Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5306
2026-07-29
Civiel recht
11824703 \ MC EXPL 25-4382
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijwaring. [procesdeelnemer 1] heeft kosten schade die veroorzaakt is door [procesdeelneemster 3] aan auto [procesdeelneemster 2] voorgeschoten en wil dat bedrag terug. [procesdeelneemster 2] vrijwaardt [procesdeelneemster 3]. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2025:7505)
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.856 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 29 juli 2026
In de hoofdzaak met zaaknummer: 11824703 \ MC EXPL 25-4382 van
[procesdeelnemer 1]
,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 1] ,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
[procesdeelneemster 2]
,
wonende te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 2] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V,
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer: 12068069 \ MC EXPL 26-352 van
[procesdeelneemster 2]
,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 2] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
[procesdeelneemster 3]
,
wonende te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 3] ,
gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders Juristen Incassospecialisten.
1De procedure in de hoofzaak
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 januari 2026,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.
1.2
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.
2De procedure in de vrijwaringszaak
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 december 2025,
- de dagvaarding van 21 januari 2026,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.
2.2
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.
3De kern van de zaak
3.1
[procesdeelnemer 1] vordert betaling van € 3.074,39, vermeerderd met rente en kosten. Hij heeft dit bedrag voorgeschoten, zodat [procesdeelneemster 2] de schade aan haar auto die [procesdeelneemster 3] heeft veroorzaakt toen [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] in haar auto reden, kon laten herstellen. Nadat [procesdeelneemster 2] haar auto heeft laten herstellen, heeft haar verzekeraar het schadebedrag aan het schadebedrijf vergoed. De betaling van [procesdeelnemer 1] aan [procesdeelneemster 2] is daarmee onverschuldigd geworden, stelt [procesdeelnemer 1] . [procesdeelneemster 2] betwist dat. Volgens haar is niet afgesproken dat zij het bedrag hoefde terug te betalen.
[procesdeelneemster 2] heeft [procesdeelneemster 3] in vrijwaring opgeroepen, omdat zij vindt dat als zij wordt veroordeeld tot enig bedrag, [procesdeelneemster 3] dat bedrag aan [procesdeelneemster 2] moet vergoeden.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [procesdeelneemster 2] aan [procesdeelnemer 1] een bedrag van € 2.288,39 moet betalen en wijst de vorderingen van [procesdeelneemster 2] op [procesdeelneemster 3] af.
4De beoordeling
Wat is er gebeurd?
4.1
[procesdeelnemer 1] , [procesdeelneemster 3] en [procesdeelneemster 2] zijn bestuursleden van de [naam] (hierna: [naam] ). Op 30 augustus 2024 tijdens de beleidsdagen in [plaats 2] zouden [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] zouden een ander bestuurslid ophalen die niet zelfstandig op locatie kon komen, maar de auto van [procesdeelnemer 1] bleek een lekke band te hebben. [procesdeelneemster 2] heeft haar auto toen aan [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] uitgeleend. [procesdeelneemster 3] heeft de auto bestuurd en [procesdeelnemer 1] was passagier. Tijdens de autorit heeft [procesdeelneemster 3] schade aan de auto van [procesdeelneemster 2] veroorzaakt. [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] hebben [procesdeelneemster 2] hiervan bij terugkomst in [plaats 2] op de hoogte gesteld.
4.2
Nadat een schadebedrijf een inschatting had gemaakt van de schade heeft [procesdeelnemer 1] op 9 oktober 2024 een bedrag van € 3.074,39 overgemaakt op de rekening van [procesdeelneemster 2] . Uiteindelijk bleek de schade in werkelijkheid € 2.988,77 te bedragen. Dit bedrag is op 1 november 2024 door de verzekeraar van [procesdeelneemster 2] aan het schadebedrijf betaald. [procesdeelneemster 2] had wel een verlies van haar no-claim korting ten bedrage van € 786,00. Zij kon dit bedrag via de vrijwilligersverzekering van de gemeente [.] vergoed krijgen, maar zij heeft daarvan afgezien. Uiteindelijk heeft de vrijwilligersverzekering dit bedrag op 18 november 2025 aan [procesdeelnemer 1] betaald.
4.3
[procesdeelnemer 1] vordert terugbetaling van het bedrag van € 3.074,39. Hij stelt dat hij dit bedrag heeft onverschuldigd heeft betaald aan [procesdeelneemster 2] , dan wel dat [procesdeelneemster 2] met dat bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt.
4.4
[procesdeelneemster 2] vordert dat als zij in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan [procesdeelnemer 1] enig bedrag te betalen, [procesdeelneemster 3] dit bedrag aan [procesdeelneemster 2] betaalt, vermeerderd met rente en inclusief de kostenveroordeling. Daarnaast vordert zij een bedrag van € 2.988,77, vermeerderd met rente en vergoeding van de proceskosten in de vrijwaringszaak.
in de hoofzaak
Partijen hebben afgesproken dat [procesdeelneemster 2] het voorgeschoten bedrag zou terugbetalen
4.5
Partijen verschillen van mening over de vraag wat partijen nou hebben afgesproken. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Dat houdt in dat de kantonrechter niet alleen kijkt naar de letterlijke bewoordingen van de afspraak, maar ook naar wat partijen redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten.
4.6
Volgens [procesdeelnemer 1] hebben partijen afgesproken dat [procesdeelnemer 1] [procesdeelneemster 2] een bedrag zou voorschieten op het moment dat [procesdeelneemster 2] een inschatting had van de schade aan haar auto en zou [procesdeelneemster 2] dat bedrag weer terugbetalen als ‘alles duidelijk zou zijn’. [procesdeelneemster 2] betwist dat partijen hebben afgesproken dat zij het bedrag aan [procesdeelnemer 1] zou terugbetalen. De kantonrechter gaat uit van de uitleg van [procesdeelnemer 1] . In de e-mail van Achmea Centraal Beheer (de verzekeraar van [procesdeelneemster 2] ) van 24 april 2025 (productie 001 [procesdeelneemster 2] ) bericht de medewerker van Achmea aan [procesdeelneemster 2] het volgende: “Bevestiging telefonisch overleg. U gaf aan niet meer betrokken te willen worden op bovengenoemd dossier. Uw collega heeft de schade aan u voorgeschoten (…)”. Hieruit volgt dat [procesdeelneemster 2] er ook van uit ging dat het bedrag dat [procesdeelnemer 1] aan haar betaalde, een voorschot was. Dat ondersteunt de stelling van [procesdeelnemer 1] dat [procesdeelneemster 2] het door [procesdeelnemer 1] aan [procesdeelneemster 2] betaalde bedrag zou terugbetalen. De definitie van voorschieten is namelijk: voor een ander betalen in afwachting van terugbetaling. [procesdeelneemster 2] heeft bovendien bij [procesdeelnemer 1] de indruk gewekt dat als er schade zou worden gereden met de auto van [procesdeelneemster 2] , deze vergoed zou worden door de verzekeraar van [procesdeelneemster 2] . Uit de verklaringen van de heer [A] , de heer [B] en mevrouw [C] (productie 1 [procesdeelnemer 1] ) die erbij waren toen [procesdeelneemster 2] toestemming aan [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] gaf om haar auto te lenen, volgt dat [procesdeelneemster 2] tegen [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] heeft gezegd dat zij haar auto wel mocht lenen, omdat zij allrisk verzekerd was en daarom niet bang was voor problemen als er schade zou worden gereden. [procesdeelnemer 1] mocht daarom redelijkerwijze verwachten dat als er schade werd gereden met de auto van [procesdeelneemster 2] , dit door de verzekeraar van [procesdeelneemster 2] zou worden gedekt. Met die gedachte in het achterhoofd heeft hij aangeboden de kosten van de schade voor te schieten. [procesdeelneemster 2] had door haar uitspraak bij het uitlenen van de auto erop bedacht moeten zijn dat toen [procesdeelnemer 1] naderhand het aanbod deed om haar schade voor te schieten, hij terugbetaling verlangde van het door hem betaalde bedrag. Te meer omdat nadat [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] tegen [procesdeelneemster 2] hadden gezegd dat er schade was aan haar auto, [procesdeelneemster 2] alleen bezorgd was over het moment dát zij haar schade door de verzekeraar uitgekeerd zou krijgen en niet óf haar schade uitgekeerd zou worden. [procesdeelnemer 1] heeft daarmee voldoende onderbouwd dat is afgesproken dat [procesdeelneemster 2] het door [procesdeelnemer 1] voorgeschoten bedrag zou terugbetalen.
4.7
De grondslag van de vordering van [procesdeelnemer 1] is daarmee ook de afspraak die tussen partijen geldt: namelijk dat [procesdeelneemster 2] het door [procesdeelnemer 1] voorgeschoten bedrag zou terugbetalen. Deze afspraak kwalificeert als een overeenkomst van geldlening, zodat van een onverschuldigde betaling of een ongerechtvaardigde verrijking dus geen sprake is.
[procesdeelneemster 2] moet nog een bedrag van € 2.288,39 aan [procesdeelnemer 1] betalen
4.8
[procesdeelnemer 1] heeft op 18 november 2025 van de vrijwilligersverzekering van de gemeente [.] een bedrag van € 786,00 ontvangen. Dit is het bedrag dat [procesdeelneemster 2] kon ontvangen als vergoeding voor het verlies van haar no-claim korting. Omdat [procesdeelneemster 2] van deze vergoeding afstand heeft gedaan, kon [procesdeelnemer 1] daarop aanspraak maken. Dit bedrag ziet de kantonrechter dan ook als een gedeeltelijke afbetaling van het voorgeschoten bedrag van [procesdeelneemster 2] aan [procesdeelnemer 1] . Dit bedrag strekt daarom in mindering op het gevorderde bedrag van € 3.074,39. De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.288,39.
De wettelijke rente
4.9
[procesdeelnemer 1] vordert € 145,92 aan wettelijke rente berekend over het bedrag van € 3.074,39 vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van de dagvaarding (30 juli 2025).
4.10
Uit de incassobrief van 19 mei 2025 volgt dat [procesdeelnemer 1] als verzuimdatum heeft genomen de datum dat hij het bedrag van € 3.074,39 op de rekening van [procesdeelneemster 2] heeft overgemaakt. [procesdeelneemster 2] was toen echter nog niet in verzuim, omdat zij toen het voorgeschoten bedrag nog niet aan [procesdeelnemer 1] hoefde terug te betalen. Omdat nergens uit blijkt dat partijen een moment van terugbetaling hebben afgesproken, stelt de kantonrechter vast dat sprake is van een geldlening voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat [procesdeelnemer 1] om het voorgeschoten bedrag op te kunnen eisen eerst uitdrukkelijk aanspraak moet maken op terugbetaling en [procesdeelneemster 2] daarvoor een redelijke termijn moet bieden. [procesdeelnemer 1] heeft dat gedaan met zijn incassobrief van 28 april 2025 waarin hij [procesdeelneemster 2] een termijn van 14 dagen heeft gegeven, ingaande na dagtekening van de brief, om het voorgeschoten bedrag terug te betalen. [procesdeelneemster 2] heeft deze termijn laten verstrijken zonder tot betaling over te gaan, zodat zij op 13 mei 2025 in verzuim is geraakt. Dat is later dan de datum waar [procesdeelnemer 1] van uit ging, zodat het gevorderde bedrag van € 145,92 aan wettelijke rente dus te hoog is.
4.11
[procesdeelnemer 1] vordert daarnaast de wettelijke rente berekend over een bedrag van € 3.723,56 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de volledige betaling. Het bedrag bestaat uit de hoofdsom, de incassokosten en de verschenen wettelijke rente. [procesdeelnemer 1] vordert dus samengestelde rente (wettelijke rente over verschenen en niet betaalde wettelijke rente). Samengestelde rente wordt alleen toegewezen over achterstallige rente die over een vol jaar verschuldigd is. Daar is in dit geval geen sprake van, zodat de samengestelde rente zal worden afgewezen.
4.12
Tot slot is op 18 november 2025 een deel van de hoofdsom afgelost. [procesdeelnemer 1] heeft hiermee geen rekening gehouden bij zijn vordering, zodat hij over een te hoog bedrag wettelijke rente vordert. Dit alles maakt het berekenen van de wettelijke rente ingewikkeld. De kantonrechter wijst daarom de wettelijke rente toe over het bedrag van € 3.074,39 van 13 mei 2025 tot aan 18 november 2025 en over het bedrag van € 2.288,39 vanaf 18 november 2025 tot aan de volledige betaling.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.13
[procesdeelnemer 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [procesdeelneemster 2] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [procesdeelnemer 1] heeft aan [procesdeelneemster 2] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. [procesdeelnemer 1] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [procesdeelnemer 1] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 415,34 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De proceskosten
4.14
[procesdeelneemster 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [procesdeelnemer 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.035,64
in de vrijwaringszaak
[procesdeelneemster 2] heeft geen schade dus haar vorderingen worden afgewezen
4.15
Omdat [procesdeelneemster 3] de schade heeft veroorzaakt en dus onrechtmatig tegenover [procesdeelneemster 2] heeft gehandeld, moet [procesdeelneemster 3] het bedrag dat [procesdeelneemster 2] in de hoofzaak aan [procesdeelnemer 1] moet betalen, aan [procesdeelneemster 2] vergoeden, aldus [procesdeelneemster 2] . De kantonrechter volgt [procesdeelneemster 2] hierin niet. [procesdeelneemster 2] legt namelijk aan haar vorderingen onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag, maar voor beiden is vereist dat [procesdeelneemster 2] schade heeft. En die heeft zij niet. De schade aan haar auto is immers al vergoed door haar verzekeraar en de schade die [procesdeelneemster 2] heeft geleden vanwege het verlies van haar no-claim korting is aan [procesdeelnemer 1] vergoed door de vrijwilligersverzekering van de gemeente [.] waardoor de vordering van [procesdeelnemer 1] op [procesdeelneemster 2] is verminderd. De vordering zal dus worden afgewezen.
4.16
Hetzelfde geldt voor de vordering van € 2.988,77. Dit bedrag correspondeert met de hoogte van de kosten voor het herstellen van haar auto. Ook aan deze vordering legt [procesdeelneemster 2] onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag, maar ook hierbij geldt dat dit geen schade (meer) is. Het bedrag van € 2.988,77 heeft de verzekeraar van [procesdeelneemster 2] direct aan het schadebedrijf dat de auto van [procesdeelneemster 2] heeft hersteld, uitgekeerd. Dit bedrag heeft [procesdeelneemster 2] nooit zelf aan het schadebedrijf hoeven betalen, zodat [procesdeelneemster 2] in haar schade al is gecompenseerd. [procesdeelneemster 3] hoeft dat bedrag dan niet ook nog eens aan [procesdeelneemster 2] te betalen. Dat zou dubbelop zijn.
Ook is de schade die [procesdeelneemster 2] heeft geleden vanwege het verlies van haar no-claim korting al gecompenseerd, zodat er geen reden bestaat voor [procesdeelneemster 2] om het bedrag van € 2.988,77 aan haar verzekering terug te willen betalen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
De proceskosten
4.17
[procesdeelneemster 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [procesdeelneemster 3] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
632,50
4.18
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
in de hoofdzaak
5.1
veroordeelt [procesdeelneemster 2] om aan [procesdeelnemer 1] te betalen een bedrag van € 2.288,39, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 3.074,39 met ingang van 13 mei 2025 tot aan 18 november 2025 en over het bedrag van € 2.288,39 met ingang vanaf 18 november 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [procesdeelneemster 2] om aan [procesdeelnemer 1] te betalen een bedrag van € 415,34 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding (30 juli 2025), tot de dag van volledig betaling,
5.3
veroordeelt [procesdeelneemster 2] in de proceskosten van € 1.035,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [procesdeelneemster 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4
verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5
wijst het meer of anders gevorderde in deze zaak af,
in de vrijwaringszaak
5.6
wijst de vorderingen van [procesdeelneemster 2] af,
5.7
veroordeelt [procesdeelneemster 2] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [procesdeelneemster 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8
veroordeelt [procesdeelneemster 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9
verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
69134
De rechter moet op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechtsgronden aanvullen.
Artikel 6:119 BW.
Artikel 6:162 BW en artikel 6:212 BW.
Zie randnummer 4.8.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 29 juli 2026
In de hoofdzaak met zaaknummer: 11824703 \ MC EXPL 25-4382 van
[procesdeelnemer 1]
,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 1] ,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
[procesdeelneemster 2]
,
wonende te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 2] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V,
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer: 12068069 \ MC EXPL 26-352 van
[procesdeelneemster 2]
,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 2] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
[procesdeelneemster 3]
,
wonende te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 3] ,
gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders Juristen Incassospecialisten.
1De procedure in de hoofzaak
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 januari 2026,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.
1.2
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.
2De procedure in de vrijwaringszaak
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 december 2025,
- de dagvaarding van 21 januari 2026,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.
2.2
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.
3De kern van de zaak
3.1
[procesdeelnemer 1] vordert betaling van € 3.074,39, vermeerderd met rente en kosten. Hij heeft dit bedrag voorgeschoten, zodat [procesdeelneemster 2] de schade aan haar auto die [procesdeelneemster 3] heeft veroorzaakt toen [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] in haar auto reden, kon laten herstellen. Nadat [procesdeelneemster 2] haar auto heeft laten herstellen, heeft haar verzekeraar het schadebedrag aan het schadebedrijf vergoed. De betaling van [procesdeelnemer 1] aan [procesdeelneemster 2] is daarmee onverschuldigd geworden, stelt [procesdeelnemer 1] . [procesdeelneemster 2] betwist dat. Volgens haar is niet afgesproken dat zij het bedrag hoefde terug te betalen.
[procesdeelneemster 2] heeft [procesdeelneemster 3] in vrijwaring opgeroepen, omdat zij vindt dat als zij wordt veroordeeld tot enig bedrag, [procesdeelneemster 3] dat bedrag aan [procesdeelneemster 2] moet vergoeden.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [procesdeelneemster 2] aan [procesdeelnemer 1] een bedrag van € 2.288,39 moet betalen en wijst de vorderingen van [procesdeelneemster 2] op [procesdeelneemster 3] af.
4De beoordeling
Wat is er gebeurd?
4.1
[procesdeelnemer 1] , [procesdeelneemster 3] en [procesdeelneemster 2] zijn bestuursleden van de [naam] (hierna: [naam] ). Op 30 augustus 2024 tijdens de beleidsdagen in [plaats 2] zouden [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] zouden een ander bestuurslid ophalen die niet zelfstandig op locatie kon komen, maar de auto van [procesdeelnemer 1] bleek een lekke band te hebben. [procesdeelneemster 2] heeft haar auto toen aan [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] uitgeleend. [procesdeelneemster 3] heeft de auto bestuurd en [procesdeelnemer 1] was passagier. Tijdens de autorit heeft [procesdeelneemster 3] schade aan de auto van [procesdeelneemster 2] veroorzaakt. [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] hebben [procesdeelneemster 2] hiervan bij terugkomst in [plaats 2] op de hoogte gesteld.
4.2
Nadat een schadebedrijf een inschatting had gemaakt van de schade heeft [procesdeelnemer 1] op 9 oktober 2024 een bedrag van € 3.074,39 overgemaakt op de rekening van [procesdeelneemster 2] . Uiteindelijk bleek de schade in werkelijkheid € 2.988,77 te bedragen. Dit bedrag is op 1 november 2024 door de verzekeraar van [procesdeelneemster 2] aan het schadebedrijf betaald. [procesdeelneemster 2] had wel een verlies van haar no-claim korting ten bedrage van € 786,00. Zij kon dit bedrag via de vrijwilligersverzekering van de gemeente [.] vergoed krijgen, maar zij heeft daarvan afgezien. Uiteindelijk heeft de vrijwilligersverzekering dit bedrag op 18 november 2025 aan [procesdeelnemer 1] betaald.
4.3
[procesdeelnemer 1] vordert terugbetaling van het bedrag van € 3.074,39. Hij stelt dat hij dit bedrag heeft onverschuldigd heeft betaald aan [procesdeelneemster 2] , dan wel dat [procesdeelneemster 2] met dat bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt.
4.4
[procesdeelneemster 2] vordert dat als zij in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan [procesdeelnemer 1] enig bedrag te betalen, [procesdeelneemster 3] dit bedrag aan [procesdeelneemster 2] betaalt, vermeerderd met rente en inclusief de kostenveroordeling. Daarnaast vordert zij een bedrag van € 2.988,77, vermeerderd met rente en vergoeding van de proceskosten in de vrijwaringszaak.
in de hoofzaak
Partijen hebben afgesproken dat [procesdeelneemster 2] het voorgeschoten bedrag zou terugbetalen
4.5
Partijen verschillen van mening over de vraag wat partijen nou hebben afgesproken. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Dat houdt in dat de kantonrechter niet alleen kijkt naar de letterlijke bewoordingen van de afspraak, maar ook naar wat partijen redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten.
4.6
Volgens [procesdeelnemer 1] hebben partijen afgesproken dat [procesdeelnemer 1] [procesdeelneemster 2] een bedrag zou voorschieten op het moment dat [procesdeelneemster 2] een inschatting had van de schade aan haar auto en zou [procesdeelneemster 2] dat bedrag weer terugbetalen als ‘alles duidelijk zou zijn’. [procesdeelneemster 2] betwist dat partijen hebben afgesproken dat zij het bedrag aan [procesdeelnemer 1] zou terugbetalen. De kantonrechter gaat uit van de uitleg van [procesdeelnemer 1] . In de e-mail van Achmea Centraal Beheer (de verzekeraar van [procesdeelneemster 2] ) van 24 april 2025 (productie 001 [procesdeelneemster 2] ) bericht de medewerker van Achmea aan [procesdeelneemster 2] het volgende: “Bevestiging telefonisch overleg. U gaf aan niet meer betrokken te willen worden op bovengenoemd dossier. Uw collega heeft de schade aan u voorgeschoten (…)”. Hieruit volgt dat [procesdeelneemster 2] er ook van uit ging dat het bedrag dat [procesdeelnemer 1] aan haar betaalde, een voorschot was. Dat ondersteunt de stelling van [procesdeelnemer 1] dat [procesdeelneemster 2] het door [procesdeelnemer 1] aan [procesdeelneemster 2] betaalde bedrag zou terugbetalen. De definitie van voorschieten is namelijk: voor een ander betalen in afwachting van terugbetaling. [procesdeelneemster 2] heeft bovendien bij [procesdeelnemer 1] de indruk gewekt dat als er schade zou worden gereden met de auto van [procesdeelneemster 2] , deze vergoed zou worden door de verzekeraar van [procesdeelneemster 2] . Uit de verklaringen van de heer [A] , de heer [B] en mevrouw [C] (productie 1 [procesdeelnemer 1] ) die erbij waren toen [procesdeelneemster 2] toestemming aan [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] gaf om haar auto te lenen, volgt dat [procesdeelneemster 2] tegen [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] heeft gezegd dat zij haar auto wel mocht lenen, omdat zij allrisk verzekerd was en daarom niet bang was voor problemen als er schade zou worden gereden. [procesdeelnemer 1] mocht daarom redelijkerwijze verwachten dat als er schade werd gereden met de auto van [procesdeelneemster 2] , dit door de verzekeraar van [procesdeelneemster 2] zou worden gedekt. Met die gedachte in het achterhoofd heeft hij aangeboden de kosten van de schade voor te schieten. [procesdeelneemster 2] had door haar uitspraak bij het uitlenen van de auto erop bedacht moeten zijn dat toen [procesdeelnemer 1] naderhand het aanbod deed om haar schade voor te schieten, hij terugbetaling verlangde van het door hem betaalde bedrag. Te meer omdat nadat [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 3] tegen [procesdeelneemster 2] hadden gezegd dat er schade was aan haar auto, [procesdeelneemster 2] alleen bezorgd was over het moment dát zij haar schade door de verzekeraar uitgekeerd zou krijgen en niet óf haar schade uitgekeerd zou worden. [procesdeelnemer 1] heeft daarmee voldoende onderbouwd dat is afgesproken dat [procesdeelneemster 2] het door [procesdeelnemer 1] voorgeschoten bedrag zou terugbetalen.
4.7
De grondslag van de vordering van [procesdeelnemer 1] is daarmee ook de afspraak die tussen partijen geldt: namelijk dat [procesdeelneemster 2] het door [procesdeelnemer 1] voorgeschoten bedrag zou terugbetalen. Deze afspraak kwalificeert als een overeenkomst van geldlening, zodat van een onverschuldigde betaling of een ongerechtvaardigde verrijking dus geen sprake is.
[procesdeelneemster 2] moet nog een bedrag van € 2.288,39 aan [procesdeelnemer 1] betalen
4.8
[procesdeelnemer 1] heeft op 18 november 2025 van de vrijwilligersverzekering van de gemeente [.] een bedrag van € 786,00 ontvangen. Dit is het bedrag dat [procesdeelneemster 2] kon ontvangen als vergoeding voor het verlies van haar no-claim korting. Omdat [procesdeelneemster 2] van deze vergoeding afstand heeft gedaan, kon [procesdeelnemer 1] daarop aanspraak maken. Dit bedrag ziet de kantonrechter dan ook als een gedeeltelijke afbetaling van het voorgeschoten bedrag van [procesdeelneemster 2] aan [procesdeelnemer 1] . Dit bedrag strekt daarom in mindering op het gevorderde bedrag van € 3.074,39. De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.288,39.
De wettelijke rente
4.9
[procesdeelnemer 1] vordert € 145,92 aan wettelijke rente berekend over het bedrag van € 3.074,39 vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van de dagvaarding (30 juli 2025).
4.10
Uit de incassobrief van 19 mei 2025 volgt dat [procesdeelnemer 1] als verzuimdatum heeft genomen de datum dat hij het bedrag van € 3.074,39 op de rekening van [procesdeelneemster 2] heeft overgemaakt. [procesdeelneemster 2] was toen echter nog niet in verzuim, omdat zij toen het voorgeschoten bedrag nog niet aan [procesdeelnemer 1] hoefde terug te betalen. Omdat nergens uit blijkt dat partijen een moment van terugbetaling hebben afgesproken, stelt de kantonrechter vast dat sprake is van een geldlening voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat [procesdeelnemer 1] om het voorgeschoten bedrag op te kunnen eisen eerst uitdrukkelijk aanspraak moet maken op terugbetaling en [procesdeelneemster 2] daarvoor een redelijke termijn moet bieden. [procesdeelnemer 1] heeft dat gedaan met zijn incassobrief van 28 april 2025 waarin hij [procesdeelneemster 2] een termijn van 14 dagen heeft gegeven, ingaande na dagtekening van de brief, om het voorgeschoten bedrag terug te betalen. [procesdeelneemster 2] heeft deze termijn laten verstrijken zonder tot betaling over te gaan, zodat zij op 13 mei 2025 in verzuim is geraakt. Dat is later dan de datum waar [procesdeelnemer 1] van uit ging, zodat het gevorderde bedrag van € 145,92 aan wettelijke rente dus te hoog is.
4.11
[procesdeelnemer 1] vordert daarnaast de wettelijke rente berekend over een bedrag van € 3.723,56 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de volledige betaling. Het bedrag bestaat uit de hoofdsom, de incassokosten en de verschenen wettelijke rente. [procesdeelnemer 1] vordert dus samengestelde rente (wettelijke rente over verschenen en niet betaalde wettelijke rente). Samengestelde rente wordt alleen toegewezen over achterstallige rente die over een vol jaar verschuldigd is. Daar is in dit geval geen sprake van, zodat de samengestelde rente zal worden afgewezen.
4.12
Tot slot is op 18 november 2025 een deel van de hoofdsom afgelost. [procesdeelnemer 1] heeft hiermee geen rekening gehouden bij zijn vordering, zodat hij over een te hoog bedrag wettelijke rente vordert. Dit alles maakt het berekenen van de wettelijke rente ingewikkeld. De kantonrechter wijst daarom de wettelijke rente toe over het bedrag van € 3.074,39 van 13 mei 2025 tot aan 18 november 2025 en over het bedrag van € 2.288,39 vanaf 18 november 2025 tot aan de volledige betaling.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.13
[procesdeelnemer 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [procesdeelneemster 2] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [procesdeelnemer 1] heeft aan [procesdeelneemster 2] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. [procesdeelnemer 1] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [procesdeelnemer 1] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 415,34 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De proceskosten
4.14
[procesdeelneemster 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [procesdeelnemer 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.035,64
in de vrijwaringszaak
[procesdeelneemster 2] heeft geen schade dus haar vorderingen worden afgewezen
4.15
Omdat [procesdeelneemster 3] de schade heeft veroorzaakt en dus onrechtmatig tegenover [procesdeelneemster 2] heeft gehandeld, moet [procesdeelneemster 3] het bedrag dat [procesdeelneemster 2] in de hoofzaak aan [procesdeelnemer 1] moet betalen, aan [procesdeelneemster 2] vergoeden, aldus [procesdeelneemster 2] . De kantonrechter volgt [procesdeelneemster 2] hierin niet. [procesdeelneemster 2] legt namelijk aan haar vorderingen onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag, maar voor beiden is vereist dat [procesdeelneemster 2] schade heeft. En die heeft zij niet. De schade aan haar auto is immers al vergoed door haar verzekeraar en de schade die [procesdeelneemster 2] heeft geleden vanwege het verlies van haar no-claim korting is aan [procesdeelnemer 1] vergoed door de vrijwilligersverzekering van de gemeente [.] waardoor de vordering van [procesdeelnemer 1] op [procesdeelneemster 2] is verminderd. De vordering zal dus worden afgewezen.
4.16
Hetzelfde geldt voor de vordering van € 2.988,77. Dit bedrag correspondeert met de hoogte van de kosten voor het herstellen van haar auto. Ook aan deze vordering legt [procesdeelneemster 2] onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag, maar ook hierbij geldt dat dit geen schade (meer) is. Het bedrag van € 2.988,77 heeft de verzekeraar van [procesdeelneemster 2] direct aan het schadebedrijf dat de auto van [procesdeelneemster 2] heeft hersteld, uitgekeerd. Dit bedrag heeft [procesdeelneemster 2] nooit zelf aan het schadebedrijf hoeven betalen, zodat [procesdeelneemster 2] in haar schade al is gecompenseerd. [procesdeelneemster 3] hoeft dat bedrag dan niet ook nog eens aan [procesdeelneemster 2] te betalen. Dat zou dubbelop zijn.
Ook is de schade die [procesdeelneemster 2] heeft geleden vanwege het verlies van haar no-claim korting al gecompenseerd, zodat er geen reden bestaat voor [procesdeelneemster 2] om het bedrag van € 2.988,77 aan haar verzekering terug te willen betalen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
De proceskosten
4.17
[procesdeelneemster 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [procesdeelneemster 3] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
632,50
4.18
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
in de hoofdzaak
5.1
veroordeelt [procesdeelneemster 2] om aan [procesdeelnemer 1] te betalen een bedrag van € 2.288,39, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 3.074,39 met ingang van 13 mei 2025 tot aan 18 november 2025 en over het bedrag van € 2.288,39 met ingang vanaf 18 november 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [procesdeelneemster 2] om aan [procesdeelnemer 1] te betalen een bedrag van € 415,34 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding (30 juli 2025), tot de dag van volledig betaling,
5.3
veroordeelt [procesdeelneemster 2] in de proceskosten van € 1.035,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [procesdeelneemster 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4
verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5
wijst het meer of anders gevorderde in deze zaak af,
in de vrijwaringszaak
5.6
wijst de vorderingen van [procesdeelneemster 2] af,
5.7
veroordeelt [procesdeelneemster 2] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [procesdeelneemster 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8
veroordeelt [procesdeelneemster 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9
verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
69134
De rechter moet op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechtsgronden aanvullen.
Artikel 6:119 BW.
Artikel 6:162 BW en artikel 6:212 BW.
Zie randnummer 4.8.