Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5304
2026-07-29
Civiel recht
12111857 \ UE VERZ 26-75
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoekende partij verzoekt ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst en verzoekt vergoedingen. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe. Verwerende partij moet vergoedingen betalen aan verzoekende partij, omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.738 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12111857 \ UE VERZ 26-75
Beschikking van 29 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. A. Koopman,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verweerder]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Nieuw-Zeeland),
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. T.J. van Weeren.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 61 van [verzoeker] van 19 februari 2026;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 18 van [verweerder] ;
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitaantekeningen van [verzoeker] ;
- de spreekaantekeningen van [verweerder] .
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen, samen met de gemachtigde. Namens [verweerder] is de gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht waarbij de gemachtigden gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Aan het einde van de mondelinge behandeling is in eerste instantie de zaak aagehouden voor overleg tussen de partijen. Dat heeft niet tot een schikking geleid. Vervolgens is bepaald dat er een beschikking zal worden gewezen.
2De kern van de zaak
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1969, is sinds 1 februari 2018 in dienst bij [verweerder] als General Manager Sales & Marketing – Europe & Middle East met een loon van £ 10.395,50 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en eventuele bonusuitkering. [verweerder] is een bedrijf dat wereldwijd actief is in huisdierenvoeding. [verweerder] heeft wereldwijd ongeveer 305 werknemers. [verzoeker] verzoekt ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. Daarnaast verzoekt [verzoeker] verschillende vergoedingen. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontbindingsverzoek toewijsbaar is, mede omdat daartegen geen verweer is gevoerd. [verweerder] moet bovendien verschillende vergoedingen betalen aan [verzoeker] , omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
3De beoordeling
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026
3.1
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Op grond van artikel 7:671c BW kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3.2
Uit de processtukken en uit wat er tijdens de mondelinge behandeling is gesteld, is voor de kantonrechter komen vast te staan dat de arbeidsrelatie geen vruchtbare toekomst meer heeft. [verweerder] voert ook geen verweer tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek zal daarom worden toegewezen. Bij dat oordeel heeft meegewogen het feit dat het hier om een werknemersverzoek gaat. Verder is van belang dat gelet op het (grond)recht van vrije arbeidskeuze een verzoek door de werknemer in beginsel gehonoreerd dient te worden.
3.3
[verzoeker] verzoekt om bij het bepalen van de ontbindingsdatum rekening te houden met de wettelijke opzegtermijn van drie maanden. [verweerder] heeft verzocht de proceduretijd in mindering te brengen op de opzegtermijn. Voor een ontbinding op verzoek van de werknemer hoeft de kantonrechter ook geen rekening te houden met de geldende opzegtermijnen. In dit geval ziet de kantonrechter aanleiding de arbeidsovereenkomst te ontbinden per de eerste van de volgende maand, dus met ingang van 1 augustus 2026.
Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder]
3.4
[verzoeker] verzoekt om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Toekenning van deze vergoedingen is bij een ontbindingsverzoek door de werknemer slechts mogelijk als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:673 lid 1 sub b onder 2 BW en artikel 7:671c lid 2 sub b BW). Van ernstig verwijtbaar handelen is sprake wanneer een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Naar het oordeel van de kantonrechter is aan de voorwaarde van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten voldaan. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
3.5
Op 15 maart 2020 is [verzoeker] , met toestemming van [A] namens [verweerder] , naar Nederland verhuisd. Vanaf dat moment was [verzoeker] belastingplichtig in Nederland (zoals gebleken). [verweerder] heeft, ondanks adviezen van [B] en aandringen van [verzoeker] , jarenlang verzuimd om op de juiste wijze de belastingen en sociale premies af te dragen waartoe zij verplicht was. De door [verweerder] aangedragen oorzaken (een wereldwijde pandemie, een verkoop aan private equity, een natuurramp en het ‘niet voortvarend’ handelen van [B] in deze kwestie) voor het niet afdragen van de juiste belastingen en sociale premies ontslaat haar niet van deze verplichting. Het voorgaande getuigt niet van goed werkgeverschap en valt [verweerder] ernstig te verwijten.
3.6
Het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] volgt ook uit het feit dat zij niet is overgegaan tot het indienen van een aanvraag voor de 30%-regeling, Hoewel niet kan worden vastgesteld dat [verzoeker] voor de 30%-regeling in aanmerking zou zijn gekomen, hierover later meer, heeft [verweerder] ook ten aanzien van dit punt onjuist gehandeld. Niet gebleken is dat [verweerder] op enig moment de aanvraag van de 30%-regeling daadwerkelijk heeft ingediend, ondanks haar eerdere toezeggingen.
3.7
Vervolgens handelt [verweerder] ernstig verwijtbaar tegenover [verzoeker] door hem in april 2025 mede te delen dat [verweerder] “voornemens” is om de arbeidsplaats van [verzoeker] te laten vervallen, maar dat een ontslagprocedure bij UWV vervolgens uitblijft. Dit heeft [verzoeker] in een uitermate kwetsbare positie gebracht. Dat er discussie bestond over diverse fiscale aspecten aangaande de arbeidsovereenkomst doet hieraan niet af. [verweerder] heeft [verzoeker] gedurende een onnodig lange periode in onzekerheid gehouden over een eventuele beëindiging van zijn dienstverband en de voorwaarden waaronder dit zou gebeuren. Steeds opnieuw doet [verweerder] , bij monde van steeds verschillende gemachtigden, toezeggingen waarop later weer wordt terugkomen. Het eindeloos dralen en het veranderen van standpunt ten aanzien van de fiscale aangelegenheden en de voorwaarden voor beëindiging hebben de onderhandelingen onnodig vertraagd.
3.8
Wat tot slot [verweerder] ernstig valt te verwijten is, naast het niet afdragen van de juiste belastingen en premies, het niet hebben van een juiste arbo-voorziening in Nederland en het niet naleven van de in Nederland geldende wet- en regelgeving ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] .
3.9
Op basis van het voorgaande is de conclusie dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld tegenover [verzoeker] .
[verweerder] moet aan [verzoeker] een transitievergoeding betalen van € 40.935,85
3.10
[verzoeker] verzoekt om toekenning van een transitievergoeding van € 44.285,97. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] heeft [verzoeker] recht op de wettelijke transitievergoeding. Het verzochte bedrag van € 44.285,97 is berekend met een uitdiensttreding per 1 oktober 2026. Aangezien de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2026 wordt ontbonden, is dit verzochte bedrag niet toewijsbaar, bovendien is het gemiddelde van de bonus over een onjuiste periode berekend (2022 – 2024, dit moet zijn 2023 – 2025). De kantonrechter zal de transitievergoeding ambtshalve berekenen met inachtneming van de vastgestelde einddatum. Dit betekent dat [verweerder] aan [verzoeker] een transitievergoeding moet betalen van € 40.935,85 bruto. De betalingstermijn van uiterlijk binnen één maand na de ontbindingsdatum is niet weersproken en acht de kantonrechter een redelijke termijn.
[verweerder] moet aan [verzoeker] een billijke vergoeding betalen van € 309.892,32
3.11
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt ook toegewezen omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .
3.12
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen toe te rekenen zijn aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel.
3.13
[verzoeker] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van in totaal € 619.784,64 [verzoeker] noemt voor de berekening onder andere de volgende posten.
verwachte duur arbeidsovereenkomst: tot en met oktober 2027. Vanaf einddatum dienstverband betekent dit 14 maanden;
periode werkloosheid: de verwachtte duur van werkloosheid dan wel het vinden van een vergelijkbare dienstbetrekking inclusief een benodigde periode voor herstel wordt geschat op 24 maanden;
hoogte WW-uitkering: indien en voor zover [verzoeker] al aanspraak zou kunnen maken op een WW uitkering, betekent dit een inkomensterugval van € 37.719,23 (genomen over acht maanden).
3.14
Er is een causaal verband met het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . Aangezien dit handelen er toe heeft geleid dat [verzoeker] om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst heeft verzocht. Alles afwegende en rekening houdend met de mate van ernstige verwijtbaarheid, zoals hiervoor overwogen, van [verweerder] en het door [verzoeker] ondervonden nadeel, acht de kantonrechter een billijke vergoeding ter hoogte van € 309.892,32 (twee jaarsalarissen) redelijk. Aan [verzoeker] wordt dan ook een billijke vergoeding van € 309.892,32 toegewezen.
[verweerder] hoeft geen (achterstallig) loon tijdens ziekte te betalen
3.15
[verzoeker] stelt op grond van artikel 7:655 lid 1 sub h BW en artikel 4 lid 1 jo artikel 6 Richtlijn dat [verweerder] hem had moeten informeren over de gevolgen van de relocatie voor zijn loon tijdens ziekte, dit heeft [verweerder] niet gedaan. Indien [verzoeker] had geweten dat de relocatie een dergelijke terugval in inkomsten tijdens ziekte betekende, had hij maatregelen kunnen treffen om deze terugval adequaat te ondervangen. [verweerder] betwist dit. Zij stelt dat zij [verzoeker] direct geïnformeerd heeft toen duidelijk werd dat (naar alle waarschijnlijkheid) het Nederlands recht op de arbeidsovereenkomst van toepassing zou zijn in november 2025.
3.16
De kantonrechter volgt het standpunt van [verzoeker] niet. [verweerder] is niet bekend met de Nederlandse arbeidsmarkt. [verzoeker] is op eigen initiatief (met, zoals hierboven overwogen, toestemming van [verweerder] ) vanuit Nederland gaan werken. Bovendien is niet gesteld noch gebleken dat de Nederlandse regeling ten aanzien van loondoorbetaling nadeliger zou zijn dan de regeling ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
[verweerder] moet het achterstallige vakantiegeld betalen
3.17
[verzoeker] verzoekt betaling van vakantiegeld over de periode van 15 maart 2020 tot en met 31 mei 2025. In de arbeidsovereenkomst zijn geen afspraken gemaakt over het recht op en de betaling van het vakantiegeld zoals bedoeld in artikel 15 Wml. Door [verweerder] is niet betwist dat er geen afzonderlijke betaling van vakantiegeld heeft plaatsgevonden, maar stelt dat het vakantiegeld is inbegrepen in het all-inloon. [verweerder] heeft dit onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Het had op de weg gelegen van [verweerder] om, indien en voor zover hierover afspraken bestonden, deze aan de hand van nadere stukken te onderbouwen. Gelet hierop wordt het verzoek van [verzoeker] tot uitbetaling van het vakantiegeld toegewezen, tot een bedrag van € 59.778,75 bruto. Dit bedrag is bovendien vatbaar voor de wettelijke verhoging van 50% op grond van artikel 7:625 BW.
[verweerder] moet over een bruto bonus betalen van € 29.122,50 over 2025, en € 19.415,00 bruto over 2026
3.18
[verzoeker] verzoekt uitbetaling van een bonus over de jaren 2025 en 2026 (naar rato). [verzoeker] stelt recht te hebben op een bonus (het gemiddelde over de afgelopen 5 jaar) omdat in de bonusregeling is opgenomen dat hij recht heeft op een bonus indien de vooraf overeengekomen KPI’s zijn behaald. Hoewel voor 2025 en 2026 geen KPI’s zijn vastgesteld, mocht [verzoeker] erop vertrouwen dat de bonus ook over deze jaren zou worden toegekend, gelet op de eerdere jaren waarin bonussen zijn uitbetaald. Dit wordt door [verweerder] betwist. De bonus is naar haar aard resultaatsafhankelijk en niet onvoorwaardelijk verschuldigd. Als geen KPI’s zijn vastgesteld, kan ook niet worden beoordeeld of daaraan is voldaan. Daarmee ontbreekt de contractuele basis voor de door [verzoeker] gevorderde bonus. Te meer nu de resultaten in Europa ‘belabberd’ waren. De betalingen van een bonus liepen van jaar tot jaar sterk uiteen, daarnaast werd over 2022 een speciale bonus uitgekeerd, waardoor het gemiddelde geen representatief uitgangspunt vormt.
3.19
De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van [verweerder] niet slaagt. Vast staat immers dat [verzoeker] van januari 2020 tot en met 2024 meerdere bonussen heeft ontvangen, in totaal € 145.612,50. Het ontbreken van KPI’s voor 2025 en 2026 doet niet af aan het feit dat [verzoeker] op grond van de eerdere jaren gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een bonusuitkering. Omdat niet kan worden vastgesteld welke specifieke prestaties in deze jaren behaald zijn, acht de kantonrechter het redelijk het gemiddelde bonusbedrag van de afgelopen vier jaar als uitgangspunt te nemen. Dit leidt tot een bedrag van € 29.122,50 voor 2025 en een naar rato te bepalen bedrag voor 2026, gebaseerd op de duur van het dienstverband in dat jaar, dus € 19.415,00 bruto.
[verweerder] hoeft het restant van de One-off employee bonus over 2022 niet te betalen
3.20
Per brief van 18 februari 2022 is aan [verzoeker] medegedeeld dat hij een One-off employee bonus zou ontvangen van £ 110.000,00. Hiervan heeft hij slechts £ 95.283,09 ontvangen. [verzoeker] verzoekt om betaling van de overige £ 14.716,91, zijnde € 17.640,89 bruto. De toekenning en uitbetaling van de bonus worden door [verweerder] niet als zodanig betwist. Wel betwist zij gehouden te zijn tot betaling van £ 14.716,91, zijnde € 17.640,89 bruto omdat [verzoeker] zijn klachtplicht geschonden heeft. [verzoeker] weet al sinds 2022 dat er te weinig bonus was uitbetaald, maar nu pas, inmiddels vier jaar later, trekt hij aan de bel. De vordering is daarom wat [verweerder] betreft vervallen.
3.21
De kantonrechter overweegt als volgt. Hoewel de algemene verjaringstermijn voor loonvorderingen vijf jaar is, moet de werknemer binnen een redelijke termijn na ontvangst van het loon of bonus zijn bezwaar kenbaar maken. Niet gesteld of gebleken is dat [verzoeker] dit eerder heeft gedaan dan in de onderhavige procedure. De werkgever mag erop vertrouwen dat de werknemer akkoord is met de betalingen zolang er geen tijdige klacht is geweest. Omdat [verzoeker] pas na vier jaar geklaagd heeft over de onjuiste betaling van de One-off employee bonus, wijst de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] af. Het had op de weg gelegen van [verzoeker] om feiten en omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van de reden waarom hij pas na vier jaar geklaagd heeft. Dit heeft hij niet gedaan.
[verweerder] hoeft geen bedrag te betalen ter compensatie van enig (mogelijk) teveel betaalde bedrag aan belasting wegens het niet (tijdig) aanvragen van de 30% regeling
3.22
[verzoeker] verzoekt betaling van een misgelopen belastingvoordeel omdat [verweerder] niet (tijdig) de 30%-regeling heeft aangevraagd, terwijl [verzoeker] hier meermaals op heeft aangedrongen en hij recht zou hebben op toepassing van deze regeling. [verzoeker] stelt dat hij recht heeft op de regeling omdat zijn arbeidsovereenkomst is aangegaan terwijl hij nog in het buitenland woonde, hij als kennismigrant naar Nederland kwam en zijn salaris boven de norm ligt. Niet noodzakelijk is dat een werknemer “actief” vanuit het buitenland geworven wordt, aldus [verzoeker] . [verweerder] ontkent dat de aanvraag niet tijdig is gedaan, maar levert hiervoor geen bewijs. Daarom gaat de rechter ervan uit dat de aanvraag te laat was. [verweerder] betwist vervolgens dat [verzoeker] recht zou hebben gehad op de 30%-regeling omdat [verzoeker] niet actief vanuit het buitenland is geworven, maar op eigen verzoek (met toestemming van [verweerder] ) naar Nederland is gegaan.
3.23
Er is onvoldoende onderbouwd gesteld dat [verzoeker] daadwerkelijk in aanmerking kwam voor de toepassing van de 30%-regeling. [verzoeker] is niet vanuit het Verenigd Koninkrijk geworven voor een Nederlandse functie. Het feit dat de verhuizing door de werkgever nuttig werd gevonden en later een Nederlandse BV is opgericht, verandert hier niets aan. De verhuizing was vooral privé-gedreven. Daarom wordt het verzoek om compensatie voor het niet tijdig aanvragen van de regeling afgewezen.
Er wordt geen verklaring voor recht ten aanzien van enige aansprakelijkheid voor iedere mogelijke naheffing, vordering, boete of anderszins gegeven
3.24
De kantonrechter overweegt dat het verzoek om een verklaring voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor alle mogelijke naheffingen, boetes of andere aanspraken, te ruim is geformuleerd. Voorspellingen over mogelijke toekomstige aanspraken zijn hypothetisch van aard en kunnen niet zonder concreet bewijs worden toegewezen. Daarnaast komt de persoonlijke inkomstenbelasting in ieder geval voor rekening van [verzoeker] , zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat [verweerder] voor alle fiscale risico’s aansprakelijk is. [verzoeker] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk sprake is van boetes of naheffingen waarop dit verzoek zou kunnen worden gebaseerd. Daarom wordt het verzoek tot het verkrijgen van een verklaring voor recht afgewezen.
[verweerder] moet een deugdelijke en wettelijke eindafrekening verstrekken
3.25
De kantonrechter zal [verweerder] veroordelen tot het opmaken van een eindafrekening en om [verzoeker] te voorzien van (een) bruto-netto specificatie(s) binnen één maand na 1 augustus 2026. In die eindafrekening is ook de afrekening van vakantiedagen opgenomen. Bij een einddatum van 1 oktober 2026 heeft [verzoeker] recht op een saldo van 27 dagen. Dit betekent dat, bij de eerdere einddatum 1 augustus 2026, het vakantiedagensaldo opnieuw berekend moet worden. Het saldo van 27 dagen is door [verweerder] onvoldoende gemotiveerd betwist en dient als uitgangspunt genomen te worden. Hoewel de verhuizing van [verzoeker] naar Nederland hem aanvullende bescherming kan bieden, betekent dit niet dat de overeengekomen bepalingen onder het Nieuw-Zeelands recht niet langer van toepassing zijn.
3.26
De over de eindafrekening verzochte dwangsom zal worden afgewezen, omdat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat [verweerder] aan deze veroordeling niet zal voldoen.
Aan het tussen partijen geldende concurrentie- en relatiebeding kunnen geen rechten meer worden ontleend
3.27
Ingevolge artikel 7:653 lid 4 BW kan de werkgever geen rechten ontlenen aan een concurrentie- en/of relatiebeding, indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Nu dit het geval is betekent dit dat [verweerder] geen rechten meer kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding. De verzochte verklaring voor recht zal de kantonrechter dan ook afgeven.
[verzoeker] bezit 118.348 aandelen in Amazonia
3.28
De kantonrechter overweegt dat het verzoek om een verklaring voor recht dat [verzoeker] aandelen in Amazonia bezit onvoldoende samenhang vertoont met de hoofdzaak, te weten het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast betreft het aandelenbezit een buitenlandse vennootschap, waardoor de Nederlandse kantonrechter waarschijnlijk niet bevoegd is om hierover te oordelen. Gelet hierop en het ontbreken van een concreet en direct belang bij deze verklaring binnen deze procedure, wordt het verzoek afgewezen.
[verzoeker] is slechts niet-uitvoerend bestuurder geweest van [verweerder]
3.29
Tegen dit verzoek heeft [verweerder] geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal de verzochte verklaring voor recht dan ook afgeven.
[verweerder] hoeft geen gemaakte fiscale advieskosten te betalen
3.30
De kantonrechter overweegt dat, hoewel aannemelijk is dat [verzoeker] kosten heeft moeten maken voor fiscale advisering die mogelijk verband houdt met het verwijtbaar handelen van [verweerder] , de ingediende facturen onvoldoende inzicht geven in de aard en omvang van de werkzaamheden. Zo lijken delen van de factuur betrekking te hebben op werkzaamheden die doorgaans voor rekening van de werknemer komen, zoals het indienen van belastingaangiften over meerdere jaren. Daarnaast is sprake van een algemene omschrijving van kosten voor berekeningen en advies over een lange periode, zonder nadere specificatie. Het had op de weg gelegen van [verzoeker] haar vordering nader te onderbouwen, dit heeft hij niet gedaan. Gezien de onduidelijkheid kan niet worden vastgesteld dat de gemaakte kosten volledig toewijsbaar zijn aan het handelen van de werkgever. Daarom wordt het verzoek tot vergoeding van de fiscale advieskosten afgewezen.
[verweerder] hoeft geen gemaakte advocaatkosten te betalen
3.31
De kantonrechter overweegt dat slechts in uitzonderlijke gevallen de volledig gemaakte advocaatkosten kunnen worden toegewezen. In deze zaak is sprake van een geschil tussen partijen over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de voorwaarden daarvan. Hoewel het oordeel is dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, betekent dit niet dat zij zonder meer gehouden is tot vergoeding van de volledige advocaatkosten. Omdat niet is voldaan aan de strenge criteria voor toewijzing van deze kosten, wordt het verzoek tot vergoeding van de volledig gemaakte advocaatkosten afgewezen.
[verweerder] moet binnen 30 dagen een deugdelijke specificatie aanleveren
3.32
Er is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker] om aan haar bruto/netto-specificaties te verstrekken van alle betalingen die [verweerder] aan haar moet doen. Daarom zal dit verzoek worden toegewezen. De daarover verzochte dwangsom zal worden afgewezen, omdat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat [verweerder] aan deze veroordeling niet zal voldoen.
[verweerder] moet de proceskosten betalen
3.33
[verweerder] moet als grotendeels in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van [verzoeker] betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nasalaris), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.34
In het geval dat [verzoeker] het verzoek tot ontbinding intrekt zal ieder der partijen de eigen kosten dragen.
Wettelijke rente is verschuldigd
3.35
De kantonrechter overweegt dat de vordering tot betaling van wettelijke rente toewijsbaar is vanaf het moment dat de bedragen opeisbaar zijn geworden tot aan de dag van volledige voldoening.
4De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de termijn waarbinnen [verzoeker] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan (de gemachtigde van) [verweerder] ) loopt tot en met 5 augustus 2026;
voor het geval [verzoeker] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
4.1
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;
4.2
bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 augustus 2026;
4.3
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 40.935,85 bruto binnen één maand na 1 augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 september 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
4.4
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 309.892,32 bruto binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling;
4.5
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 59.778,75 bruto aan achterstallig vakantiegeld, te betalen binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2026;
4.6
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 29.122,50 bruto aan verschuldigde bonus over het jaar 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2026;
4.7
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 19.415,00 bruto aan verschuldigde bonus over het jaar 2026, te betalen binnen 30 dagen na 1 augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2026;
4.8
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een correcte eindafrekening binnen één maand na 1 augustus 2026;
4.9
verklaart voor recht dat [verweerder] geen rechten (meer) kan ontlenen aan het tussen [verweerder] en [verzoeker] overeengekomen concurrentie- en relatiebeding;
4.10
verklaart voor recht dat [verzoeker] slechts niet-uitvoerend bestuurder is geweest van [verweerder] ;
4.11
veroordeelt [verweerder] tot het verstrekken van correcte bruto/netto-specificaties van alle betalingen die [verweerder] aan [verzoeker] verschuldigd is;
4.12
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.13
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.14
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.15
wijst het anders of meer verzochte af;
voor het geval [verzoeker] haar verzoek wel binnen die termijn intrekt:
4.16
ieder der partijen draagt de eigen kosten;
4.17
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.18
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op
29 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!!
Hierbij is de kantonrechter uitgegaan van een gemiddelde van de bonussen over 2023 (€ 15.203,25) 2024 (€ 10.962,00) en 2025 (€ 29.122,50). Daarmee komt de kantonrechter op een gemiddelde bonus van € 1.535,77 per maand en een gemiddeld maandsalaris van € 14.447,95 bruto.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12111857 \ UE VERZ 26-75
Beschikking van 29 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. A. Koopman,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verweerder]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Nieuw-Zeeland),
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. T.J. van Weeren.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 61 van [verzoeker] van 19 februari 2026;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 18 van [verweerder] ;
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitaantekeningen van [verzoeker] ;
- de spreekaantekeningen van [verweerder] .
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen, samen met de gemachtigde. Namens [verweerder] is de gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht waarbij de gemachtigden gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Aan het einde van de mondelinge behandeling is in eerste instantie de zaak aagehouden voor overleg tussen de partijen. Dat heeft niet tot een schikking geleid. Vervolgens is bepaald dat er een beschikking zal worden gewezen.
2De kern van de zaak
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1969, is sinds 1 februari 2018 in dienst bij [verweerder] als General Manager Sales & Marketing – Europe & Middle East met een loon van £ 10.395,50 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en eventuele bonusuitkering. [verweerder] is een bedrijf dat wereldwijd actief is in huisdierenvoeding. [verweerder] heeft wereldwijd ongeveer 305 werknemers. [verzoeker] verzoekt ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. Daarnaast verzoekt [verzoeker] verschillende vergoedingen. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontbindingsverzoek toewijsbaar is, mede omdat daartegen geen verweer is gevoerd. [verweerder] moet bovendien verschillende vergoedingen betalen aan [verzoeker] , omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
3De beoordeling
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026
3.1
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Op grond van artikel 7:671c BW kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3.2
Uit de processtukken en uit wat er tijdens de mondelinge behandeling is gesteld, is voor de kantonrechter komen vast te staan dat de arbeidsrelatie geen vruchtbare toekomst meer heeft. [verweerder] voert ook geen verweer tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek zal daarom worden toegewezen. Bij dat oordeel heeft meegewogen het feit dat het hier om een werknemersverzoek gaat. Verder is van belang dat gelet op het (grond)recht van vrije arbeidskeuze een verzoek door de werknemer in beginsel gehonoreerd dient te worden.
3.3
[verzoeker] verzoekt om bij het bepalen van de ontbindingsdatum rekening te houden met de wettelijke opzegtermijn van drie maanden. [verweerder] heeft verzocht de proceduretijd in mindering te brengen op de opzegtermijn. Voor een ontbinding op verzoek van de werknemer hoeft de kantonrechter ook geen rekening te houden met de geldende opzegtermijnen. In dit geval ziet de kantonrechter aanleiding de arbeidsovereenkomst te ontbinden per de eerste van de volgende maand, dus met ingang van 1 augustus 2026.
Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder]
3.4
[verzoeker] verzoekt om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Toekenning van deze vergoedingen is bij een ontbindingsverzoek door de werknemer slechts mogelijk als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:673 lid 1 sub b onder 2 BW en artikel 7:671c lid 2 sub b BW). Van ernstig verwijtbaar handelen is sprake wanneer een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Naar het oordeel van de kantonrechter is aan de voorwaarde van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten voldaan. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
3.5
Op 15 maart 2020 is [verzoeker] , met toestemming van [A] namens [verweerder] , naar Nederland verhuisd. Vanaf dat moment was [verzoeker] belastingplichtig in Nederland (zoals gebleken). [verweerder] heeft, ondanks adviezen van [B] en aandringen van [verzoeker] , jarenlang verzuimd om op de juiste wijze de belastingen en sociale premies af te dragen waartoe zij verplicht was. De door [verweerder] aangedragen oorzaken (een wereldwijde pandemie, een verkoop aan private equity, een natuurramp en het ‘niet voortvarend’ handelen van [B] in deze kwestie) voor het niet afdragen van de juiste belastingen en sociale premies ontslaat haar niet van deze verplichting. Het voorgaande getuigt niet van goed werkgeverschap en valt [verweerder] ernstig te verwijten.
3.6
Het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] volgt ook uit het feit dat zij niet is overgegaan tot het indienen van een aanvraag voor de 30%-regeling, Hoewel niet kan worden vastgesteld dat [verzoeker] voor de 30%-regeling in aanmerking zou zijn gekomen, hierover later meer, heeft [verweerder] ook ten aanzien van dit punt onjuist gehandeld. Niet gebleken is dat [verweerder] op enig moment de aanvraag van de 30%-regeling daadwerkelijk heeft ingediend, ondanks haar eerdere toezeggingen.
3.7
Vervolgens handelt [verweerder] ernstig verwijtbaar tegenover [verzoeker] door hem in april 2025 mede te delen dat [verweerder] “voornemens” is om de arbeidsplaats van [verzoeker] te laten vervallen, maar dat een ontslagprocedure bij UWV vervolgens uitblijft. Dit heeft [verzoeker] in een uitermate kwetsbare positie gebracht. Dat er discussie bestond over diverse fiscale aspecten aangaande de arbeidsovereenkomst doet hieraan niet af. [verweerder] heeft [verzoeker] gedurende een onnodig lange periode in onzekerheid gehouden over een eventuele beëindiging van zijn dienstverband en de voorwaarden waaronder dit zou gebeuren. Steeds opnieuw doet [verweerder] , bij monde van steeds verschillende gemachtigden, toezeggingen waarop later weer wordt terugkomen. Het eindeloos dralen en het veranderen van standpunt ten aanzien van de fiscale aangelegenheden en de voorwaarden voor beëindiging hebben de onderhandelingen onnodig vertraagd.
3.8
Wat tot slot [verweerder] ernstig valt te verwijten is, naast het niet afdragen van de juiste belastingen en premies, het niet hebben van een juiste arbo-voorziening in Nederland en het niet naleven van de in Nederland geldende wet- en regelgeving ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] .
3.9
Op basis van het voorgaande is de conclusie dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld tegenover [verzoeker] .
[verweerder] moet aan [verzoeker] een transitievergoeding betalen van € 40.935,85
3.10
[verzoeker] verzoekt om toekenning van een transitievergoeding van € 44.285,97. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] heeft [verzoeker] recht op de wettelijke transitievergoeding. Het verzochte bedrag van € 44.285,97 is berekend met een uitdiensttreding per 1 oktober 2026. Aangezien de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2026 wordt ontbonden, is dit verzochte bedrag niet toewijsbaar, bovendien is het gemiddelde van de bonus over een onjuiste periode berekend (2022 – 2024, dit moet zijn 2023 – 2025). De kantonrechter zal de transitievergoeding ambtshalve berekenen met inachtneming van de vastgestelde einddatum. Dit betekent dat [verweerder] aan [verzoeker] een transitievergoeding moet betalen van € 40.935,85 bruto. De betalingstermijn van uiterlijk binnen één maand na de ontbindingsdatum is niet weersproken en acht de kantonrechter een redelijke termijn.
[verweerder] moet aan [verzoeker] een billijke vergoeding betalen van € 309.892,32
3.11
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt ook toegewezen omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .
3.12
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen toe te rekenen zijn aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel.
3.13
[verzoeker] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van in totaal € 619.784,64 [verzoeker] noemt voor de berekening onder andere de volgende posten.
verwachte duur arbeidsovereenkomst: tot en met oktober 2027. Vanaf einddatum dienstverband betekent dit 14 maanden;
periode werkloosheid: de verwachtte duur van werkloosheid dan wel het vinden van een vergelijkbare dienstbetrekking inclusief een benodigde periode voor herstel wordt geschat op 24 maanden;
hoogte WW-uitkering: indien en voor zover [verzoeker] al aanspraak zou kunnen maken op een WW uitkering, betekent dit een inkomensterugval van € 37.719,23 (genomen over acht maanden).
3.14
Er is een causaal verband met het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . Aangezien dit handelen er toe heeft geleid dat [verzoeker] om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst heeft verzocht. Alles afwegende en rekening houdend met de mate van ernstige verwijtbaarheid, zoals hiervoor overwogen, van [verweerder] en het door [verzoeker] ondervonden nadeel, acht de kantonrechter een billijke vergoeding ter hoogte van € 309.892,32 (twee jaarsalarissen) redelijk. Aan [verzoeker] wordt dan ook een billijke vergoeding van € 309.892,32 toegewezen.
[verweerder] hoeft geen (achterstallig) loon tijdens ziekte te betalen
3.15
[verzoeker] stelt op grond van artikel 7:655 lid 1 sub h BW en artikel 4 lid 1 jo artikel 6 Richtlijn dat [verweerder] hem had moeten informeren over de gevolgen van de relocatie voor zijn loon tijdens ziekte, dit heeft [verweerder] niet gedaan. Indien [verzoeker] had geweten dat de relocatie een dergelijke terugval in inkomsten tijdens ziekte betekende, had hij maatregelen kunnen treffen om deze terugval adequaat te ondervangen. [verweerder] betwist dit. Zij stelt dat zij [verzoeker] direct geïnformeerd heeft toen duidelijk werd dat (naar alle waarschijnlijkheid) het Nederlands recht op de arbeidsovereenkomst van toepassing zou zijn in november 2025.
3.16
De kantonrechter volgt het standpunt van [verzoeker] niet. [verweerder] is niet bekend met de Nederlandse arbeidsmarkt. [verzoeker] is op eigen initiatief (met, zoals hierboven overwogen, toestemming van [verweerder] ) vanuit Nederland gaan werken. Bovendien is niet gesteld noch gebleken dat de Nederlandse regeling ten aanzien van loondoorbetaling nadeliger zou zijn dan de regeling ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
[verweerder] moet het achterstallige vakantiegeld betalen
3.17
[verzoeker] verzoekt betaling van vakantiegeld over de periode van 15 maart 2020 tot en met 31 mei 2025. In de arbeidsovereenkomst zijn geen afspraken gemaakt over het recht op en de betaling van het vakantiegeld zoals bedoeld in artikel 15 Wml. Door [verweerder] is niet betwist dat er geen afzonderlijke betaling van vakantiegeld heeft plaatsgevonden, maar stelt dat het vakantiegeld is inbegrepen in het all-inloon. [verweerder] heeft dit onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Het had op de weg gelegen van [verweerder] om, indien en voor zover hierover afspraken bestonden, deze aan de hand van nadere stukken te onderbouwen. Gelet hierop wordt het verzoek van [verzoeker] tot uitbetaling van het vakantiegeld toegewezen, tot een bedrag van € 59.778,75 bruto. Dit bedrag is bovendien vatbaar voor de wettelijke verhoging van 50% op grond van artikel 7:625 BW.
[verweerder] moet over een bruto bonus betalen van € 29.122,50 over 2025, en € 19.415,00 bruto over 2026
3.18
[verzoeker] verzoekt uitbetaling van een bonus over de jaren 2025 en 2026 (naar rato). [verzoeker] stelt recht te hebben op een bonus (het gemiddelde over de afgelopen 5 jaar) omdat in de bonusregeling is opgenomen dat hij recht heeft op een bonus indien de vooraf overeengekomen KPI’s zijn behaald. Hoewel voor 2025 en 2026 geen KPI’s zijn vastgesteld, mocht [verzoeker] erop vertrouwen dat de bonus ook over deze jaren zou worden toegekend, gelet op de eerdere jaren waarin bonussen zijn uitbetaald. Dit wordt door [verweerder] betwist. De bonus is naar haar aard resultaatsafhankelijk en niet onvoorwaardelijk verschuldigd. Als geen KPI’s zijn vastgesteld, kan ook niet worden beoordeeld of daaraan is voldaan. Daarmee ontbreekt de contractuele basis voor de door [verzoeker] gevorderde bonus. Te meer nu de resultaten in Europa ‘belabberd’ waren. De betalingen van een bonus liepen van jaar tot jaar sterk uiteen, daarnaast werd over 2022 een speciale bonus uitgekeerd, waardoor het gemiddelde geen representatief uitgangspunt vormt.
3.19
De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van [verweerder] niet slaagt. Vast staat immers dat [verzoeker] van januari 2020 tot en met 2024 meerdere bonussen heeft ontvangen, in totaal € 145.612,50. Het ontbreken van KPI’s voor 2025 en 2026 doet niet af aan het feit dat [verzoeker] op grond van de eerdere jaren gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een bonusuitkering. Omdat niet kan worden vastgesteld welke specifieke prestaties in deze jaren behaald zijn, acht de kantonrechter het redelijk het gemiddelde bonusbedrag van de afgelopen vier jaar als uitgangspunt te nemen. Dit leidt tot een bedrag van € 29.122,50 voor 2025 en een naar rato te bepalen bedrag voor 2026, gebaseerd op de duur van het dienstverband in dat jaar, dus € 19.415,00 bruto.
[verweerder] hoeft het restant van de One-off employee bonus over 2022 niet te betalen
3.20
Per brief van 18 februari 2022 is aan [verzoeker] medegedeeld dat hij een One-off employee bonus zou ontvangen van £ 110.000,00. Hiervan heeft hij slechts £ 95.283,09 ontvangen. [verzoeker] verzoekt om betaling van de overige £ 14.716,91, zijnde € 17.640,89 bruto. De toekenning en uitbetaling van de bonus worden door [verweerder] niet als zodanig betwist. Wel betwist zij gehouden te zijn tot betaling van £ 14.716,91, zijnde € 17.640,89 bruto omdat [verzoeker] zijn klachtplicht geschonden heeft. [verzoeker] weet al sinds 2022 dat er te weinig bonus was uitbetaald, maar nu pas, inmiddels vier jaar later, trekt hij aan de bel. De vordering is daarom wat [verweerder] betreft vervallen.
3.21
De kantonrechter overweegt als volgt. Hoewel de algemene verjaringstermijn voor loonvorderingen vijf jaar is, moet de werknemer binnen een redelijke termijn na ontvangst van het loon of bonus zijn bezwaar kenbaar maken. Niet gesteld of gebleken is dat [verzoeker] dit eerder heeft gedaan dan in de onderhavige procedure. De werkgever mag erop vertrouwen dat de werknemer akkoord is met de betalingen zolang er geen tijdige klacht is geweest. Omdat [verzoeker] pas na vier jaar geklaagd heeft over de onjuiste betaling van de One-off employee bonus, wijst de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] af. Het had op de weg gelegen van [verzoeker] om feiten en omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van de reden waarom hij pas na vier jaar geklaagd heeft. Dit heeft hij niet gedaan.
[verweerder] hoeft geen bedrag te betalen ter compensatie van enig (mogelijk) teveel betaalde bedrag aan belasting wegens het niet (tijdig) aanvragen van de 30% regeling
3.22
[verzoeker] verzoekt betaling van een misgelopen belastingvoordeel omdat [verweerder] niet (tijdig) de 30%-regeling heeft aangevraagd, terwijl [verzoeker] hier meermaals op heeft aangedrongen en hij recht zou hebben op toepassing van deze regeling. [verzoeker] stelt dat hij recht heeft op de regeling omdat zijn arbeidsovereenkomst is aangegaan terwijl hij nog in het buitenland woonde, hij als kennismigrant naar Nederland kwam en zijn salaris boven de norm ligt. Niet noodzakelijk is dat een werknemer “actief” vanuit het buitenland geworven wordt, aldus [verzoeker] . [verweerder] ontkent dat de aanvraag niet tijdig is gedaan, maar levert hiervoor geen bewijs. Daarom gaat de rechter ervan uit dat de aanvraag te laat was. [verweerder] betwist vervolgens dat [verzoeker] recht zou hebben gehad op de 30%-regeling omdat [verzoeker] niet actief vanuit het buitenland is geworven, maar op eigen verzoek (met toestemming van [verweerder] ) naar Nederland is gegaan.
3.23
Er is onvoldoende onderbouwd gesteld dat [verzoeker] daadwerkelijk in aanmerking kwam voor de toepassing van de 30%-regeling. [verzoeker] is niet vanuit het Verenigd Koninkrijk geworven voor een Nederlandse functie. Het feit dat de verhuizing door de werkgever nuttig werd gevonden en later een Nederlandse BV is opgericht, verandert hier niets aan. De verhuizing was vooral privé-gedreven. Daarom wordt het verzoek om compensatie voor het niet tijdig aanvragen van de regeling afgewezen.
Er wordt geen verklaring voor recht ten aanzien van enige aansprakelijkheid voor iedere mogelijke naheffing, vordering, boete of anderszins gegeven
3.24
De kantonrechter overweegt dat het verzoek om een verklaring voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor alle mogelijke naheffingen, boetes of andere aanspraken, te ruim is geformuleerd. Voorspellingen over mogelijke toekomstige aanspraken zijn hypothetisch van aard en kunnen niet zonder concreet bewijs worden toegewezen. Daarnaast komt de persoonlijke inkomstenbelasting in ieder geval voor rekening van [verzoeker] , zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat [verweerder] voor alle fiscale risico’s aansprakelijk is. [verzoeker] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk sprake is van boetes of naheffingen waarop dit verzoek zou kunnen worden gebaseerd. Daarom wordt het verzoek tot het verkrijgen van een verklaring voor recht afgewezen.
[verweerder] moet een deugdelijke en wettelijke eindafrekening verstrekken
3.25
De kantonrechter zal [verweerder] veroordelen tot het opmaken van een eindafrekening en om [verzoeker] te voorzien van (een) bruto-netto specificatie(s) binnen één maand na 1 augustus 2026. In die eindafrekening is ook de afrekening van vakantiedagen opgenomen. Bij een einddatum van 1 oktober 2026 heeft [verzoeker] recht op een saldo van 27 dagen. Dit betekent dat, bij de eerdere einddatum 1 augustus 2026, het vakantiedagensaldo opnieuw berekend moet worden. Het saldo van 27 dagen is door [verweerder] onvoldoende gemotiveerd betwist en dient als uitgangspunt genomen te worden. Hoewel de verhuizing van [verzoeker] naar Nederland hem aanvullende bescherming kan bieden, betekent dit niet dat de overeengekomen bepalingen onder het Nieuw-Zeelands recht niet langer van toepassing zijn.
3.26
De over de eindafrekening verzochte dwangsom zal worden afgewezen, omdat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat [verweerder] aan deze veroordeling niet zal voldoen.
Aan het tussen partijen geldende concurrentie- en relatiebeding kunnen geen rechten meer worden ontleend
3.27
Ingevolge artikel 7:653 lid 4 BW kan de werkgever geen rechten ontlenen aan een concurrentie- en/of relatiebeding, indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Nu dit het geval is betekent dit dat [verweerder] geen rechten meer kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding. De verzochte verklaring voor recht zal de kantonrechter dan ook afgeven.
[verzoeker] bezit 118.348 aandelen in Amazonia
3.28
De kantonrechter overweegt dat het verzoek om een verklaring voor recht dat [verzoeker] aandelen in Amazonia bezit onvoldoende samenhang vertoont met de hoofdzaak, te weten het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast betreft het aandelenbezit een buitenlandse vennootschap, waardoor de Nederlandse kantonrechter waarschijnlijk niet bevoegd is om hierover te oordelen. Gelet hierop en het ontbreken van een concreet en direct belang bij deze verklaring binnen deze procedure, wordt het verzoek afgewezen.
[verzoeker] is slechts niet-uitvoerend bestuurder geweest van [verweerder]
3.29
Tegen dit verzoek heeft [verweerder] geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal de verzochte verklaring voor recht dan ook afgeven.
[verweerder] hoeft geen gemaakte fiscale advieskosten te betalen
3.30
De kantonrechter overweegt dat, hoewel aannemelijk is dat [verzoeker] kosten heeft moeten maken voor fiscale advisering die mogelijk verband houdt met het verwijtbaar handelen van [verweerder] , de ingediende facturen onvoldoende inzicht geven in de aard en omvang van de werkzaamheden. Zo lijken delen van de factuur betrekking te hebben op werkzaamheden die doorgaans voor rekening van de werknemer komen, zoals het indienen van belastingaangiften over meerdere jaren. Daarnaast is sprake van een algemene omschrijving van kosten voor berekeningen en advies over een lange periode, zonder nadere specificatie. Het had op de weg gelegen van [verzoeker] haar vordering nader te onderbouwen, dit heeft hij niet gedaan. Gezien de onduidelijkheid kan niet worden vastgesteld dat de gemaakte kosten volledig toewijsbaar zijn aan het handelen van de werkgever. Daarom wordt het verzoek tot vergoeding van de fiscale advieskosten afgewezen.
[verweerder] hoeft geen gemaakte advocaatkosten te betalen
3.31
De kantonrechter overweegt dat slechts in uitzonderlijke gevallen de volledig gemaakte advocaatkosten kunnen worden toegewezen. In deze zaak is sprake van een geschil tussen partijen over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de voorwaarden daarvan. Hoewel het oordeel is dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, betekent dit niet dat zij zonder meer gehouden is tot vergoeding van de volledige advocaatkosten. Omdat niet is voldaan aan de strenge criteria voor toewijzing van deze kosten, wordt het verzoek tot vergoeding van de volledig gemaakte advocaatkosten afgewezen.
[verweerder] moet binnen 30 dagen een deugdelijke specificatie aanleveren
3.32
Er is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker] om aan haar bruto/netto-specificaties te verstrekken van alle betalingen die [verweerder] aan haar moet doen. Daarom zal dit verzoek worden toegewezen. De daarover verzochte dwangsom zal worden afgewezen, omdat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat [verweerder] aan deze veroordeling niet zal voldoen.
[verweerder] moet de proceskosten betalen
3.33
[verweerder] moet als grotendeels in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van [verzoeker] betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nasalaris), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.34
In het geval dat [verzoeker] het verzoek tot ontbinding intrekt zal ieder der partijen de eigen kosten dragen.
Wettelijke rente is verschuldigd
3.35
De kantonrechter overweegt dat de vordering tot betaling van wettelijke rente toewijsbaar is vanaf het moment dat de bedragen opeisbaar zijn geworden tot aan de dag van volledige voldoening.
4De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de termijn waarbinnen [verzoeker] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan (de gemachtigde van) [verweerder] ) loopt tot en met 5 augustus 2026;
voor het geval [verzoeker] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
4.1
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;
4.2
bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 augustus 2026;
4.3
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 40.935,85 bruto binnen één maand na 1 augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 september 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
4.4
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 309.892,32 bruto binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling;
4.5
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 59.778,75 bruto aan achterstallig vakantiegeld, te betalen binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2026;
4.6
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 29.122,50 bruto aan verschuldigde bonus over het jaar 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2026;
4.7
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 19.415,00 bruto aan verschuldigde bonus over het jaar 2026, te betalen binnen 30 dagen na 1 augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2026;
4.8
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een correcte eindafrekening binnen één maand na 1 augustus 2026;
4.9
verklaart voor recht dat [verweerder] geen rechten (meer) kan ontlenen aan het tussen [verweerder] en [verzoeker] overeengekomen concurrentie- en relatiebeding;
4.10
verklaart voor recht dat [verzoeker] slechts niet-uitvoerend bestuurder is geweest van [verweerder] ;
4.11
veroordeelt [verweerder] tot het verstrekken van correcte bruto/netto-specificaties van alle betalingen die [verweerder] aan [verzoeker] verschuldigd is;
4.12
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.13
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.14
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.15
wijst het anders of meer verzochte af;
voor het geval [verzoeker] haar verzoek wel binnen die termijn intrekt:
4.16
ieder der partijen draagt de eigen kosten;
4.17
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.18
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op
29 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!!
Hierbij is de kantonrechter uitgegaan van een gemiddelde van de bonussen over 2023 (€ 15.203,25) 2024 (€ 10.962,00) en 2025 (€ 29.122,50). Daarmee komt de kantonrechter op een gemiddelde bonus van € 1.535,77 per maand en een gemiddeld maandsalaris van € 14.447,95 bruto.