Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5281

2026-06-08 Civiel recht 12171417 AT VERZ 26-270
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-06-08
Publicatiedatum
2026-08-08
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12171417 AT VERZ 26-270
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

aansprakelijkstelling bewindvoerder, verzoek tot schadevergoeding afgewezen, geen schade geleden door rechthebbende, verplichting tot terugbetaling onterecht ontvangen toeslagen is niet aan te merken als schade.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.292 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Bewindsbureau



locatie Utrecht




zaaknummer : 12171417 AT VERZ 26-270
dossiernummer : BM 31788




Beschikking van de kantonrechter d.d. 8 juni 2026




in de zaak van:





[verzoekster]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
wonende te [postcode 1] [plaats 1] , [adres] ,
hierna te noemen: [verzoekster] ,



tegen





[bewindvoerder 1] , h.o.d.n. [bewindvoering 1] B.V.,
correspondentieadres: [Postadres] , [postcode 2] [plaats 2] ,
hierna te noemen: [bewindvoerder 1] .





1De procedure


1.1
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:


de klacht van mevrouw [verzoekster] , ontvangen op 1 april 2026, inhoudende een verzoek tot schadevergoeding;


reactie op de klacht van de heer [bewindvoerder 1] , ontvangen op 13 april 2026;


e-mailberichten van mevrouw [verzoekster] , ontvangen op 15 en 28 april 2026.





1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 4 juni 2026. Ter zitting zijn verschenen:


mevrouw [verzoekster] (rechthebbende);


de heer [bewindvoerder 1] van [bewindvoering 1] B.V. (voormalig bewindvoerder);


mevrouw [A.] van [bewindvoerder 2] B.V. (huidige bewindvoerder).







2De feiten


2.1
Bij beschikking van de kantonrechter te Utrecht van 7 juli 2020 is het vermogen van rechthebbende onder bewind gesteld wegens lichamelijke of geestelijke toestand. [B.] , h.o.d.n. [bewindvoering 2] is benoemd tot bewindvoerder.



2.2
De kantonrechter heeft bij beschikking van 3 december 2021 [B.] , h.o.d.n. [bewindvoering 2] ontslagen als bewindvoerder en [bewindvoering 1] B.V. tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Vervolgens heeft de kantonrechter bij beschikking van 27 februari 2026 [bewindvoering 1] B.V. ontslagen als bewindvoerder en [bewindvoerder 2] B.V. benoemd tot opvolgend bewindvoerder.






3De klacht


3.1

[verzoekster] heeft in haar brief van 1 april 2026 een klacht ingediend tegen de wijze waarop [bewindvoerder 1] haar vermogensrechtelijke belangen heeft behartigd. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij door toedoen van [bewindvoerder 1] een schuld heeft opgebouwd van € 2.592,88 bij het UWV door teveel ontvangen toeslagen. [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om [bewindvoerder 1] te veroordelen de door haar geleden schade te vergoeden.



3.2

[bewindvoerder 1] is bij brief van 3 april 2026 door de rechtbank in de gelegenheid gesteld op de klacht van [verzoekster] te reageren. [bewindvoerder 1] heeft in zijn brief van 13 april 2026 gereageerd op de klacht van [verzoekster] . [bewindvoerder 1] heeft verklaard dat [verzoekster] half augustus 2025 is gaan samenwonen met haar partner, de heer [naam] . Op dat moment had [naam] geen inkomen. [bewindvoerder 1] heeft om die reden een partnertoeslag aangevraagd bij het UWV. Half november 2025 bleek dat [naam] eveneens recht had op een UWV-uitkering, zelfs met terugwerkende kracht. Daardoor heeft [verzoekster] over de periode van de terugwerkende kracht, onterecht partnertoeslag ontvangen. [naam] heeft vervolgens geen kostgeld voldaan aan [verzoekster] vanuit zijn met terugwerkende kracht toegekende uitkering. [verzoekster] wilde niet meewerken aan beëindiging van de toeslag met behulp van haar DigiD, waardoor de beëindiging per post moest plaatsvinden, aldus [bewindvoerder 1] . De brief waarmee hij die stopzetting wilde regelen is bij het UWV (aanvankelijk) in het ongerede geraakt. Op 8 januari 2026 heeft het UWV de toeslag formeel beëindigd. Op 30 januari 2026 werd de terugvordering van € 2.592,88 kenbaar gemaakt. [bewindvoerder 1] heeft voor het onterecht ontvangen bedrag een betalingsregeling getroffen met het UWV. Deze betalingsregeling is overgedragen aan [bewindvoerder 2] B.V.



3.3

[verzoekster] betwist de door [bewindvoerder 1] geschetste gang van zaken met betrekking tot de stopzetting van de partnertoeslag. Verder verwijt zij [bewindvoerder 1] dat hij het bedrag van de onterecht ontvangen partnertoeslag niet heeft gereserveerd maar aan haar als leefgeld heeft uitbetaald.






4De beoordeling


4.1
In artikel 1:444 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is, als hij tekortschiet in de zorg van een goed bewindvoerder, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Dit betekent dat de handelswijze van de bewindvoerder, ook al is hierdoor schade ontstaan, niet automatisch leidt tot aansprakelijkheid. Gekeken zal moeten worden of de bewindvoerder heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een zorgvuldig handelende bewindvoerder verwacht mag worden.



4.2
Op grond van artikel 1:362 BW, dat ingevolge artikel 1:445 lid 5 BW van overeenkomstige toepassing is bij bewind, kan de kantonrechter op verzoek van de bewindvoerder of ambtshalve de schade vaststellen die de rechthebbende door slecht bewind van de voormalige bewindvoerder heeft geleden en de voormalige bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen.



4.3
Vaststaat dat [verzoekster] onterecht toeslagen heeft ontvangen van het UWV van in totaal € 2.592,88. Dit bedrag dient te worden terugbetaald. Dit heeft niet tot gevolg dat [verzoekster] schade heeft geleden. Immers, [verzoekster] heeft de toeslagen ontvangen en uitgegeven. De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoekster] om [bewindvoerder 1] te veroordelen tot schadevergoeding om die reden af. De vraag aan wie te wijten is dat de toeslag met enige vertraging is stopgezet kan hierdoor in het midden blijven. Overigens acht de kantonrechter de vertraging niet zodanig ernstig dat sprake is van een tekortkoming in de zorg van een goed bewindvoerder.






5De beslissing


De kantonrechter:



5.1
wijst het verzoek tot schadevergoeding af;



5.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.





Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.