden. Daarnaast is eiser van mening dat de heffingsambtenaar ten onrechte het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu de enkele termijnoverschrijding niet automatisch leidt tot kennelijke niet-ontvankelijkheid. De heffingsambtenaar heeft ten onrechte eiser niet gehoord en had het bezwaar niet automatisch kennelijk niet-ontvankelijk mogen verklaren.
9. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Zij legt dat hierna verder uit.
10. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser in het bezwaarschrift van 11 augustus 2023 stelt, reeds bezwaar te hebben ingediend tegen de eerste 12 naheffingsaanslagen. Deze naheffingsaanslagen zijn in de periode van 13 april tot en met 1 juni 2023 opgelegd. In het beroepschrift merkt eiser op dat hij het bezwaarschrift tegen deze naheffingsaanslagen op 20 juni 2023 heeft ingediend. De heffingsambtenaar heeft dit – ook ter zitting – onbetwist gelaten. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het betoog van eiser. Dit maakt dat de heffingsambtenaar– in ieder geval over een deel van de naheffingsaanslagen – ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet tijdig bezwaar heeft ingediend. Immers had eiser in ieder geval tijdig bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslagen die in mei en juni zijn opgelegd. Dit maakt dat de heffingsambtenaar ten onrechte het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast stelt de rechtbank tevens vast dat de heffingsambtenaar ook niet aan eiser heeft gevraagd of hij verschoonbare redenen zou hebben voor het te laat indienen van het bezwaarschrift ten aanzien van de andere aanslagen, waardoor eiser ook niet is gehoord, terwijl hij daar wel om had verzocht. De door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee dat hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren voordat hij belanghebbende in de gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Dat is niet anders indien het bezwaar is ingediend door een beroepsmatig optredende gemachtigde. Gelet hierop kleeft aan de uitspraak op bezwaar tevens een zorgvuldigheidsgebrek en is eiser ten onrechte niet gehoord.
10. De rechtbank ziet gelet op het bovenstaande aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en de uitspraak op bezwaar te vernietigen.
10. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, maar zal de zaak terugverwijzen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank stelt namelijk vast dat voor een aantal opgelegde aanslagen geldt dat het bezwaar niet te laat was, en dat als gevolg van het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaren, eiser niet is gehoord. De heffingsambtenaar heeft derhalve in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb en artikel 25, eerste lid, van de AWR gehandeld. De uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd.
Proceskosten
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld.
13. De rechtbank is van oordeel dat, in lijn met het richtsnoer van de hoven, een wegingsfactor van 0,5 moet worden gehanteerd voor de zwaarte van de zaak. Het geschil in beroep betreft namelijk uitsluitend het antwoord op de vraag of het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard en de hoorplicht is geschonden.
15. De rechtbank kent gezien het voorgaande en met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan eiser een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe van € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor 0,5 ).
Immateriële schadevergoeding
16. Eiser heeft tot slot verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
16. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift, 20 juni 2023, en de dag van deze uitspraak zit afgerond 3 jaar en 1 maand. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met 1 jaar en 1 maand dat schadevergoeding moet worden toegekend.
16. In het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 zijn nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor het vaststellen van het recht op immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn. Omdat het financiële belang hoger dan € 1.000,- is kan de rechtbank niet volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Daarom geldt in deze zaak een tarief van € 500,- per half jaar. De schadevergoeding bedraagt dus € 1.500,-.
19. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat ieder in een met die verwijtbaarheid overeenkomend deel van de schade zal veroordelen.
19. In de zaak van eiser heeft de bezwaarfase vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 20 juni 2023 en de uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024 afgerond 6 maanden en 16 dagen geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 16 dagen is overschreden. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf het moment van ontvangst van het beroepschrift op 28 februari 2024, afgerond 2 jaar en 4 maanden geduurd en daarmee 10 maanden te lang. Dat leidt ertoe dat de heffingsambtenaar afgerond € 75,95 aan schadevergoeding aan eiser moet betalen en de Staat afgerond € 1.424,05.
19. De rechtbank heeft de Staat aangemerkt als partij bij dit beroep. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000,- is, hoeft de minister niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en verwijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar die eiser alsnog in de gelegenheid moet stellen om te worden gehoord en opnieuw uitspraak op het bezwaar moet doen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024;
verwijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar en draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van immateriële schadevergoeding aan eiser van € 75,95,-;
veroordeelt de Staat tot het betalen van immateriële schadevergoeding aan eiser van € 1.424,05,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:57, derde lid, van de Awb.
Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onder andere neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
ECLI:NL:HR:2024:853