Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5292

2026-07-29 Civiel recht C/16/578697 / HA ZA 24-375
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-08-09
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/578697 / HA ZA 24-375
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Partijen zijn broers van elkaar. Tot 1 juni 2017 dreven zij een vennootschap onder firma. De vof is inmiddels opgeheven, maar moet nog worden vereffend. Eiser wordt toegelaten om bewijs te leveren van de betaling van de onroerendezaakbelasting.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.732 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: C/16/578697 / HA ZA 24-375




Vonnis van 29 juli 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser (voornaam)] ,
advocaat: mr. P. Geervliet,



tegen





[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde (voornaam)] ,
advocaat: mr. R.P.C. Smit.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


Dagvaarding van 29 februari 2024 met producties,


Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 10 april 2024 met producties,


Het tussenvonnis van 8 mei 2024,


Het vonnis van 17 juli 2024,


Conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie alsmede akte eiswijziging van 12 november 2025 met producties,


Conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie houdende een eisvermindering (intrekken reconventionele vordering) van 24 december 2025 met producties,


Conclusie van dupliek van 18 februari 2026 met producties,


De antwoordakte van [gedaagde (voornaam)] van 8 april 2026 met productie,


- De mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- De spreekaantekeningen van [gedaagde (voornaam)] .



1.2
Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.








2De kern van de zaak


2.1
Partijen zijn broers van elkaar. Tot 1 juni 2017 dreven zij samen een detailhandelszaak in motoren in de vorm van een vennootschap onder firma ( [onderneming 1] v.o.f., hierna: de vof). De vof is inmiddels opgeheven, maar moet nog worden vereffend. Voordat wordt bepaald wie wat moet betalen, wordt [eiser (voornaam)] toegelaten om bewijs te leveren van de betaling van de onroerendezaakbelasting. Dit wordt hierna uitgelegd.





3De beoordeling



De vorderingen van [eiser (voornaam)]





Het negatieve kapitaal bedraagt € 35.395,50




3.1
Partijen zijn het erover eens dat het kapitaal van [gedaagde (voornaam)] € 35.395,50 negatief is. Dit bedrag heeft [gedaagde (voornaam)] meer opgenomen dan hem toekwam op grond van de vof-akte. Dit betekent dat [eiser (voornaam)] een vordering van datzelfde bedrag op de vof heeft. [eiser (voornaam)] vordert daarom (onder andere) betaling van dit bedrag. Partijen verschillen wel van mening of [gedaagde (voornaam)] op zijn beurt nog verrekenbare vorderingen op de vof heeft.



Vordering € 20.000 is verjaard, geen verrekeningsbevoegdheid





3.2

[gedaagde (voornaam)] stelt dat bij de vaststelling van de hoogte van zijn (negatieve) kapitaal ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat hij bij de aankoop van het bedrijfspand een bedrag van € 20.000,- contant uit zijn privévermogen aan de verkoper heeft voldaan. [gedaagde (voornaam)] wil deze vordering verrekenen met het negatieve kapitaal.



3.3
De rechtbank overweegt dat als al zou komen vast te staan dat de contante betaling van [gedaagde (voornaam)] afkomstig was uit zijn privévermogen, wat door [eiser (voornaam)] gemotiveerd wordt betwist, de vordering is verjaard. De vordering is ontstaan in 2010, bij de aankoop van het bedrijfspand. Dit betekent dat de vordering in 2015 is verjaard. Van stuiting is daarnaast geen sprake.[gedaagde (voornaam)] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar gesteld dat hij de verjaring heeft gestuit door bij [eiser (voornaam)] mondeling aanspraak te maken op betaling van het onder 3.2 genoemde bedrag, maar voor stuiting in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW is vereist dat dit schriftelijk gebeurt. Niet is gebleken dat [gedaagde (voornaam)] [eiser (voornaam)] schriftelijk heeft aangemaand tot betaling van het bedrag.



3.4
Hoewel het klopt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering (art. 6:131 lid 1 BW), geldt die uitzondering enkel als er een verrekeningsbevoegdheid bestond op het moment dat de vordering verjaarde. Nadat een vordering eenmaal is verjaard, kan een partij dus geen verrekeningsbevoegdheid verkrijgen doordat daarna een schuld ontstaat. De vordering van [gedaagde (voornaam)] op de vof is in 2015 verjaard. De schuld van [gedaagde (voornaam)] aan de vof is pas in 2023 ontstaan, toen [gedaagde (voornaam)] meer van de vof-rekening heeft opgenomen dan hem toekwam. Het voorgaande betekent dat [gedaagde (voornaam)] geen beroep meer kan doen op verrekening.



Wel verrekening vordering € 4.592,15





3.5

[gedaagde (voornaam)] meent daarnaast dat hij een vordering van € 4.592,15 op de vof heeft. Dit bedrag hebben partijen afgesproken bij het uittreden van [gedaagde (voornaam)] uit de vof, zo volgt uit de overgelegde Afrekening bij uittreding:



“Totaal te voldoen door [onderneming 1] V.O.F. € 4.592,15 incl. BTW





Het te betalen bedrag wordt middels een creditnota van [onderneming 1] V.O.F. verrekend/uitbetaald wanneer de volgende zaken zijn afgerond voor 31 januari 2018:




- Huurovereenkomst [onderneming 2] / [onderneming 1] V.O.F. conform intentieverklaring.


- Verrekening Bus (eigendom [onderneming 2] )/privé inbreng [gedaagde (voornaam)] (inventaris) in [onderneming 2] .


- Telefoonabonnement KPN overgezet naar [handelsnaam] .


- Eerste termijn (aflossing/werkzaamheden € 11.000,- excl. BTW) gefactureerd in 2017.


- Alle privé eigendommen uit het magazijn zijn opgehaald.




Toegang tot het pand mag alleen met toestemming van [A] of [eiser (voornaam)] .”




Dat de handtekening van [gedaagde (voornaam)] niet onder het fysieke document staat is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant. [eiser (voornaam)] heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk erkend dat bovenstaande afspraken (ook) mondeling zijn gemaakt.




3.6

[eiser (voornaam)] heeft zich in de stukken op het standpunt gesteld dat [gedaagde (voornaam)] geen aanspraak kan maken op betaling van het afgesproken bedrag omdat [gedaagde (voornaam)] zich in strijd met de laatste voorwaarde van de akte toegang zou hebben verschaft tot het kantoor. De rechtbank volgt [eiser (voornaam)] hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank is de toevoeging dat [gedaagde (voornaam)] alleen met toestemming het pand mag betreden geen voorwaarde voor betaling. De tekst staat in een nieuwe alinea en ook staat er geen gedachtestreepje voor.



3.7
Dat niet aan de overige voorwaarden zou zijn voldaan is pas ter zitting door [eiser (voornaam)] gesteld, door [gedaagde (voornaam)] betwist en door [eiser (voornaam)] vervolgens niet verder onderbouwd. [eiser (voornaam)] heeft weliswaar aangeboden om zijn compagnon als getuige te horen, maar hier gaat de rechtbank aan voorbij. De rechtbank acht het in strijd met de redelijke procesorde om zo laat in deze fase van de procedure nog nieuwe, niet onderbouwde stellingen naar voren te brengen. Het voorgaande betekent dat [gedaagde (voornaam)] een vordering heeft van € 4.592,15 op de vof en deze (deels) kan verrekenen met het negatieve kapitaal van € 35.395,50.



Betaling onroerendezaakbelasting is niet komen vast te staan





3.8

[eiser (voornaam)] vordert naast betaling van het negatieve kapitaal een bedrag van € 1.670,90 aan betaalde onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) aan de gemeente [.] . [eiser (voornaam)] stelt dat hij in totaal een bedrag van € 3.341,81 aan OZB heeft betaald en dat [gedaagde (voornaam)] de helft van dit bedrag moet betalen. [gedaagde (voornaam)] heeft de betaling op zijn beurt gemotiveerd betwist. Uit het door [eiser (voornaam)] overgelegde betalingsbewijs blijkt weliswaar dat een bedrag van € 2.930,70 is overgemaakt met omschrijving “Aanslag gemeente [.] [nummer] ”, maar niet dat dit aan de gemeente zelf is overgemaakt.



3.9
Het voorgaande betekent dat niet is komen vast te staan dat [eiser (voornaam)] de OZB heeft betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij hier wel bewijs van aangeboden. [eiser (voornaam)] zal worden toegelaten om te bewijzen dat de OZB daadwerkelijk aan de gemeente [.] is betaald.



Vorderingen van derden en de verdeling daarvan tussen [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)]





Belastingen en boetes komen voor rekening van [eiser (voornaam)]





3.10
Op dit moment staat er nog een bedrag van € 531,50 aan verkeersboetes en een bedrag van € 6.995,- aan motorrijtuigbelasting open. Tussen partijen staat vast dat beide bedragen voor rekening van [eiser (voornaam)] komen.



Omzetbelasting





3.11
Daarnaast staat nog een bedrag van € 16.037,- aan omzetbelasting open. Tussen partijen staat vast dat zij ieder 50% (€ 8.018,50) van dit bedrag moeten dragen.



In het eindvonnis komt een verstaansverplichting





3.12

Partijen hebben de rechtbank verzocht om wat betreft de achterstallige
motorrijtuigenbelasting, omzetbelasting en de openstaande verkeersboetes een verstaansverplichting op te nemen, inhoudende dat de bedragen waartoe [gedaagde (voornaam)] wordt veroordeeld aan [eiser (voornaam)] te betalen, door [gedaagde (voornaam)] aan de ontvanger moeten worden voldaan. In het eindvonnis zal hiertoe een berekening worden gemaakt.




Vervolg





3.13
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





4De beslissing


De rechtbank



4.1
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 12 augustus 2026 voor het nemen van een akte door [eiser (voornaam)] over wat is vermeld onder 3.9, waarna de wederpartij op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,



4.2
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.







EB5791




Artikel 3:307 lid 1 Burgerlijk Wetboek


Artikel 3:317 lid 1 Burgerlijk Wetboek


HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93, r.o. 3.2


Productie 2 bij de conclusie van dupliek in conventie (tevens houdende conclusie van repliek in reconventie)