Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5302
2026-07-29
Civiel recht
12217549 \ UE VERZ 26-187
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek betaling loon tijdens loonstop en billijke vergoeding vanwege niet verlengen tijdelijke arbeidsovereenkomst afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.513 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12217549 \ UE VERZ 26-187
Beschikking van 29 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. W. Kok,
tegen
[verweerder]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. S.O. Voogt.
1De procedure
1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- het verzoekschrift van 5 mei 2026,
- de akte van [verzoeker] van 27 mei 2026, met daarin een wijziging van het verzoek,
- het verweerschrift van 23 juni 2026.
1.2
Op 1 juli 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was [verzoeker] aanwezig met haar gemachtigde, mr. W. Kok. Namens [verweerder] waren de heer [A] (HR-adviseur), de heer [B] (adviseur verzuim), de heer [C] (locatiemanager) en haar gemachtigde mr. S.O. Voogt aanwezig. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht. Partijen hebben ook vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. Mr. Kok heeft gebruik gemaakt van een pleitnota. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De kern van de zaak
2.1
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1965, is van 1 mei 2025 tot en met 30 april 2026 in dienst geweest bij [verweerder] . Zij werkte 24 uur per week voor een salaris van € 1.762,35 en is aangesteld op basis van een jaarcontract. [verzoeker] was in dienst in de functie van Woonassistent, maar zij stelt dat zij taken moest uitvoeren van een Woonassistent+. Toen [verzoeker] dit aankaartte en vroeg om de opleiding tot Woonassistent+ te mogen afronden zegt zij onheus bejegend te zijn door [verweerder] . [verzoeker] heeft zich vervolgens in september 2025 ziekgemeld. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] daarna onvoldoende meegewerkt aan haar re-integratie. [verweerder] heeft daarom het loon van [verzoeker] enige tijd stopgezet. Ook heeft [verweerder] besloten het jaarcontract van [verzoeker] niet te verlengen. [verzoeker] verzoekt in deze procedure betaling door [verweerder] van het loon uit de periode van de loonstop en een billijke vergoeding voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoeker] af.
3De beoordeling
[verweerder] heeft terecht een loonstop opgelegd
3.1
Het eerste verzoek van [verzoeker] dat aan bod komt, ziet op de betaling van een deel van het loon van de maand februari 2026. Van 5 februari 2026 tot 25 februari 2026 heeft [verweerder] namelijk het loon van [verzoeker] stopgezet. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] dit terecht heeft gedaan en dat [verweerder] het loon van februari niet aan [verzoeker] hoeft te betalen. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.2
[verzoeker] heeft zich in september 2025 voor het eerst ziekgemeld. Vervolgens is zij begin november 2025 weer aan het werk gegaan, maar in december 2025 meldde zij zich voor de tweede keer ziek. Het uitgangspunt is dat werknemers tijdens ziekte toch (een gedeelte van) hun loon doorbetaald moeten krijgen. Maar, aan de loondoorbetaling bij ziekte zijn wel verplichtingen voor de werknemer verbonden. De werknemer moet bijvoorbeeld meewerken aan de re-integratie en in het kader van deze re-integratie passende arbeid verrichten als dat mogelijk is. Wanneer een werknemer dat niet doet, dan frustreert die het re-integratietraject en moet de werkgever hem, na een waarschuwing, een loonstop opleggen als prikkel om wel (weer) mee te werken.
3.3
Om zich te laten adviseren in hoeverre [verzoeker] in staat was om te re-integreren, heeft [verweerder] [verzoeker] gemeld bij de bedrijfsarts. [verzoeker] is daarom na zowel de eerste als de tweede ziekmelding bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft telkens geconcludeerd dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid op medische gronden, maar dat [verzoeker] uitgevallen was vanwege een arbeidsconflict en beperkingen op het gebied van sociaal en persoonlijk functioneren. Het duidelijke advies van de bedrijfsarts aan [verzoeker] en [verweerder] was daarom: met elkaar in gesprek gaan. Aan dit advies heeft [verzoeker] , ondanks de vele pogingen van [verweerder] om met haar in gesprek te komen, onvoldoende voldaan. In eerste instantie hebben partijen wel met elkaar gesproken en is [verzoeker] begin november weer aan het werk gegaan op een andere locatie van [verweerder] . Maar in december ging het weer niet goed na onenigheid tussen [verzoeker] en [verweerder] en is [verzoeker] voor een tweede keer uitgevallen. Vanaf dit punt heeft [verzoeker] zich niet coöperatief opgesteld om te komen tot re-integratie. Zij wilde niet in gesprek met [verweerder] , ondanks meerdere uitnodigingen, of stelde hier veel voorwaarden aan. De loonstop die [verweerder] op 5 februari heeft ingezet, nadat [verzoeker] op 4 februari 2026 nogmaals had geweigerd op een door [verweerder] ingepland gesprek te komen, is gezien de waarschuwingen die [verweerder] hiervoor heeft gegeven en de houding van [verzoeker] , dan ook terecht geweest.
3.4
De stelling van [verzoeker] dat zij op 4 februari 2026 nog in afwachting was van een gesprek met de bedrijfsarts en dus niet al met [verweerder] in gesprek hoefde te gaan, maakt dit oordeel niet anders. Op 2 februari 2026 zou [verzoeker] een gesprek hebben met de bedrijfsarts, naar aanleiding van het gesprek dat zij op 28 januari 2026 met [verweerder] had gehad. [verweerder] had in dat gesprek aangegeven de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] niet te gaan verlengen en dat [verzoeker] een keuze moest maken tussen re-integreren, of vrijstelling van werk. [verzoeker] wilde deze keuze niet maken zonder dit eerst met de bedrijfsarts te hebben overlegd. De afspraak van 2 februari 2026 is echter niet doorgegaan, omdat, zo stelt [verzoeker] , de bedrijfsarts ziek was. [verweerder] betwist dit en zegt dat de afspraak niet doorging omdat [verzoeker] niet beschikbaar was voor de bedrijfsarts. Welk verhaal wat betreft deze afspraak bij de bedrijfsarts juist is, maakt voor de beoordeling niet uit. Uit de eerdere verslagen van de bedrijfsarts blijkt namelijk steeds het advies aan [verzoeker] en [verweerder] om met elkaar in gesprek te gaan. Dat één afspraak met de bedrijfsarts niet door is gegaan, om welke reden dan ook, betekent niet dat [verzoeker] het recht had om eerst een nieuwe afspraak af te wachten, voordat zij in gesprek ging met [verweerder] . Zij had de eerdere adviezen van de bedrijfsarts moeten opvolgen en had in gesprek moeten blijven gaan met [verweerder] . Omdat ze dat niet wilde, voldeed [verzoeker] niet aan haar re-integratieverplichtingen en mocht [verweerder] haar loon stopzetten.
[verweerder] hoeft [verzoeker] het loon van februari niet te betalen
3.5
Op 25 februari 2026 heeft [verweerder] de loonstop beëindigd, aangezien [verzoeker] op die datum wel is verschenen bij de bedrijfsarts. Volgens [verweerder] voldeed [verzoeker] daarmee weer aan haar re-integratieverplichtingen. Zoals hiervoor uitgelegd heeft [verweerder] op 5 februari 2026 terecht het loon stopgezet en zij heeft het loon van [verzoeker] vanaf het moment dat zij weer aan haar re-integratieverplichtingen voldeed, betaald. Dit maakt dat [verweerder] het loon van [verzoeker] mocht stopzetten gedurende deze gehele periode van 5 februari tot 25 februari 2026 en dat [verweerder] het loon niet alsnog aan [verzoeker] hoeft te betalen. Het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen.
[verweerder] hoeft geen billijke vergoeding aan [verzoeker] te betalen
3.6
[verzoeker] vordert verder een billijke vergoeding, omdat haar arbeidsovereenkomst niet is verlengd. De kantonrechter zal deze vergoeding afwijzen. [verzoeker] en [verweerder] zijn een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan. Het uitgangspunt hierbij is dat deze arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. De werkgever mag in beginsel zelf bepalen of zij de arbeidsovereenkomst wil verlengen of niet. Maar, als de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen de werkgever en de werknemer eindigt, kan de kantonrechter wel een billijke vergoeding aan de werknemer toekennen wanneer het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
3.7
Voor het aannemen van dit ernstig verwijtbaar handelen geldt een hoge drempel. [verzoeker] moet onderbouwen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar tegen haar heeft gehandeld én dat dit de reden is dat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet. [verzoeker] heeft meerdere redenen genoemd waarom zij vindt dat het handelen van [verweerder] als ernstig verwijtbaar moeten worden aangemerkt. Zij stelt dat zij graag de opleiding tot Woonassistent+ wilde afronden, maar dat [verweerder] haar daar niet de kans toe heeft gegeven. Ondertussen, zo stelt [verzoeker] , moest zij wel de werkzaamheden van een Woonassistent+ uitvoeren en kreeg zij daar niet voor betaald. Ook heeft [verzoeker] het gevoel dat zij onheus bejegend is door [verweerder] en dat zij, toen ze naar een andere locatie werd overgeplaatst, onvoldoende begeleiding van [verweerder] heeft gekregen. Ten slotte zou [verweerder] niet aan haar re-integratieverplichtingen hebben voldaan, door al in januari 2026 aan te zeggen de arbeidsovereenkomst niet te verlengen, terwijl de bedrijfsarts had gezegd dat [verzoeker] en [verweerder] in gesprek moesten gaan over de re-integratie. De kantonrechter oordeelt echter dat deze stellingen onvoldoende zijn om aan te nemen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Wat betreft de stelling van [verzoeker] dat zij werkzaamheden uitvoerde voor een andere functie dan Woonassistent geldt dat dit niet vast komt te staan, aangezien [verweerder] dit onderbouwd heeft betwist. Voor de andere punten meent de kantonrechter dat [verweerder] met de kennis van nu over de reactie van [verzoeker] zaken ook anders had kunnen aanpakken, maar dat maakt nog niet dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Deze hoge drempel wordt niet gehaald.
3.8
Aangezien [verweerder] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, hoeft zij geen billijke vergoeding aan [verzoeker] te betalen voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen.
[verzoeker] moet de proceskosten betalen
3.9
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.10
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door [verweerder] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
wijst de verzoeken van [verzoeker] af,
4.2
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op
29 juli 2026.
62938
Artikel 7:629 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna BW).
Artikel 7:629 lid 3 sub c en d BW.
Artikel 7:629 lid 7 BW.
Zie de terugkoppelingen van de bedrijfsarts van 6 oktober 2025 (productie 9 [verweerder] ) en 22 december 2025 (productie 25 [verweerder] ).
Voor de waarschuwingen van [verweerder] dat het loon van [verzoeker] stopgezet zou kunnen worden wanneer zij niet meewerkt aan haar re-integratieverplichtingen, zie onder andere de e-mails van 20 oktober 2025 (productie 19 [verweerder] ) en 3 februari 2026 (productie 39 [verweerder] )
Artikel 7:673 lid 9 BW.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12217549 \ UE VERZ 26-187
Beschikking van 29 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. W. Kok,
tegen
[verweerder]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. S.O. Voogt.
1De procedure
1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- het verzoekschrift van 5 mei 2026,
- de akte van [verzoeker] van 27 mei 2026, met daarin een wijziging van het verzoek,
- het verweerschrift van 23 juni 2026.
1.2
Op 1 juli 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was [verzoeker] aanwezig met haar gemachtigde, mr. W. Kok. Namens [verweerder] waren de heer [A] (HR-adviseur), de heer [B] (adviseur verzuim), de heer [C] (locatiemanager) en haar gemachtigde mr. S.O. Voogt aanwezig. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht. Partijen hebben ook vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. Mr. Kok heeft gebruik gemaakt van een pleitnota. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De kern van de zaak
2.1
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1965, is van 1 mei 2025 tot en met 30 april 2026 in dienst geweest bij [verweerder] . Zij werkte 24 uur per week voor een salaris van € 1.762,35 en is aangesteld op basis van een jaarcontract. [verzoeker] was in dienst in de functie van Woonassistent, maar zij stelt dat zij taken moest uitvoeren van een Woonassistent+. Toen [verzoeker] dit aankaartte en vroeg om de opleiding tot Woonassistent+ te mogen afronden zegt zij onheus bejegend te zijn door [verweerder] . [verzoeker] heeft zich vervolgens in september 2025 ziekgemeld. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] daarna onvoldoende meegewerkt aan haar re-integratie. [verweerder] heeft daarom het loon van [verzoeker] enige tijd stopgezet. Ook heeft [verweerder] besloten het jaarcontract van [verzoeker] niet te verlengen. [verzoeker] verzoekt in deze procedure betaling door [verweerder] van het loon uit de periode van de loonstop en een billijke vergoeding voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoeker] af.
3De beoordeling
[verweerder] heeft terecht een loonstop opgelegd
3.1
Het eerste verzoek van [verzoeker] dat aan bod komt, ziet op de betaling van een deel van het loon van de maand februari 2026. Van 5 februari 2026 tot 25 februari 2026 heeft [verweerder] namelijk het loon van [verzoeker] stopgezet. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] dit terecht heeft gedaan en dat [verweerder] het loon van februari niet aan [verzoeker] hoeft te betalen. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.2
[verzoeker] heeft zich in september 2025 voor het eerst ziekgemeld. Vervolgens is zij begin november 2025 weer aan het werk gegaan, maar in december 2025 meldde zij zich voor de tweede keer ziek. Het uitgangspunt is dat werknemers tijdens ziekte toch (een gedeelte van) hun loon doorbetaald moeten krijgen. Maar, aan de loondoorbetaling bij ziekte zijn wel verplichtingen voor de werknemer verbonden. De werknemer moet bijvoorbeeld meewerken aan de re-integratie en in het kader van deze re-integratie passende arbeid verrichten als dat mogelijk is. Wanneer een werknemer dat niet doet, dan frustreert die het re-integratietraject en moet de werkgever hem, na een waarschuwing, een loonstop opleggen als prikkel om wel (weer) mee te werken.
3.3
Om zich te laten adviseren in hoeverre [verzoeker] in staat was om te re-integreren, heeft [verweerder] [verzoeker] gemeld bij de bedrijfsarts. [verzoeker] is daarom na zowel de eerste als de tweede ziekmelding bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft telkens geconcludeerd dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid op medische gronden, maar dat [verzoeker] uitgevallen was vanwege een arbeidsconflict en beperkingen op het gebied van sociaal en persoonlijk functioneren. Het duidelijke advies van de bedrijfsarts aan [verzoeker] en [verweerder] was daarom: met elkaar in gesprek gaan. Aan dit advies heeft [verzoeker] , ondanks de vele pogingen van [verweerder] om met haar in gesprek te komen, onvoldoende voldaan. In eerste instantie hebben partijen wel met elkaar gesproken en is [verzoeker] begin november weer aan het werk gegaan op een andere locatie van [verweerder] . Maar in december ging het weer niet goed na onenigheid tussen [verzoeker] en [verweerder] en is [verzoeker] voor een tweede keer uitgevallen. Vanaf dit punt heeft [verzoeker] zich niet coöperatief opgesteld om te komen tot re-integratie. Zij wilde niet in gesprek met [verweerder] , ondanks meerdere uitnodigingen, of stelde hier veel voorwaarden aan. De loonstop die [verweerder] op 5 februari heeft ingezet, nadat [verzoeker] op 4 februari 2026 nogmaals had geweigerd op een door [verweerder] ingepland gesprek te komen, is gezien de waarschuwingen die [verweerder] hiervoor heeft gegeven en de houding van [verzoeker] , dan ook terecht geweest.
3.4
De stelling van [verzoeker] dat zij op 4 februari 2026 nog in afwachting was van een gesprek met de bedrijfsarts en dus niet al met [verweerder] in gesprek hoefde te gaan, maakt dit oordeel niet anders. Op 2 februari 2026 zou [verzoeker] een gesprek hebben met de bedrijfsarts, naar aanleiding van het gesprek dat zij op 28 januari 2026 met [verweerder] had gehad. [verweerder] had in dat gesprek aangegeven de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] niet te gaan verlengen en dat [verzoeker] een keuze moest maken tussen re-integreren, of vrijstelling van werk. [verzoeker] wilde deze keuze niet maken zonder dit eerst met de bedrijfsarts te hebben overlegd. De afspraak van 2 februari 2026 is echter niet doorgegaan, omdat, zo stelt [verzoeker] , de bedrijfsarts ziek was. [verweerder] betwist dit en zegt dat de afspraak niet doorging omdat [verzoeker] niet beschikbaar was voor de bedrijfsarts. Welk verhaal wat betreft deze afspraak bij de bedrijfsarts juist is, maakt voor de beoordeling niet uit. Uit de eerdere verslagen van de bedrijfsarts blijkt namelijk steeds het advies aan [verzoeker] en [verweerder] om met elkaar in gesprek te gaan. Dat één afspraak met de bedrijfsarts niet door is gegaan, om welke reden dan ook, betekent niet dat [verzoeker] het recht had om eerst een nieuwe afspraak af te wachten, voordat zij in gesprek ging met [verweerder] . Zij had de eerdere adviezen van de bedrijfsarts moeten opvolgen en had in gesprek moeten blijven gaan met [verweerder] . Omdat ze dat niet wilde, voldeed [verzoeker] niet aan haar re-integratieverplichtingen en mocht [verweerder] haar loon stopzetten.
[verweerder] hoeft [verzoeker] het loon van februari niet te betalen
3.5
Op 25 februari 2026 heeft [verweerder] de loonstop beëindigd, aangezien [verzoeker] op die datum wel is verschenen bij de bedrijfsarts. Volgens [verweerder] voldeed [verzoeker] daarmee weer aan haar re-integratieverplichtingen. Zoals hiervoor uitgelegd heeft [verweerder] op 5 februari 2026 terecht het loon stopgezet en zij heeft het loon van [verzoeker] vanaf het moment dat zij weer aan haar re-integratieverplichtingen voldeed, betaald. Dit maakt dat [verweerder] het loon van [verzoeker] mocht stopzetten gedurende deze gehele periode van 5 februari tot 25 februari 2026 en dat [verweerder] het loon niet alsnog aan [verzoeker] hoeft te betalen. Het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen.
[verweerder] hoeft geen billijke vergoeding aan [verzoeker] te betalen
3.6
[verzoeker] vordert verder een billijke vergoeding, omdat haar arbeidsovereenkomst niet is verlengd. De kantonrechter zal deze vergoeding afwijzen. [verzoeker] en [verweerder] zijn een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan. Het uitgangspunt hierbij is dat deze arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. De werkgever mag in beginsel zelf bepalen of zij de arbeidsovereenkomst wil verlengen of niet. Maar, als de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen de werkgever en de werknemer eindigt, kan de kantonrechter wel een billijke vergoeding aan de werknemer toekennen wanneer het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
3.7
Voor het aannemen van dit ernstig verwijtbaar handelen geldt een hoge drempel. [verzoeker] moet onderbouwen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar tegen haar heeft gehandeld én dat dit de reden is dat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet. [verzoeker] heeft meerdere redenen genoemd waarom zij vindt dat het handelen van [verweerder] als ernstig verwijtbaar moeten worden aangemerkt. Zij stelt dat zij graag de opleiding tot Woonassistent+ wilde afronden, maar dat [verweerder] haar daar niet de kans toe heeft gegeven. Ondertussen, zo stelt [verzoeker] , moest zij wel de werkzaamheden van een Woonassistent+ uitvoeren en kreeg zij daar niet voor betaald. Ook heeft [verzoeker] het gevoel dat zij onheus bejegend is door [verweerder] en dat zij, toen ze naar een andere locatie werd overgeplaatst, onvoldoende begeleiding van [verweerder] heeft gekregen. Ten slotte zou [verweerder] niet aan haar re-integratieverplichtingen hebben voldaan, door al in januari 2026 aan te zeggen de arbeidsovereenkomst niet te verlengen, terwijl de bedrijfsarts had gezegd dat [verzoeker] en [verweerder] in gesprek moesten gaan over de re-integratie. De kantonrechter oordeelt echter dat deze stellingen onvoldoende zijn om aan te nemen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Wat betreft de stelling van [verzoeker] dat zij werkzaamheden uitvoerde voor een andere functie dan Woonassistent geldt dat dit niet vast komt te staan, aangezien [verweerder] dit onderbouwd heeft betwist. Voor de andere punten meent de kantonrechter dat [verweerder] met de kennis van nu over de reactie van [verzoeker] zaken ook anders had kunnen aanpakken, maar dat maakt nog niet dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Deze hoge drempel wordt niet gehaald.
3.8
Aangezien [verweerder] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, hoeft zij geen billijke vergoeding aan [verzoeker] te betalen voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen.
[verzoeker] moet de proceskosten betalen
3.9
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.10
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door [verweerder] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
wijst de verzoeken van [verzoeker] af,
4.2
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op
29 juli 2026.
62938
Artikel 7:629 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna BW).
Artikel 7:629 lid 3 sub c en d BW.
Artikel 7:629 lid 7 BW.
Zie de terugkoppelingen van de bedrijfsarts van 6 oktober 2025 (productie 9 [verweerder] ) en 22 december 2025 (productie 25 [verweerder] ).
Voor de waarschuwingen van [verweerder] dat het loon van [verzoeker] stopgezet zou kunnen worden wanneer zij niet meewerkt aan haar re-integratieverplichtingen, zie onder andere de e-mails van 20 oktober 2025 (productie 19 [verweerder] ) en 3 februari 2026 (productie 39 [verweerder] )
Artikel 7:673 lid 9 BW.