Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5290
2026-07-29
Civiel recht
12267273 \ UV EXPL 26-145
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering tot herstel van auto in kort geding, na ontbinding van de koopovereenkomst.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.023 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12267273 \ UV EXPL 26-145 RvdH/1037
Vonnis in kort geding van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Storch,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. Jonkers.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8,
- de e-mail van 14 juli 2026 van mr. Jonkers met bijlagen, aan te merken als de conclusie van antwoord.
1.2
De akte van [eiser] met productie 9 was te laat ingediend bij de rechtbank. Mr. Jonkers heeft tegen deze akte bezwaar gemaakt. De kantonrechter heeft niet meer beslist op dit bezwaar tijdens de zitting. De advocaat van [eiser] is tijdens de zitting niet meer terug gekomen op de productie. De kantonrechter heeft de productie niet meegewogen bij haar beslissing.
1.3
Op 15 juli 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. [eiser] is verschenen samen met zijn vader en gemachtigde. Namens [gedaagde] was de heer [A] aanwezig met de gemachtigde van [gedaagde] . Mr. Storch heeft pleitnotities voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.4
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] heeft een auto van [gedaagde] gekocht. De auto vertoonde binnen anderhalve maand gebreken. [eiser] heeft [gedaagde] gevraagd de gebreken te herstellen, maar dat heeft zij niet gedaan. [eiser] heeft daarom de koopovereenkomst ontbonden. [eiser] vordert in deze procedure primair herstel van de gebreken en subsidiair vergoeding van de herstelkosten. De kantonrechter wijst de vorderingen af.
3De beoordeling
3.1
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich daarna een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden.
[eiser] heeft een spoedeisend belang
3.2
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft. [eiser] studeert nog en heeft een relatief laag inkomen. [eiser] heeft geen geld om een andere auto te kopen. Hij heeft wel een auto nodig voor privé- en sportaangelegenheden die met het openbaar vervoer moeilijk te bereiken zijn. Daar komt bij dat de auto niet langer kan blijven staan bij de garage waar die nu staat. Het verplaatsen en stallen van de auto zal tot extra kosten leiden. Het inkomen van [eiser] geeft hem geen ruimte om deze kosten te betalen of voor te schieten in afwachting van een bodemprocedure. [eiser] heeft daarom vanwege de oplopende kosten, het gebrek aan geld om vervangend vervoer te betalen en zijn beperkte inkomen belang bij een snelle beslissing.
Wat is er gebeurd?
3.3
Op 28 september 2025 heeft [eiser] bij [gedaagde] een Opel Corsa gekocht voor een bedrag van € 4.300,00. De auto had 238.057 kilometer op de teller en kwam uit het jaar 2015. Rond 5 november 2025 reed [eiser] met de auto en viel de motor uit. Hij heeft toen de ANWB gebeld en die heeft de auto naar [onderneming] (hierna: [onderneming] ) gebracht. [eiser] dacht dat het een klein probleem zou zijn, waarvoor zij [gedaagde] niet kon aanspreken. [onderneming] heeft daarom de auto uitgelezen en het kleppendeksel verwijderd om een diagnose te stellen. Volgens [onderneming] lekt de koppakking of is die anderszins defect en is de druk in meerdere cilinders te laag. De auto start en rijdt niet meer. Toen duidelijk was dat het geen klein probleem was, heeft [eiser] contact opgenomen met [gedaagde] en gevraagd of zij de auto wilde repareren. [gedaagde] wilde de auto niet meer repareren.
3.4
[eiser] heeft [gedaagde] in gebreke gesteld op 27 januari 2026 en 11 februari 2026. Omdat [gedaagde] de auto niet heeft hersteld na de deze ingebrekestellingen, heeft [eiser] op 27 februari 2026 de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en [gedaagde] verzocht de aankoopsom terug te betalen.
De fase waarin [eiser] herstel kan vorderen, lijkt voorbij
3.5
De kantonrechter wijst de vordering tot herstel van de auto af, omdat het aannemelijk is dat de fase waarin [eiser] herstel kon vorderen voorbij is. [eiser] heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en ontbinding heeft in beginsel tot gevolg dat de prestaties uit de overeenkomst over en weer ongedaan gemaakt moeten worden. [eiser] kan niet zomaar in deze kortgedingprocedure aan zijn ontbindingsverklaring voorbijgaan en alsnog herstel vorderen. Het is namelijk aannemelijk dat de bodemrechter oordeelt dat [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Hierbij is het volgende relevant.
3.6
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] de auto heeft gekocht als consument en dat [gedaagde] handelde als verkoper in de uitoefening van een bedrijf. De overeenkomst moet daarom worden aangemerkt als een consumentenkoop. Bij een consumentenkoop heeft de koper de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden als de afgeleverde zaak (in dit geval de auto) niet aan de overeenkomst beantwoordt. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst als die niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, rekening houdend met de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.
3.7
Als de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, is er sprake van een tekortkoming en kan de koper de overeenkomst ontbinden. De bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden ontstaat pas als herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, of als de verkoper is tekortgeschoten in zijn verplichting om binnen een redelijke termijn correct na te komen.
3.8
[gedaagde] voert onder andere aan dat [eiser] de auto zonder garantie heeft gekocht. Ook in dat geval kan [eiser] een beroep doen op de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen.
In het geval van een consumentenkoop kan van die wettelijke bepalingen namelijk niet ten nadele van de consument van worden afgeweken. Dat de auto zonder garantie is verkocht kan invloed hebben op de verwachtingen die [eiser] mocht hebben, maar doet er niet aan af dat de auto moet beantwoorden aan de overeenkomst.
3.9
In de wet staat dat bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordt, als de afwijking zich binnen één jaar na aflevering openbaart. De kantonrechter gaat er in deze procedure van uit dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde. De auto vertoonde kort na de aankoop al gebreken: [eiser] kwam stil te staan toen hij onderweg was en [onderneming] heeft gebreken aan de auto geconstateerd (zie 3.3). [eiser] kan niet meer rijden met de auto.
3.10
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] haar de mogelijkheid voor herstel ontnomen door eerst naar [onderneming] te gaan. [gedaagde] stelt dat zij de auto daarvoor had willen bekijken en herstellen. Maar [eiser] is eerst naar [onderneming] gegaan, omdat hij dacht dat het (maar) een klein probleem zou zijn én omdat hij in de veronderstelling was dat hij de auto zonder garantie had gekocht. [eiser] heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat [onderneming] geen herstelwerkzaamheden aan de auto heeft verricht en dat de factuur voor de werkzaamheden (dus) een offerte is. [gedaagde] voert ook aan dat van ‘garantie’ geen sprake meer kan zijn, omdat [onderneming] aan de auto heeft gewerkt. Dit levert [gedaagde] meer werk op, omdat [onderneming] het kleppendeksel heeft gedemonteerd en [gedaagde] die moet opnieuw moet monteren.
3.11
De kantonrechter gaat ervan uit dat [onderneming] alleen een diagnose heeft gesteld. Het stellen van een diagnose door een derde staat de mogelijkheid tot herstel door [gedaagde] niet in de weg. Het is mogelijk dat de keuze van [eiser] leidt tot meer werk, maar dat er extra gebreken zijn ontstaan als gevolg van het stellen van de diagnose door [onderneming] is niet aangevoerd. Ook is niet gebleken dat herstel door [gedaagde] door de diagnose onmogelijk is geworden.
3.12
De kantonrechter concludeert daarom dat – bij de huidige stand van informatie - aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld wordt dat ondanks het afslepen naar [onderneming] en het stellen van een diagnose daar, [gedaagde] de auto had kunnen en binnen de door [eiser] gestelde termijn had moeten herstellen en dat [eiser] daarom de koopovereenkomst rechtsgeldig kon ontbinden. Door de ontbinding verviel de mogelijkheid om alsnog herstel te vorderen ( [eiser] kon eventueel wel de koopprijs terug vorderen, maar [eiser] heeft nagelaten dat te doen in dit kort geding).
De gevorderde herstelkosten en sleepkosten worden ook afgewezen
3.13
[eiser] vordert subsidiair betaling van de door [onderneming] begrote herstelkosten van € 4.556,47. Volgens [eiser] heeft [onderneming] nog geen herstelwerkzaamheden aan de auto verricht. Dat deze kosten voor de ontbinding zijn gemaakt en als schade door [gedaagde] aan [eiser] moeten worden vergoed, is daarom niet aannemelijk. Bovendien leidt de buitengerechtelijke ontbinding ertoe dat [eiser] niet (alsnog) de auto door een derde kan laten herstellen, op kosten van [gedaagde] . Dat er sprake is van omstandigheden (en een rechtsgrond) die dat rechtvaardigen, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt. Ook de subsidiaire vordering wordt daarom afgewezen.
3.14
[eiser] vordert vergoeding van sleepkosten, omdat de auto bij [onderneming] weg moet. Ook op dit punt gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiser] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. De auto moet nog worden weggesleept: [eiser] heeft deze schade dus niet geleden voor de ontbinding. [eiser] heeft te weinig aangevoerd om in deze kortgedingprocedure te kunnen beoordelen of de nog te maken sleepkosten nu al in aanmerking komen voor vergoeding. Dit deel van de vordering wordt daarom ook afgewezen.
3.15
De nevenvorderingen (rente en buitengerechtelijke kosten) worden als gevolg van het voorgaande ook afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.16
[gedaagde] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten, zonder deze werkelijke kosten te specificeren en onderbouwen. Voor toewijzing van de werkelijke proceskosten is slechts plaats onder heel bijzondere omstandigheden. Dat er sprake is van zulke omstandigheden is niet aannemelijk. Het enkele feit dat de vorderingen worden afgewezen is daarvoor niet voldoende.
3.17
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden volgens de forfaitaire tarieven begroot op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.009,00
3.18
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen als hierna vermeld. De proceskostenveroordeling wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat niet heeft gevorderd.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
Artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:17 lid 1, 2 en 5 BW.
Artikel 7:22 lid 2 BW.
Artikel 7:6 BW.
Artikel 7:18a lid 2 BW. Dit is een bewijsvermoeden. Voor het leveren van (tegen)bewijs is een kort geding geen plaats.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12267273 \ UV EXPL 26-145 RvdH/1037
Vonnis in kort geding van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Storch,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. Jonkers.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8,
- de e-mail van 14 juli 2026 van mr. Jonkers met bijlagen, aan te merken als de conclusie van antwoord.
1.2
De akte van [eiser] met productie 9 was te laat ingediend bij de rechtbank. Mr. Jonkers heeft tegen deze akte bezwaar gemaakt. De kantonrechter heeft niet meer beslist op dit bezwaar tijdens de zitting. De advocaat van [eiser] is tijdens de zitting niet meer terug gekomen op de productie. De kantonrechter heeft de productie niet meegewogen bij haar beslissing.
1.3
Op 15 juli 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. [eiser] is verschenen samen met zijn vader en gemachtigde. Namens [gedaagde] was de heer [A] aanwezig met de gemachtigde van [gedaagde] . Mr. Storch heeft pleitnotities voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.4
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] heeft een auto van [gedaagde] gekocht. De auto vertoonde binnen anderhalve maand gebreken. [eiser] heeft [gedaagde] gevraagd de gebreken te herstellen, maar dat heeft zij niet gedaan. [eiser] heeft daarom de koopovereenkomst ontbonden. [eiser] vordert in deze procedure primair herstel van de gebreken en subsidiair vergoeding van de herstelkosten. De kantonrechter wijst de vorderingen af.
3De beoordeling
3.1
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich daarna een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden.
[eiser] heeft een spoedeisend belang
3.2
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft. [eiser] studeert nog en heeft een relatief laag inkomen. [eiser] heeft geen geld om een andere auto te kopen. Hij heeft wel een auto nodig voor privé- en sportaangelegenheden die met het openbaar vervoer moeilijk te bereiken zijn. Daar komt bij dat de auto niet langer kan blijven staan bij de garage waar die nu staat. Het verplaatsen en stallen van de auto zal tot extra kosten leiden. Het inkomen van [eiser] geeft hem geen ruimte om deze kosten te betalen of voor te schieten in afwachting van een bodemprocedure. [eiser] heeft daarom vanwege de oplopende kosten, het gebrek aan geld om vervangend vervoer te betalen en zijn beperkte inkomen belang bij een snelle beslissing.
Wat is er gebeurd?
3.3
Op 28 september 2025 heeft [eiser] bij [gedaagde] een Opel Corsa gekocht voor een bedrag van € 4.300,00. De auto had 238.057 kilometer op de teller en kwam uit het jaar 2015. Rond 5 november 2025 reed [eiser] met de auto en viel de motor uit. Hij heeft toen de ANWB gebeld en die heeft de auto naar [onderneming] (hierna: [onderneming] ) gebracht. [eiser] dacht dat het een klein probleem zou zijn, waarvoor zij [gedaagde] niet kon aanspreken. [onderneming] heeft daarom de auto uitgelezen en het kleppendeksel verwijderd om een diagnose te stellen. Volgens [onderneming] lekt de koppakking of is die anderszins defect en is de druk in meerdere cilinders te laag. De auto start en rijdt niet meer. Toen duidelijk was dat het geen klein probleem was, heeft [eiser] contact opgenomen met [gedaagde] en gevraagd of zij de auto wilde repareren. [gedaagde] wilde de auto niet meer repareren.
3.4
[eiser] heeft [gedaagde] in gebreke gesteld op 27 januari 2026 en 11 februari 2026. Omdat [gedaagde] de auto niet heeft hersteld na de deze ingebrekestellingen, heeft [eiser] op 27 februari 2026 de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en [gedaagde] verzocht de aankoopsom terug te betalen.
De fase waarin [eiser] herstel kan vorderen, lijkt voorbij
3.5
De kantonrechter wijst de vordering tot herstel van de auto af, omdat het aannemelijk is dat de fase waarin [eiser] herstel kon vorderen voorbij is. [eiser] heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en ontbinding heeft in beginsel tot gevolg dat de prestaties uit de overeenkomst over en weer ongedaan gemaakt moeten worden. [eiser] kan niet zomaar in deze kortgedingprocedure aan zijn ontbindingsverklaring voorbijgaan en alsnog herstel vorderen. Het is namelijk aannemelijk dat de bodemrechter oordeelt dat [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Hierbij is het volgende relevant.
3.6
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] de auto heeft gekocht als consument en dat [gedaagde] handelde als verkoper in de uitoefening van een bedrijf. De overeenkomst moet daarom worden aangemerkt als een consumentenkoop. Bij een consumentenkoop heeft de koper de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden als de afgeleverde zaak (in dit geval de auto) niet aan de overeenkomst beantwoordt. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst als die niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, rekening houdend met de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.
3.7
Als de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, is er sprake van een tekortkoming en kan de koper de overeenkomst ontbinden. De bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden ontstaat pas als herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, of als de verkoper is tekortgeschoten in zijn verplichting om binnen een redelijke termijn correct na te komen.
3.8
[gedaagde] voert onder andere aan dat [eiser] de auto zonder garantie heeft gekocht. Ook in dat geval kan [eiser] een beroep doen op de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen.
In het geval van een consumentenkoop kan van die wettelijke bepalingen namelijk niet ten nadele van de consument van worden afgeweken. Dat de auto zonder garantie is verkocht kan invloed hebben op de verwachtingen die [eiser] mocht hebben, maar doet er niet aan af dat de auto moet beantwoorden aan de overeenkomst.
3.9
In de wet staat dat bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordt, als de afwijking zich binnen één jaar na aflevering openbaart. De kantonrechter gaat er in deze procedure van uit dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde. De auto vertoonde kort na de aankoop al gebreken: [eiser] kwam stil te staan toen hij onderweg was en [onderneming] heeft gebreken aan de auto geconstateerd (zie 3.3). [eiser] kan niet meer rijden met de auto.
3.10
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] haar de mogelijkheid voor herstel ontnomen door eerst naar [onderneming] te gaan. [gedaagde] stelt dat zij de auto daarvoor had willen bekijken en herstellen. Maar [eiser] is eerst naar [onderneming] gegaan, omdat hij dacht dat het (maar) een klein probleem zou zijn én omdat hij in de veronderstelling was dat hij de auto zonder garantie had gekocht. [eiser] heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat [onderneming] geen herstelwerkzaamheden aan de auto heeft verricht en dat de factuur voor de werkzaamheden (dus) een offerte is. [gedaagde] voert ook aan dat van ‘garantie’ geen sprake meer kan zijn, omdat [onderneming] aan de auto heeft gewerkt. Dit levert [gedaagde] meer werk op, omdat [onderneming] het kleppendeksel heeft gedemonteerd en [gedaagde] die moet opnieuw moet monteren.
3.11
De kantonrechter gaat ervan uit dat [onderneming] alleen een diagnose heeft gesteld. Het stellen van een diagnose door een derde staat de mogelijkheid tot herstel door [gedaagde] niet in de weg. Het is mogelijk dat de keuze van [eiser] leidt tot meer werk, maar dat er extra gebreken zijn ontstaan als gevolg van het stellen van de diagnose door [onderneming] is niet aangevoerd. Ook is niet gebleken dat herstel door [gedaagde] door de diagnose onmogelijk is geworden.
3.12
De kantonrechter concludeert daarom dat – bij de huidige stand van informatie - aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld wordt dat ondanks het afslepen naar [onderneming] en het stellen van een diagnose daar, [gedaagde] de auto had kunnen en binnen de door [eiser] gestelde termijn had moeten herstellen en dat [eiser] daarom de koopovereenkomst rechtsgeldig kon ontbinden. Door de ontbinding verviel de mogelijkheid om alsnog herstel te vorderen ( [eiser] kon eventueel wel de koopprijs terug vorderen, maar [eiser] heeft nagelaten dat te doen in dit kort geding).
De gevorderde herstelkosten en sleepkosten worden ook afgewezen
3.13
[eiser] vordert subsidiair betaling van de door [onderneming] begrote herstelkosten van € 4.556,47. Volgens [eiser] heeft [onderneming] nog geen herstelwerkzaamheden aan de auto verricht. Dat deze kosten voor de ontbinding zijn gemaakt en als schade door [gedaagde] aan [eiser] moeten worden vergoed, is daarom niet aannemelijk. Bovendien leidt de buitengerechtelijke ontbinding ertoe dat [eiser] niet (alsnog) de auto door een derde kan laten herstellen, op kosten van [gedaagde] . Dat er sprake is van omstandigheden (en een rechtsgrond) die dat rechtvaardigen, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt. Ook de subsidiaire vordering wordt daarom afgewezen.
3.14
[eiser] vordert vergoeding van sleepkosten, omdat de auto bij [onderneming] weg moet. Ook op dit punt gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiser] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. De auto moet nog worden weggesleept: [eiser] heeft deze schade dus niet geleden voor de ontbinding. [eiser] heeft te weinig aangevoerd om in deze kortgedingprocedure te kunnen beoordelen of de nog te maken sleepkosten nu al in aanmerking komen voor vergoeding. Dit deel van de vordering wordt daarom ook afgewezen.
3.15
De nevenvorderingen (rente en buitengerechtelijke kosten) worden als gevolg van het voorgaande ook afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.16
[gedaagde] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten, zonder deze werkelijke kosten te specificeren en onderbouwen. Voor toewijzing van de werkelijke proceskosten is slechts plaats onder heel bijzondere omstandigheden. Dat er sprake is van zulke omstandigheden is niet aannemelijk. Het enkele feit dat de vorderingen worden afgewezen is daarvoor niet voldoende.
3.17
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden volgens de forfaitaire tarieven begroot op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.009,00
3.18
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen als hierna vermeld. De proceskostenveroordeling wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat niet heeft gevorderd.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
Artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:17 lid 1, 2 en 5 BW.
Artikel 7:22 lid 2 BW.
Artikel 7:6 BW.
Artikel 7:18a lid 2 BW. Dit is een bewijsvermoeden. Voor het leveren van (tegen)bewijs is een kort geding geen plaats.